logo-sociale-alliantie6

De sociale staat van Nederland 2017

de sociale staat van nederland 2017Het Sociaal en Cultureel Panbureau (SCP) geeft om de twee jaar een dikke cijferbijbel uit: De Sociale Staat van Nederland. In de editie van 2017 analyseert het SCP aan de hand van kerncijfers de ontwikkelingen op de terreinen arbeid, inkomen, gezondheid, onderwijs, participatie, veiligheid, vrijetijd en wonen. Verder besteden de onderzoekers aandacht aan de demografische ontwikkeling van de bevolking, de ontwikkeling van de publieke opinie en het politieke klimaat en de leefsituatie van de Nederlanders. In de editie van 2017 kijkt het SCP als nieuw element terug op ontwikkelingen van de afgelopen 25 jaar. 

Wie de cijferknots ter hand neemt heeft moeite om een goed antwoord te vinden op de volgende kritische vraag. Welke cijfers volgens welke definities heeft het CPB vergeleken in de loop van die 25 jaar? Want wie een beetje meekijkt in de keuken van de definities weet dat er in de loop van die vijfentwintig jaar heel wat definities veranderd zijn, vooral in het sociaal-economische terrein. Dus wat er allemaal met elkaar vergeleken wordt en of dat volgens dezelfde meetwaarden te vergelijken is, dat wordt niet erg duidelijk gemaakt.
Een tweede kritische vraag gaat over de vooronderstellingen en keuzes die ten grondslag liggen aan dit boek. Cijfers verwerven is een ding, cijfers verwerken een tweede en cijfers vergelijken een derde. Er komen dan drie keer vooronderstellingen in het geding, en gemaakte keuzes, die richting geven aan de cijfers. Want hoe kijk je, vanuit welke keuzes, in welke richting? Het SCP staat er om bekend om de heersende sociaal-economische politieke paradigma’s te ondersteunen en dus ook te voorspellen. Dus kun je in deze cijferbijbel weinig kritische zinnen terugvinden rond de uitkomsten van het gevoerde sociaal-economische macro-beleid in de afgelopen 25 jaar. Terwijl ‘foute’ uitkomsten toegeschreven worden aan de keuzes of het gedrag van individuen.
Evengoed zijn die vergelijkingen interessant en in de weergave volgen we de samenvatting van het SCP.

Nederland is rond 2017 voller, grijzer en diverser geworden dan in 1990

De omvang en de samenstelling van de bevolking zijn in de afgelopen 25 jaar veranderd. Inmiddels wonen er meer dan 17 miljoen mensen in Nederland; een bevolkingstoename van 13% ten opzichte van 1990. Opvallend is dat het aantal huishoudens sterker steeg dan het aantal personen, naar 7,7 miljoen huishoudens in 2015 (26% meer dan in 1990). Deze stijging komt vooral door het toegenomen aantal echtscheidingen en het langer zelfstandig (kunnen) wonen van ouderen. Het aandeel 65-plussers in de bevolking is gestegen van 13% in 1990 naar 18% in 2017. Daarnaast is de culturele diversiteit toegenomen: op 1 januari 2016 had 12% van de inwoners (2,1 miljoen mensen) van Nederland een niet-westerse achtergrond, twintig jaar eerder was dat nog 9% (1,1 miljoen).

De stemming is overwegend stabiel

Ten opzichte van 1990 is het beeld dat de Nederlanders van hun eigen situatie en van de samenleving als geheel hebben, niet erg veranderd. Nog steeds vindt rond de 85% dat het eigen gezin in welvaart leeft, en is meer dan 80% er trots op om een Nederlander te zijn. De zorgen over normen en waarden en hoe we met elkaar omgaan waren in 1993 zelfs groter dan nu. Over immigranten is men nu iets positiever dan aan het begin van de jaren negentig. Vond in 1994 nog 49% dat er te veel mensen van een andere nationaliteit in Nederland wonen, in 2017 is dat 31%.
De Nederlandse economie krijgt in 2017 van de meeste mensen weer een voldoende – na een langdurige daling in de periode van economische crises na 2008. In de afgelopen 25 jaar zijn rond de 74% van de mensen gaan vinden dat de inkomensverschillen in Nederland kleiner moeten worden; in 1990 vond 55% dit.
Bijna de helft van de Nederlanders vindt dat anderen in het algemeen wel te vertrouwen zijn. Ook al is het vertrouwen in de politiek weliswaar veranderlijk, het politiek cynisme nam de laatste 25 jaar niet toe. De tevredenheid met de democratie ligt in 2017 hoger dan in 1990.
De steun voor de keuzevrijheid van vrouwen ten aanzien van abortus is toegenomen van 50% tot 74%. Het homohuwelijk wordt inmiddels door 94% geaccepteerd en de acceptatie van hulp bij euthanasie blijft onveranderd hoog met 92%. De steun voor de vrijheid van meningsuiting daalde echter: 25 jaar geleden vond nog 81% van de mensen dat iedereen vrij moet zijn om in het openbaar te zeggen wat hij of zij wil, nu is dat 66%. Degenen die de vrijheid van meningsuiting steunen waren rond 1990 vooral links georiënteerd, vanaf 2008 vinden ook mensen die zichzelf rechts noemen, deze vrijheid van groot belang. Dat lijkt onder andere een gevolg van de ontwikkeling dat de discussie over deze vrijheid steeds vaker wordt gevoerd in de context van de multiculturele samenleving.
Nederlanders zijn rond 2017 iets meer tevreden met hun leven dan in 2004, het eerste jaar waarin de vraag naar levenstevredenheid is gesteld. Het gemiddelde ging licht omhoog (van een rapportcijfer 7,6 naar een 7,8). De economische crisis heeft voor de meeste mensen geen invloed gehad op de tevredenheid met het leven.

De kwaliteit van leven is op veel terreinen toegenomen

De afgelopen 25 jaar kenmerken zich door een sterke economische groei en stijgende inkomens. Het bruto binnenlands product (BBP) nam tussen 1990 en 2016 toe met 68%. Vooral tussen 1990 en 2000 bloeide de economie: vrijwel alle groepen gingen er in die periode in koopkracht op vooruit (die van de 65-plussers steeg het meest). Na het hoogtepunt in 2007 volgt de economische crisis. Vrijwel alle groepen moesten ten opzichte van 2007 koopkracht inleveren, vooral zelfstandigen en eenverdieners zonder kinderen (-14%). Een koopkrachtstijging was er in die periode echter wel voor uitkeringsgerechtigden (+6%) en gepensioneerden jonger dan 65 jaar (+8%).
Sinds 1990 is de arbeidsparticipatie fors toegenomen, vooral onder ouderen en vrouwen. De arbeidsparticipatie onder ouderen is tegenwoordig bijna 2,3 keer zo groot als in 1990 (toen die nog erg laag was) en bedraagt nu bijna 14% van de 65-69 jarigen en bijna 7% van de 70-74 jarigen. Ook voor vrouwen is de arbeidsparticipatie, met een toename van meer dan 26 procentpunten, sinds 1990 sterk toegenomen tot 71%: veel vrouwen werken echter in deeltijd.
Het opleidingsniveau in Nederland is gestegen in de afgelopen 25 jaar. Het aandeel mensen met een hogere opleiding is verdubbeld van 18% naar 36%. De positieve ontwikkeling is vooral bij vrouwen opvallend. Dat het goed gaat met het opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking blijkt ook uit de doorgaande afname van het aantal voortijdig schoolverlaters.
In 2016 is de levensverwachting bij de geboorte voor mannen bijna 80 jaar en voor vrouwen ruim 83 jaar. In 25 jaar is de levensverwachting met gemiddeld 4,5 jaar gestegen (voor vrouwen met 3 jaar, voor mannen met 5,9 jaar). Omgerekend betekent dit dat elk jaar de levensverwachting voor vrouwen gemiddeld met 1,5 maand (44 dagen) is gestegen, en voor mannen zelfs met bijna 3 maanden (86 dagen). In De sociale staat van Nederland 2015 wees het SCP op het feit dat al jarenlang de levensverwachting van hoogopgeleiden bij de geboorte bijna 7 jaar hoger is dan bij laagopgeleiden; het verschil in de levensverwachting in goede gezondheid is zelfs bijna 20 jaar.
De criminaliteit in Nederland is sinds 2000 afgenomen, terwijl dat was in de jaren ’90 nog niet het geval is. De daling betreft de volgende delict typen: geweld, vermogen en vernieling. Hoewel gevoelens van veiligheid zich volgens een eigen dynamiek ontwikkelen, los van de werkelijke mate van criminaliteit, zijn ook de gerapporteerde onveiligheidsgevoelens in de afgelopen tien jaar gedaald. Ook zijn er steeds minder mensen die denken dat de criminaliteit in Nederland toeneemt, of die de criminaliteit in Nederland een groot probleem vinden; dat aandeel is gedaald van 90% in de eerste helft van de jaren negentig naar zo’n 60% respectievelijk 65% nu.
De manier van wonen is sterk gewijzigd. Op de woningmarkt is in de afgelopen 25 jaar het aantal mensen met een koopwoning toegenomen van 45% tot 59%. Vooral onder de hogere en middeninkomens is het eigenwoningbezit toegenomen. In de huursector nam het aandeel woningcorporatiehuurders afkomstig uit de laagste 20% inkomens in de afgelopen 25 jaar toe (van 12% tot ruim 45%). In de jaren negentig verliep dit proces snel en de laatste paar jaar versnelde deze ontwikkeling opnieuw. De zogeheten woonquotes (het aandeel van de netto woonlasten binnen het besteedbare huishoudensinkomen) stegen tot 2009; vanaf dat moment zijn ze redelijk constant. In 1994 was de gemiddelde woonquote 24%, en in 2015 27%.
Inmiddels sport ongeveer de helft van de Nederlanders wekelijks (in 1990 was dat nog ongeveer 40%). Het aandeel 65-plussers dat wekelijks sport is tussen 2001 en 2016 toegenomen, van 26% tot 37%. Bij jongeren van 12-19 jaar is het aandeel sporters in diezelfde periode gedaald, van 77% naar 70%. Het aandeel mensen dat lid is van een sportvereniging daalde tussen 1990 en 2000 en bleef daarna stabiel. Er is tegenwoordig een grote behoefte om op flexibele momenten te sporten.

Participatie in Nederland

Er zijn weinig aanwijzingen dat de maatschappelijke inzet en betrokkenheid van Nederlanders de afgelopen 25 jaar is veranderd. Het percentage Nederlanders dat vrijwilligerswerk doet is sinds 1990 redelijk constant gebleven (tussen de 25% en 30%). Ook het aantal leden van de vijf grootste kerken en het Nederlands Bijbelgenootschap is geleidelijk gedaald (van 8,6 miljoen in 1994 naar bijna 6 miljoen in 2015). Betrouwbare tijdreeksen over het aantal moskeegangers - een steeds grotere geloofsgroep - ontbreken. Op dit moment wonen er, naar schatting, ongeveer een miljoen moslims in Nederland. In 1990 waren dit er, eveneens naar schatting, een kleine half miljoen.
Het aantal leden van een politieke partij neemt af, van 325.000 in 1990 tot 265.000 in 2017. De belangstelling voor de politiek blijft gelijk: sinds 1990 is de opkomst bij algemene verkiezingen redelijk constant. Er zijn veranderingen in de wijze waarop mensen zich politiek en maatschappelijk vrijwillig inzetten: minder in verbanden, meer individueel en meer gericht op concrete en afgebakende acties en onderwerpen.
Bij lidmaatschappen van vakverenigingen is er een piek in 2000, toen bijna 1,8 miljoen mensen lid waren van de drie grootste vakverenigingen, daarna is dat aantal sindsdien geleidelijk gedaald naar bijna 1,5 miljoen in 2016. Een belangrijke oorzaak is de vergrijzing van het ledenbestand.
De hoeveelheid vrije tijd blijft stabiel: die is in 2016 iets meer dan 47 uur per week en is daarmee niet veel veranderd in de afgelopen 25 jaar. Bijna driekwart van de Nederlanders vindt dat hij of zij voldoende vrije tijd heeft. Ook de inrichting van de vrije tijd verschilt in 2016 maar weinig van die in 1990: de meeste tijd gaat naar het gebruik van media en ict (bijna 19 uur) en naar het onderhouden van sociale contacten (bijna 10 uur in 1990 en ruim 8 uur in 2016). Hoewel de nieuwe mediavormen (onder andere social media) inmiddels een belangrijk aandeel in het mediagebruik hebben, worden ook klassieke vormen van media (televisie, radio, kranten) nog altijd veel gebruikt.
Een grote verandering is de groei van het computerbezit: in 1990 bezat nog geen derde van de Nederlanders een computer, in 2013 heeft bijna iedereen er een (93%). In de tussentijd kreeg ook bijna iedereen toegang tot internet: in 1995 had 4% van de Nederlanders toegang tot internet, in 2013 is dat 97%. Door de digitalisering zijn de gebruiksmogelijkheden en keuzevrijheid bij het informeren, amuseren en communiceren enorm toegenomen.
De trends in het bereik van cultuur zijn wisselend. De populariteit van klassieke muziek daalt gestaag, maar popmuziek heeft een groter bereik gekregen. Na een aanvankelijke daling in de jaren negentig stijgt het aandeel van de bevolking dat minstens een keer in een jaar een museum bezoekt (in 2016 rond de 8% meer dan in 2012).

Groeiende scheidslijnen in de samenleving

Hoewel voor iedereen de leefsituatie in de afgelopen 25 jaar is verbeterd, namen de verschillen in leefsituatie naar opleidingsniveau en gezondheid toe (doordat de hoogopgeleiden en mensen zonder handicap of ziekte er meer op vooruit gingen dan laagopgeleiden en mensen met een handicap of ziekte). In de afgelopen twee jaar werden de verschillen in leefsituatie echter niet alleen groter tussen deze groepen, maar ook tussen werkenden en niet-werkenden, en tussen hoge en lage inkomens.
Verder valt op dat sinds 2004 levenstevredenheid bij mensen met een slechte leefsituatie eerst steeg, maar daarna afnam (van een 7,2 in 2008 tot een 6,6 in 2016), terwijl die van mensen met een goede leefsituatie gelijk bleef (rapportcijfer 8,2). De combinatie van een minder goede leefsituatie en niet-gelukkig zijn komt samen bij een groep waarbij sprake is van een stapeling van problemen in combinatie met weinig eigen mogelijkheden om de situatie te verbeteren. Bovendien zijn ze vaker sociaal geïsoleerd en zeggen ze minder vaak te gaan stemmen. Wat de zorgen over deze groep groter maakt, is dat meer dan de helft van hen aangeeft weinig regie te hebben over het eigen leven en ook geen kansen te zien om vooruit te komen in het leven. In omvang betreft het een groep van ongeveer 5% van de volwassen bevolking. Deze groep is tussen 1990 en 2017 als percentage van de bevolking nauwelijks kleiner geworden, maar in absolute aantallen nam ze toe van 500.000 tot bijna 700.000.

Armoede en flexibilisering op de arbeidsmarkt

De periode 2000-2014 valt uiteen in twee tijdvakken: de jaren voor het begin van de crisis (2008 en de jaren daarna. In het tijdvak 2000-2007 gingen bijna alle groepen er op vooruit en in het tijdvak 2008-2014 er op achteruit. De welvaart in Nederland is toegenomen, en eveneens de armoede. De ontwikkeling van het aandeel mensen dat in armoede leeft (volgens het niet-veel-maar-toereikend criterium) kent golfbewegingen, maar is de laatste paar jaar opgelopen en ligt in 2017, met 6,6%, hoger dan in 1990 (toen was 5,7% arm). Uitkeringsgerechtigden (31% in 2017) en eenoudergezinnen (22% in 2017) zijn de afgelopen 25 jaar de groepen met veruit het hoogste armoederisico. Van de niet-westerse migranten leeft een op de vijf in armoede; dat getal is al 25 jaar min of meer constant.
De cijfers rond inkomen en sociale zekerheid geven aan dat de koopkracht van de meeste groepen Nederlanders in 2014 nog niet helemaal hersteld is na de crisis. Wel was zij hoger dan in 2000. De sterke toename van de negatieve vermogens in de huishoudens is in 2014 tot staan gekomen. Het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen is vanaf het hoogtepunt in 2002 (993.000) gedaald en bevindt zich thans, in de jaren na 2010, op een tamelijk stabiel niveau (ruim 800.000). Deze daling lag vooral aan de gestage afname van het aantal WAO/WIA-uitkeringen (van 803.000 in 2002 naar 546.000 in 2016). Het beroep op de werkloosheidsuitkeringen weerspiegelt de crisis en laat tussen 2008 en 2015 een flinke stijging zien van 307.000 in 2008 naar 446.000 in 2015. Een op de negen zelfstandigen (11%) bevindt zich in 2014 onder de armoedegrens. De tevredenheid met het eigen inkomen is, na een kleine daling bij de meesten weer terug op het niveau van 2010. Maar steeds meer mensen vinden wel dat de inkomensverschillen kleiner moeten worden.
Een belangrijke verandering op de arbeidsmarkt is de flexibilisering. Kijken we over een periode van twintig jaar, dan is het aandeel werknemers met een vaste arbeidsrelatie sterk afgenomen, van 71% in 1996 tot 61% in 2016. Dat hier niet alleen individuele, maar ook maatschappelijke risico’s aan verbonden zijn, blijkt onder meer uit het feit dat er, vanwege de hoge kosten ervan, nogal wat zzp’ers onverzekerd zijn tegen arbeidsongeschiktheid en geen adequate pensioenvoorziening hebben.
Het opleidingsniveau is gemiddeld gestegen, en tegelijkertijd zijn de prestaties van de huidige generatie scholieren in het basis- en voortgezet onderwijs slechter voor met name wiskunde en rekenen dan vijftien tot twintig jaar geleden. 

We worden ouder, maar ook (chronisch) zieker

Tegelijk met de gestegen levensverwachting nam ook het percentage mensen dat een chronische ziekte(s) heeft toe. Wel zijn de iets minder oude mensen gezonder dan eerdere generaties van dezelfde leeftijd. Een van de opvallendste ontwikkelingen is dat het aantal mensen met overgewicht in de loop der tijd gestaag is toegenomen van 30% in 1990 tot ruim 43% nu. Ook de sterfte aan psychische stoornissen en de sterfte aan aandoeningen van het zenuwstelsel is toegenomen. Dat komt met name door de toename van de sterfte aan dementie.

Opgave voor de toekomst

Regie hebben over het eigen leven is belangrijk voor mensen om hun kwaliteit van leven te kunnen verbeteren. Dat geldt ook voor het bezitten van vaardigheden om met internet om te gaan of anderszins te communiceren via sociale media. Er zijn grote groepen mensen in de Nederlandse samenleving - bijvoorbeeld degenen die laaggeletterd zijn of die een (lichte) verstandelijke beperking hebben - voor wie dit moeilijk of zelfs onmogelijk is. Communicatie met de overheid kan voor hen hierdoor een onmogelijke opgave worden.
Ook in een snel veranderende arbeidsmarkt veranderen de noodzakelijke vaardigheden waarover mensen moeten beschikken. Technologische ontwikkelingen en flexibilisering van de arbeidsrelaties gaan snel, waardoor mensen zelfredzamer en ondernemender moeten worden. Ook dat is niet voor iedereen mogelijk. De vraag voor de komende jaren zal zijn hoe zoveel mogelijk mensen in staat gesteld kunnen worden volwaardig mee te doen in die veeleisender wordende samenleving; hoe voorkomen kan worden dat mensen achterblijven en hoe burgers gesteund kunnen worden bij het verwerven van die noodzakelijke vaardigheden.

Rob Bijl, Jeroen Boelhouwer, Annemarie Wennekers, (red.), e.a., ‘De sociale staat van Nederland 2017’, SCP Den Haag, 2017, ISBN 9789037708479, 436 pag., € 49,90
Klik hier om het boek, in zijn geheel of per hoofdstuk, te downloaden.

Hub Crijns, bestuurder Landelijk Katholiek Diaconaal Beraad en lid van de Stuurgroep Knooppunt Kerken en Armoede, met dank aan de samenvatting van het SCP.

Economie voor beginners: donut-economie

Klik hier om dit artikel te downloaden als pdf-document.

donut economie omslag

De Britse econoom Kate Raworth is met haar pleidooi voor een duurzame en sociale economie het gesprek van de dag in 2017. In haar boek ‘Doughnut Economy’ presenteert zij een economisch model in de vorm van een donut en met dit beeld van een zoet broodje helpt zij ons beginners met een lesje economie.

Lees meer

Anders denken over economie

Klik hier om dit artikel te downloaden als pdf-document.

groene euro

Armoede is een maatschappelijk vraagstuk. Dat wil zeggen dat de oorzaken en de oplossingen eerst en vooral gezocht moeten worden in het antwoord dat de samenlevende mensen geven of gegeven hebben op de vraag: hoe richten wij als samenlevende mensen ons samenleven in? In dat antwoord wordt de economie met haar wetmatigheden doorgaans vergeten of beter gezegd geaccepteerd als autonome mechanismen waarop de samenlevende mensen geen greep hebben. Dat is een hardnekkig misverstand. En zolang dat zich kan blijven nestelen in de hoofden en harten van mensen blijft het armoedevraagstuk als maatschappelijk verschijnsel bestaan. Dan kunnen wij als samenleving wel allerlei activiteiten ontplooien om arme mensen te helpen, maar het verschijnsel armoede uitroeien lukt op die manier niet. Daar is anders denken en doen voor nodig, met name over onze economie. Een aantal auteurs pleit daar al lang voor. Het is zaak die pleidooien weer eens naar voren te halen. 

Lees meer

Economie van het genoeg

Klik hier om dit artikel te downloaden als pdf-document.

economie van het genoeg

De term ‘Economie van het genoeg’ is eind jaren zeventig van de vorige eeuw geïntroduceerd in de kringen rond de Raad van Kerken. De gezaghebbende economen achter deze ‘economie van het genoeg’ zijn Harry de Lange en Bob Goudzwaard, beide langdurig verbonden met het oecumenisch werk van de Wereldraad van Kerken en de Raad van Kerken in Nederland. De kerken en de Evangelische Volkspartij deden volop mee. Goudzwaard zette het concept van de ‘economie van het genoeg’ uiteen in zijn boek ‘Kapitalisme en vooruitgang’ (1976).

Economie van het genoeg

Bob Goudzwaard en Harry de Lange schreven in 1976 hun boek ‘Genoeg van te veel, genoeg van te weinig – wissels omzetten in de economie’, dat in 1993 een vierde, opnieuw herziene en uitgebreide druk kreeg. In die laatste druk is meer aandacht gegeven aan de dominantie die de financiële markten en het financiële deelcircuit uitoefenen op de andere deelcircuits van de economie. De economie van het genoeg is een reactie op de onevenredige verdeling van de productiemiddelen binnen de consumptiemaatschappij. Ze bepleit grenzen aan de economische groei en stelt dat niemand zijn overvloed dient te vermeerderen, zolang niet iedereen aan zijn levensbehoeften toekomt. Aanhangers van deze op kleinschaligheid gerichte omgang met de schepping zien in de bijbel een belangrijke inspiratiebron. Invoering van een sabbatjaar en een basisinkomen maken onderdeel uit van de economie van het genoeg.

Paradoxen in de economie

De hoofdstelling van het boek is dat aan het gangbare denken in de economie en het daarop aansluitende gangbare economische handelen grote onvolkomenheden kleven. Het gangbare denken en handelen is eenzijdig gericht op het bevorderen van een ongekwalificeerde economische groei. De onvolkomenheden omschrijven de auteurs in het eerste hoofdstuk als paradoxen: de paradox van de schaarste aan middelen, de paradox van de nieuwe armoede bij sterk toegenomen welvaart, de zorgparadox van afnemende kwaliteit ondanks hogere inkomens, de arbeidsparadox met het incalculeren van een bepaalde werkloosheid, de communicatieparadox van uitsluiting ondanks grote toename van digitale communicatiemiddelen, en de tijdparadox van nog steeds de meeste uren in werktijd ondanks grotere welvaart. De economie laat een hoger welvaartspatroon zien voor de rijke, vooral Noordelijke landen op de wereld, en toch neemt de armoede wereldwijd toe, ook in die rijkere landen. Het debat over de eindigheid van de zogenoemde hulpbronnen van planeet aarde is sinds de jaren zestig gaande, maar leidt amper tot ander economisch gedrag. Het arbeidsbestel is sinds de jaren tachtig, toen een eerste grote wereldwijde crisis zich voordeed, aan sterke erosie onderhevig. De voornaamste ontwikkelingen leiden tot een kleiner wordend deel met vaste banen, een groter wordend deel met flexibele banen, een groter wordend deel van zelfstandigen, en een op en neer gaand deel van uitgeslotenen, dat langzaam toeneemt. Er is sprake van een veiligheidsparadox, die voortkomt uit de ongelijkheid tussen ‘the haves’ en de ‘have-nots’. En de rijke landen voelen lokale oorlogen rond het bezit van de belangrijke stukken grond met energievoorraden (olie, gas, zware metalen). Kortom: door het toedoen van een groeistreven zonder rem, dat vooral blijkt bij het financiële beurssysteem, komen mensen, natuur en milieu in een steeds wankeler positie te verkeren.

Riskante rekensommen

In het tweede hoofdstuk gaan Goudzwaard en De Lange de gangbare economische rekensommen na, die gebruikt worden bij het armoedevraagstuk, het ecologisch vraagstuk, het oorlogsvraagstuk en het arbeidsvraagstuk, en het schuldenvraagstuk. In de klassieke economie is op grond van het utilitarisme de rekensom ontstaan van geluksberekening: mensen maximaliseren hun kansen op nuttigheden die tot geluk leiden en minimaliseren hun kansen op onnuttigheden, die tot ongeluk leiden. En dat het liefst door met een bepaalde arbeidsinspanning zoveel mogelijk te produceren. Een tweede rekensom komt van Adam Smith, die de onzichtbare hand van de markt aanwijst als de beste manier om de verdeling van bestaansmogelijkheden te regelen. Een derde rekensom is door Karl Marx blootgelegd, waarin hij heeft nagegaan hoe de toegevoegde waarde van arbeid omgezet in loonarbeid en winst wordt gewijzigd in een kapitaalfactor. Een volgende rekensom is te vinden in de neo-klassieke economische theorie, die van de economie een waardenvrije modellenwetenschap maakt, die geen rekening hoeft te houden met vooraf, tijdigheid of erna. En juist hier schort het in deze rekenmodellen. De gevolgen voor mensen, natuur en milieu worden niet meegeteld in de economische sommen. De auteurs pleiten ervoor om de economische rekensom anders in te kleden met behulp van het woord ‘zorg’. Dan kan er voorzorg, zorg tijdens het economisch handelen, en nazorg meegeteld worden. En de grote problemen kunnen in al hun complexheid in hun samenhang gezien worden, zonder er, zoals nu gangbaar is, aparte rekensommen op los te laten.

Drie revisies zijn nodig

De neoklassieke theorie, met haar eenzijdig accent op de efficiënte aanwending van schaarse goederen ter vervulling van gegeven consumptieve doeleinden, biedt volgens Goudzwaard en De Lange geen uitzicht, maar dreigt de problemen juist te verergeren. Het centrale axioma van ‘altijd meer’ moet worden vervangen door het principe van ‘genoeg is beter’. Daarin zit besloten dat zij die te weinig hebben, genoeg moeten krijgen en dat zij die teveel gebruiken met genoeg tevreden moeten zijn. Op drie punten is volgens Goudzwaard en De Lange daarom revisie nodig.

Er is een andere behoefteoriëntatie van de samenleving vereist. De voorziening in noden dient voorrang te krijgen op de vervulling van verlangens.

Er moet meer nadruk worden gelegd op het belang en de kwaliteit van natuur en milieu, door middel van zorgen. Hun eigenwaarde moet worden gerespecteerd. Economie moet zich van meet af aan baseren op duurzaamheid en niet op limietloze behoeftebevrediging. Van de weeromstuit betekent deze ‘inversie’ dat de economische verlangens dan middel worden en de (productie)middelen waardering als doel krijgen.

Een derde revisie die wordt voorgesteld is een herziening van de zeggenschap in de organisatie van de economie. Democratisering van de zeggenschap is van belang om de twee eerder genoemde revisies kans van slagen te geven.

Ingaan op kritieken en plan van aanpak

In de laatste twee hoofdstukken van de vierde druk gaan de twee auteurs in op kritieken die ze ontvangen hebben. Uit die kritieken is af te lezen dat de grootste groep economen de twee auteurs en hun beschouwingen buiten het speelveld zetten: het zijn dromers, theologen, filosofen, ethici, utopisten, verblind door de zogenoemde maakbaarheid van de samenleving door de overheid. Tegen die bezwaren gaan de auteurs krachtig in, voortbouwend op hun betooglijn in de eerdere delen van het boek.
Van daaruit kunnen zij twaalf aanbevelingen formuleren als stappen op weg naar een andere economie, die het teveel aanmoedigt om soberder te worden en het te weinig weghaalt.

  1. Haal de algemene loon- en salarisrondes weg en maak fondsen voor kwaliteitsverbetering van werk; tegen verkrotting van woningen; tegen armoede en voor aangepaste technologie, voor milieubesparende werkgelegenheid en technologie, voor conversie van oorlogs- naar vredesproductie.
  2. Institutionaliseer de voorzorg door deze mee te nemen in de omschrijving van maatschappelijk verantwoord ondernemen.
  3. Beïnvloed de productiestructuur door naast continuïteit ook het gezichtspunt van economische zorg mee te nemen.
  4. Financier de sociale zekerheid niet meer met premies gebaseerd op het aantal personeelsleden, maar op percentage van de netto toegevoegde waarde.
  5. Leer vooruit te zien met informatiebeleid rond een duurzamer energievoorziening en een scherper milieubeleid.
  6. Besef dat economie van het genoeg of onderhoudseconomie of rentmeestereconomie een perspectiefvol scenario is, ook voor werkgelegenheid.
  7. Bevorder inkomensgelijkheid door middel van inkomensbeleid en fiscale initiatieven, door o.a. een maximumgrens in te voeren voor inkomen en verbruik.
  8. Bevorder de innovatie van moderne technologie als instrument om duurzame productie te ontwikkelen.
  9. Een pleidooi voor een verantwoorde consumptie in de persoonlijke levensstijl blijft actueel.
  10. Herzie het systeem van het wereldgeld en maak vanuit de rijke landen een internationaal fonds om de schulden van de arme landen af te lossen.
  11. Bevorder de opbouw van internationale netwerken van personen, bewegingen, organisaties die verandering en vernieuwing in de economie nastreven.
  12. Bevorder dat er vooral Europees gedacht wordt in plaats van nationaal, met name rond sociale, ecologische en rechtsstatelijke aspecten.

Kritieken na de publicatie

Het boek kende weliswaar meerdere herdrukken maar door economen werd het genegeerd of zeer kritisch bejegend. Het voornaamste kritiekpunt was dat economie een objectieve wetenschap moest blijven die niet verstoord mocht worden door normatieve uitspraken. Het boek was volgens economiestudent Daniel Waagmeester op de universiteitsbibliotheek in Amsterdam bijvoorbeeld niet te vinden op de afdeling economie maar op de afdeling filosofie. En dat gold ook voor de internationale best-seller ‘For the Common Good - redirecting the economy towards community and sustainabilty’ van Herman Daly en John Cobb. Waagmeester trof deze publicatie aan bij de afdeling sociologie.
Een belangrijk punt van kritiek op de ‘economie van het genoeg’ is dat de mens daarin vooral wordt genomen zoals hij zou moeten zijn, maar niet zoals hij is. Het mensbeeld van de neo-klassieke economie mag dan niet verheven zijn, het is wel realistisch, zo stellen de neo-klassieke economen. Goudzwaard en De Lange verwerpen het bezwaar van de onuitroeibare hebzucht. Wie zo redeneert verwerpt in hun ogen elk appèl tot verandering. Daarmee hangt samen de kritiek dat de economie van het genoeg nogal zwaar inzet op de maakbaarheid van mens en maatschappij. En inderdaad leunen zij nogal op wat mensen van goede wil en een verantwoordelijke overheid die niet schuwt om in te grijpen tot stand kunnen brengen.
Andere critici verwijten de auteurs idealisme en utopisme. Het handelen vanuit eigenbelang is zo dominant dat het benodigde maatschappelijk draagvlak om de economie te richten op de werkelijke noden gewoonweg ontbreekt. Het is wel mooi, maar vraagt teveel offers en is daarom niet haalbaar. De tegenwerping van Goudzwaard en De Lange is dat dit verwijt getuigt van een andere illusie: namelijk dat de economie zich tot in lengte van dagen volgens de oude patronen zou kunnen blijven ontwikkelen. In hun ogen is dat simpelweg onhoudbaar. Ze vinden het perspectief van een economie van het genoeg daarom veel ‘realistischer’ dan dat van de neoklassieke economie.
Als derde is er een meer praktische vorm van kritiek. Is een economie zonder groei wel mogelijk? Leidt dat niet tot werkloosheid en problemen met de overheidsfinanciën? Volgens Goudzwaard en de Lange hoeft dat niet noodzakelijk te zijn, mits de productievermindering maar gepaard gaat met vermindering van de inkomens. Bovendien betekent een economie van het genoeg dat er veel meer accent op de zorgkant van de economie komt te liggen. En het kenmerkende van zorg is dat ze arbeidsintensief is. Met andere woorden, selectieve groei in zorg vraagt juist veel arbeid en creëert zo werkgelegenheid. Omgekeerd laat een verschijnsel als dat van de jobless growth zien dat niet elke groei ook automatisch werkgelegenheid creëert. En met betrekking tot de overheidsfinanciën merken ze op dat een economie die zich oriënteert op voorzorg ook veel minder uitgaven met het oog op nazorg (opheffen van milieuvervuiling) nodig heeft. Voorkomen is niet alleen beter dan genezen, het is meestal ook efficiënter.

Platform Duurzame en Solidaire Economie (DSE)

Met de voortschrijdende globalisering en het toenemende inzicht in de aard van wereldwijde problemen is het dogma van economische groei echter gaan wankelen. Na de eeuwwisseling verbond een aantal kritische economen, waaronder Goudzwaard, zich aan het Nederlandse Platform Duurzame en Solidaire Economie (DSE). Ook een internationaal gerespecteerde econoom als Thomás Sedlácek, schrijver van ‘De economie van Goed en Kwaad’, keert zich tegen de obsessie met economische groei. In 2008 werd in Parijs de eerste wetenschappelijke conferentie gehouden over de mogelijkheden en consequenties van ontgroeien. Na die conferentie ontstond een internationaal netwerk van wetenschappers in een dertigtal landen, dat allerlei activiteiten onderneemt.
De ‘Goudzwaard School of Fair and Green Economics’ bijvoorbeeld is zo’n initiatief van het Platform Duurzame en Solidaire Economie, dat zich richt op duurzaam en sociaal economie-onderwijs van basisschool tot universiteit. De Goudzwaardschool is één van de drijvende krachten achter Rethinking Economics NL. Onderwijs, op elk niveau, speelt een cruciale rol bij het bereiken van een duurzame toekomst. Met het oog op deze duurzame toekomst, daagt de ‘Goudzwaard School of Green en Fair Economics’ hoogleraren, docenten, studenten en leerlingen uit om de economie te vernieuwen (Rethinking Economics) en opzoek te gaan naar antwoorden op vragen als: Moet een economie wel altijd groeien? Hoe ziet een economie eruit die streeft naar een menswaardig bestaan voor iedereen, nu en later? Hoe voorkomen we milieuvervuiling, uitputting van grondstofvoorraden, het uitkleden van arbeidsrechten en een toenemende kloof tussen arm en rijk? De Goudzwaardschool helpt daarbij. Ze deelt haar kennis op het gebied van een duurzame en solidaire economie, organiseert expertmeeting, helpt studenten bij het formuleren van onderzoeksvragen, verzorgt docententrainingen en ontwikkelt educatief materiaal.
Een ander initiatief is het ‘Manifest van de Grote Transitie voor een duurzame en solidaire economie’. De visie achter De Grote Transitie gaat uit van kwaliteit en van welzijn, niet van alsmaar meer willen hebben. In deze visie staan mens- en natuurwaarden boven financiële waarden; geld is slechts een middel. Er is nu eenmaal veel meer van waarde dan we in geld kunnen uitdrukken. Daarom kiest het Platform Duurzame en Solidaire Economie (DSE) voor een economie die binnen de grenzen van het milieu blijft en die niet van groei afhankelijk is. Een circulaire en regionale economie, waardoor basisbehoeften als voedsel, energie en grondstoffen minder afhankelijk worden van een oncontroleerbare wereldmarkt. Een economie van eerlijk delen van kennis, werk en inkomen. Kortom een keuze voor een economie die in dienst staat van mensen en niet van munten.

Manifest van de Grote Transitie

Het ‘Manifest van de Grote Transitie voor een duurzame en solidaire economie’ kiest voor tien thema’s en tien debatten.

  1. Beperk verschillen in koopkracht en vermogen. Ongelijkheid is slecht voor onze democratie, economie en het milieu.
  2. Zet in op een 24-urige werkweek en onderzoek de mogelijkheden van een basisinkomen.
  3. Investeer als overheid de komende vijftien jaar op grote schaal in een circulaire, regionale economie.
  4. Verschuif de belasting op arbeid naar belasting op schaarse hulpbronnen en schadelijke emissies.
  5. Gebruik een dashboard met indicatoren die onze welvaart goed meten en stop met de eenzijdige focus op groei van het BBP.
  6. Investeer nu in de noodzakelijke energie-transitie en schakel binnen twintig jaar over naar 100% hernieuwbare energie.
  7. Stop de omgekeerde ontwikkelingshulp en sluit het belastingparadijs Nederland.
  8. Plaats geldcreatie onder publiek bestuur en breng het schuld- en rentevrij in omloop.
  9. Formuleer eisen voor een duurzaam, solidair én democratisch Europa. Schep zo draagvlak voor verdergaande samenwerking.
  10. Vernieuw het economieonderwijs: breng de echte wereld terug in de modellen, theorieën en klaslokalen.

http://platformdse.org/
http://www.rethinkingeconomics.nl/
http://www.degrotetransitie.nl/

Hub Crijns, bestuurder Landelijk Katholiek Diaconaal Beraad en lid van de Stuurgroep Knooppunt Kerken en Armoede

Klik hier om naar de startpagina van dit themadossier 'Economie anders' te gaan.

Samenleving terug in beeld?!

woordwolk samenleving terug in beeldPersoonlijke problemen worden weer gekoppeld aan maatschappelijke vraagstukken. Dat biedt de anti-armoedebeweging weer mogelijkheden om de situatie van armoede mensen in verband te brengen met de vraag hoe de samenlevende mensen hun samenleving inrichten. Armoedebeleid wordt dan niet langer gereduceerd tot charitatieve acties om arme mensen te helpen. Uit drie recente rapporten blijkt dat de samenleving terug in beeld is. Dat biedt perspectieven om het armoedebeleid in het teken te zetten van collectieve acties, of beter gezegd de acties van collectieven voor herstel en behoud van sociale grondrechten en bestaanszekerheid.

Het verband tussen individuele levens en maatschappelijke structuren

In 1959 schreef de Noord-Amerikaanse socioloog C. Wright Mills een boek over de sociologische verbeeldingskracht. In 1963 in Nederlandse vertaling uitgegeven als 'De sociologische visie' (Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht, 1963). Sociologische verbeelding is de capaciteit om de verbanden te zien tussen de individuele levens van mensen en de maatschappelijke structuren waarbinnen deze levens zich afspelen. Kenmerk van deze capaciteit is het vermogen om onderscheid te maken tussen ‘persoonlijke moeilijkheden’ en ‘algemene vraagstukken van de sociale structuur’. Moeilijkheden, aldus Mills, doen zich voor in de persoonlijkheid van het individu en binnen het kader van zijn directe relaties met anderen. Zowel de onderkenning als de oplossing ervan liggen verankerd binnen het individu. Vraagstukken betreffen zaken die deze beperkte omgeving en het gebied van de innerlijke beleving overschrijden. Een vraagstuk is een algemene aangelegenheid die in feite dikwijls verband houdt met een crisis in institutionele regelingen, en vaak zijn er ook tegenstellingen in het spel. Mills verduidelijkt dit onderscheid met het voorbeeld van de werkloosheid. “Als in een stad met honderdduizend inwoners slechts één man werkloos is, dan is dat zijn persoonlijke moeilijkheid en om deze moeilijkheid op te lossen, doen we er goed aan ’s mans karakter, zijn bekwaamheden en zijn directe kansen in aanmerking te nemen. Maar als op een bevolking van 50 miljoen werknemers er 15 miljoen werkloos zijn, dan is dat een vraagstuk en we mogen niet verwachten de oplossing ervan te vinden binnen de reeks van kansen die er voor iemand persoonlijk aanwezig zijn. Het is nu juist de structuur der kansen die ineen is gestort. Zowel de juiste afbakening van het probleem als het scala van mogelijke oplossingen dwingen ons de economische en politieke instellingen van de samenleving in beschouwing te nemen, en niet slechts de persoonlijke omstandigheden en het karakter van enkele los van elkaar staande individuen.” (p. 13-14)
Dus als men over werkloosheid spreekt, dient ook te worden gesproken over het vraagstuk hoe onze maatschappij haar werk organiseert. Vraagstukken rond werkloosheid hebben direct te maken met vraagstukken rond de aard en de waarde van arbeid, betaalde en onbetaalde. En datzelfde geldt voor vraagstukken van armoede en bestaansonzekerheid. Als er grote vraag is naar werknemers en tegelijkertijd kunnen grote aantallen oudere werklozen geen werk vinden, dan zegt dat iets over de wijze waarop wij als samenlevende mensen onze samenleving, en in dit geval het werk, hebben georganiseerd. Hetzelfde geldt voor het ergerlijke feit dat de helft van de armen betaald werk heeft en het beleid ongenuanceerd de leus blijft zingen dat werk het beste medicijn is tegen armoede. Dan volstaat het niet mensen met straffe maatregelen te re-integreren naar de arbeidsmarkt. De structuur van de arbeids-markt en de regelingen die daar gelden, moeten onder revisie.

Rapport van SER: Opgroeien zonder armoede

In maart 2017 brengt de Sociaal-Economische Raad (SER) een advies uit aan de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het beleid ten aanzien van armoede onder kinderen. De titel van het rapport luidt: 'Opgroeien zonder armoede'. In de Nieuwsbrief 2017-4 (12 juni 2017) is dit rapport besproken.

We willen hier alleen nogmaals onderstrepen dat dit rapport benadrukt dat het helpen van arme kinderen via het beschikbaar stellen van een heel pakket aan voorzieningen niet volstaat. Het compenseren van de gevolgen van armoede is niet genoeg; de oorzaken van ar-moede moeten worden aangepakt. Om armoede te bestrijden is het nodig, aldus de SER, dat maatschappelijke vraagstukken rond werken en inkomen, inkomensondersteuning en schulden worden aangepakt. De meer structurele aanpak die bepleit wordt richt zich vooral op een betere afstemming van beleidssectoren en regelingen daarbinnen. De SER blijft ook bij het hebben van werk als de koninklijke weg uit de armoede, maar er wordt wel een belangrijke opmerking aan toegevoegd: armoedebeleid moet inzetten op meer banen met een groter aantal uren, dat voldoende inkomen en inkomenszekerheid biedt. Daarmee is een voorzichtige stap gezet naar het hervormen van de arbeidsmarkt op zodanige wijze dat pulp-baantjes niet langer geduld worden omdat ze mensen van de regen in de drup helpen, omdat ze onvoldoende garantie bieden op bestaanszekerheid, omdat ze geen recht doen aan de overheidsopdracht inzake sociale grondrechten omtrent arbeid en inkomen.

Rapport van Kinderombudsvrouw: Alle kinderen kansrijk

Op 5 december 2017, op de vooravond van het feest van Sinterklaas, brengt kinderombudsvrouw Margrite Kalverboer een rapport uit over armoede onder kinderen. De titel van het rapport luidt: 'Alle kinderen kansrijk - het verbeteren van de ontwikkelingskansen van kinderen in armoede'. In het rapport van de ombudsvrouw worden de oorzaken van armoede niet gezocht bij arme kinderen en evenmin bij de huishoudens waarvan deze kinderen deel uitmaken. De oorzaken van armoede worden gezocht in de kwaliteit van de leefomgeving thuis en buitenshuis. Geconstateerd wordt dat gezinnen in armoede vaak een 'materiële achter-stand' hebben: ongezonde voeding, slechte behuizing, weinig ontwikkelingsmogelijkheden, permanent geldgebrek, mindere buurtomgeving. Kortom, de sociale grondrechten waar kin-deren recht op hebben om een goede toekomst op te bouwen, zijn mager ingevuld. Het rap-port beschrijft dat vooral als omstandigheden die kenmerkend zijn voor de huishoudens waarin arme kinderen opgroeien. Net als in het SER-advies blijven de adviezen om iets aan deze omstandigheden te doen beperkt tot een betere afstemming van de verschillende sectoren van het overheidsbedrijf en aanverwante instanties. Maar toch… de omschrijving van de leefomstandigheden is een eerste stap. En evenals het SER-advies gaat de kinderombudsvrouw in haar rapport op onderdelen toch een voorzichtige stap verder: de uitkeringen zijn niet meegegroeid met de vaste lasten; het inkomensbeleid is onvoldoende effectief; werk levert lang niet altijd voldoende inkomen op om duurzaam uit de armoede te komen; te hoge zorgkosten en te hoge vaste lasten veroorzaken problematische schulden. De kinderombudsvrouw wijst op enkele basale rechten uit het kinderrechtenverdrag - door Nederland in 1995 geratificeerd - die onvoldoende zijn gewaarborgd. Dat geldt met name voor het recht op een toereikende levensstandaard (huisvesting, voedsel, kleding, ontplooiing); het recht op gezondheid; het recht op sociale voorzieningen. Kortom, net als bij volwassen armen worden bij arme kinderen de sociale grondrechten onvoldoende gerealiseerd. Het is een vooruitgang dat recente rapporten van beleidsadviseurs een dergelijke vaststelling durven op te schrijven. Het constateren van de feitelijke situatie is een eerste stap om te komen tot verdergaande adviezen over de werkelijke oorzaken van armoede die ook in deze rapporten nog onuitgesproken blijven, namelijk de samenhang tussen de gesignaleerde verschijnselen en de wijze waarop de samenlevende mensen hun samenleving hebben ingericht. Een recent rapport van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving zet een voorzichtige stap in deze richting.

Rapport van RVS: Recept voor maatschappelijk probleem

Onlangs kwam de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) met een rapport dat kritische noten plaats bij de individualistische benadering van problemen met betrekking tot gezondheid. Maatschappelijke factoren worden ten onrechte buiten beschouwing gelaten, aldus de RVS in het rapport 'Recept voor maatschappelijk probleem'. Bekijk problemen die mensen hebben met hun gezondheid niet louter door een medische bril. Deze problemen kunnen ook te maken hebben met de manier waarop de samenlevende mensen hun samenleving hebben ingericht. De RVS vat deze oproep tot verbreding van het kijken naar problemen bondig samen met de volgende constatering: “Als de maatschappij het probleem is, is een recept niet de oplossing”. Er is een tendens om de weerbaarheid van mensen te vergroten; er wordt steeds meer nadruk gelegd op het belang van 'coping': mensen leren omgaan met hun kwetsbaarheden. Dat heeft positieve kanten, maar we moeten niet doorschieten, waarschuwt de RVS. “In de nadruk op coping schuilt echter ook een groot gevaar. De verantwoordelijkheid voor het omgaan met problemen dreigt eenzijdig bij het individu terecht te komen. Maar wanneer grote groepen mensen dezelfde knelpunten ervaren, dan is de oplossing niet dat zij allemaal individueel hun mentale weerstand versterken. In plaats daarvan is het constructiever om te onderzoeken hoe de maatschappelijke omstandigheden zo kunnen worden aangepast dat het knelpunt niet ontstaat.” (p 14)

Boosheid omzetten in maatschappelijke kwaadheid

Het individualiseren van maatschappelijke vraagstukken gaat vaak gepaard met het verwijt van ‘eigen-schuld-dikke-bult’. Dat maakt mensen bang en boos: ze trekken zich terug, sluiten zich op in hun problemen, die daardoor verstommen, niet meer als maatschappelijke vraag-stukken ter discussie gesteld worden. Op verschillende plekken in het land wordt deze maat-schappelijke stilzwijgendheid doorbroken door mensen die elkaar opzoeken en die via het oprichten van sociale coöperaties proberen het stilzwijgen te doorbrekend met concrete activiteiten ter verbetering van hun bestaanszekerheid. Dergelijke sociale coöperaties zijn initiatieven die geboren zijn uit gevoelens van ongerustheid, angst, boosheid en woede over de maatschappelijke verhoudingen van ongelijkheid die mensen ervaren in hun dagelijkse leven. Door zich te organiseren in sociale coöperaties zetten mensen deze gevoelens om in een wil en kracht om samen met lotgenoten deze maatschappelijke verhoudingen te benoemen en te veranderen. Boosheid wordt zo van persoonlijke emotie omgezet in maatschappelijke kwaadheid. Ze werkt daardoor als een politiek-maatschappelijke drijfkracht om processen van ongelijkheid te thematiseren, om uitgedunde bestaanszekerheden te hernieuwen en om aanzetten te geven tot maatschappelijke veranderingen. Door ervaringen en inzichten uit te wisselen versterken sociale coöperaties elkaar in hun zoektocht naar bestaanszekerheid via een nieuwe invulling van sociale grondrechten.

Raf Janssen, Panningen, 10 december 2017

Klik hier om naar de startpagina van het themadossier 'Geven en wederkerigheid' te gaan.

Deel deze pagina via sociale media

logo armoede live 10jaarlater

logo initiatief nu

logo expeditie sociale cooperatie

Adres

Stimulansz
t.a.v. Ger Ramaekers / Sociale Alliantie
Postbus 2758
3500 GT Utrecht

mailadres2

Volg ons op sociale media