logo-sociale-alliantie6

Ethische reflectie rond inkomens- en vermogensverdeling

Klik hier om dit artikel te downloaden als pdf-document.

weegschaal2

Ethische reflectie rond inkomens- en vermogensdeling kan starten vanuit verschillende vertrekpunten. In dit artikel komt een aantal aan bod, vooral vanuit christelijk perspectief.

Scheppingstheologie

In de scheppingstheologie is alles door God geschapen en door God is aan alle mensen en aan ieder mens afzonderlijk - een ‘onherroepelijke waardigheid’ verleent. “De waardigheid van de persoon is het kostbaarste goed dat de mens bezit .... krachtens deze waardigheid is de mens altijd een waarde in zich en op zich …. De persoonlijke waardigheid vormt de grondslag van de gelijkheid van alle mensen.” (Johannes Paulus II, Christifideles Laici, 37.) Niet capaciteiten of prestaties, niet aanzien of erkenning, niet stand of status zijn de bron van de menselijke waardigheid.
Niet alleen dit menselijk wezen is door God geschapen, maar “alles komt voort uit Gods scheppingskracht”: het universum, de aarde en al het levende en levenloze dat op aarde bestaat. Niets van dit alles kan dus in uiteindelijke zin ‘eigendom’ zijn van de mens, laat staan van een mens of een groep van mensen meer dan van anderen. Het vruchtgebruik van wat bestaat, heeft God aan de mens als soort, als familie gegund. Door verantwoord gebruik en beheer ervan mogen mensen van alle tijden en plaatsen zichzelf verwezenlijken en toe groeien naar de volle maat van hun waardigheid. De katholieke leertraditie vat dit inzicht samen in de formule: de universele bestemming van de aardse goederen.
Het christelijk-sociaal denken heeft dit vooral uitgewerkt in het motief van het rentmeesterschap en dat is in de eerste tien jaren van dit millennium politiek vertaald als uitgangspunt voor het CDA.
In de gedachte van de menselijke waardigheid zijn creativiteit en vrijheid ingebouwd. Deze geven de mens een persoonlijk initiatief ten aanzien van zijn eigen bestaan en van alles wat bestaat, hetgeen zich uit in de verwezenlijking van de ontvangen waardigheid. Tegelijk blijkt daaruit dat eigen vrijheid ook ‘verantwoordelijkheid’ betekent, voor zichzelf en voor de ander. Want waar één mens lijdt en onder de maat van zijn waardigheid gehouden wordt, lijdt heel de mensheid en wordt ook haar waardigheid aangetast. Wat één mens wordt aangedaan, wordt allen aangedaan. Christelijke kernwoorden als naastenliefde, zuster- en broederschap en solidariteit brengen de fundamentele lotsverbondenheid van de mensen tot uiting. Vrijheid tot zelfverwezenlijking van de waardigheid van de eigen persoon impliceren verantwoordelijkheid voor de vrijheid en zelfverwezenlijking van de ander. Daarom noemen wij deze ‘de naaste’.

Verbondstheologie

Naast de scheppingstheologie ontstaat vanuit het verhaal van de bevrijding uit slavernij in Egypte de verbondstheologie. De Bijbelse geboden en verboden zijn ontwikkeld uit beide stromingen. De richtlijnen zijn door God gegeven aan het Volk van Israël. De wetgeving van Deuteronomium ontwikkelt vooral sociale regels, waarmee gerechtigheid wordt uitgesplitst voor alle bevolkingsgroepen. Exodus 22, 24 zegt geen rente te heffen. De arme die een mantel als onderpand geeft moet het voor de nacht terugkrijgen om zich mee te kunnen bedekken. De laatste vruchten van de oogst moet men laten hangen voor de arme en vreemdeling. Land mag je niet toe-eigenen, want het is niet van de Koning of van wie ook, maar van God. Land is tevens de toegang tot een inkomen, tot bestaan, tot meedoen, Sabbat, het sabbatsjaar en het Jubeljaar beperken het werken en zaken doen. Door de Bijbel heen is rechtvaardigheid op elke bladzijde wel uitgewerkt. Zie Deuteronomium 6,4 waar Israël hoort over de eenheid van God. Die eenheid is er ook voor het volk, uitgedrukt in de onderlinge solidariteit. Van de 613 Joodse wetten gaan er 100 over economie.
In Exodus 23, 10 wordt bepaald dat men zes jaar het land moet bezaaien en zijn opbrengst inzamelen. In het zevendejaar blijft het braak liggen. De armen mogen ervan eten en wat zij overlaten is voor het gedierte des velds. In Deut. 15, 1-11 vinden we een verdergaande uitbreiding van de sociale strekking. Het zevende jaar is een sabbatsjaar, een jaar van kwijtschelding van alle schulden. Leviticus voegt hier nog het jubeljaar aan toe. In het vijftigste jaar zal ieder zijn bezittingen terugkrijgen, waardoor bevrijding plaatsvindt en verhoudingen worden rechtgezet. Er wordt opnieuw gedeeld zodanig dat ieder zijn materiële mogelijkheden om als volwaardig mens te kunnen leven terugkrijgt (grondbezit, kwijtschelding schulden, in vrijheidstelling bij lijfeigenschap). Dit materiële heeft een spirituele dimensie: daar waar mensen echt met elkaar delen, wordt iets zichtbaar van Gods bedoeling met de wereld.
Uit de bijbelse traditie komen een aantal richtlijnen naar voren:
• de bijbel geeft geen blauwdruk voor de samenleving, maar een moreel referentieschema;
• eigendom is niet absoluut, maar er rust een ‘sociale hypotheek’ op;
• gerechtigheid is geen gunst, maar een fundamenteel recht;
• armoede gaat ook over de volwaardigheid van mensen;
• erkenning van het volwaardig mens zijn van de armen;
• de bijbel staat wantrouwend tegenover rijkdom.

Dubbelgebod van Jezus Christus

Jezus van Nazareth geeft als grondwet voor zijn leer en doen het dubbelgebod: “Het eerste is dit: ‘Luister Israël, de Heer onze God is de enige Heer; U zult de Heer Uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel, met heel uw verstand en met heel uw kracht. Het tweede is dit: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Een ander gebod, groter dan deze twee, is er niet.’” (Mc 12: 29-31). Zie verder de encycliek van Benedictus XVI Deus caritas est en de Vastenbrief Nederlandse Bisschoppen 2007.

De gemeenschap van eerste christenen

Eenheid in God en liefde voor elkaar zijn ook de sleutelwoorden van de joods-christelijke gemeente in Jeruzalem. Vroomheid en gemeenschap waren de kernwoorden van die gemeente, evenals bescheidenheid en rechtvaardigheid. Dat richtsnoer is ook in Handelingen terug te vinden, waar de christenen in gemeenschap leven en delen. Het valt niet mee om de radicale gemeenschappelijkheid van de Eerste gemeente daadwerkelijk toe te passen in onze economie. In ieder geval staan dan woorden als naastenliefde en barmhartigheid, solidariteit en gerechtigheid in het brandpunt van de ethische overwegingen.

Renteverbod en religieuze gemeenschappen

Tot in de late Middeleeuwen heeft men op grond van deze richtlijnen het gemeenschappelijk bezit van de ordes ontwikkeld en maatschappelijk een streng renteverbod gehandhaafd. Later komen deze twee principes ook weer terug in de revival van het kloosterlijk leven in de 19de eeuw, met de stichting van veel religieuze instituten. Zij leven gemeenschappelijk, delen alles, en bouwen letterlijk de Werken van barmhartigheid. Het wordt vaak vergeten, maar in Nederland zijn de religieuzen de stichters van het onderwijs, gezondheidszorg en welzijnsvoorzieningen.

De waarde verantwoordelijkheid

Elk mens kan vanuit zijn unieke waardigheid verantwoordelijkheid dragen en verantwoording afleggen over zijn of haar persoonlijk handelen. Deze mogelijkheid is een gave en een opgave. Er zijn verschillen tussen persoonlijke, relationele en sociale verantwoordelijkheid. De wisselingwerking tussen rechten en plichten, waar verantwoordelijkheid zich in uit, wisselt als we veranderen van een kleine naar een midden of een grote reikwijdte van handelen. De gegroeide maatschappelijke waardering van de persoonlijke dimensie lijkt ten koste te gaan van de relationele dimensie, het ontmoeten van en omzien naar de medemens, en van de sociale dimensie van verantwoordelijkheid, het behartigen van het algemeen welzijn.
De verantwoordelijkheid voor het algemeen welzijn (het bonum commune), voor gerechtigheid, roept op tot solidariteit. Juist in deze tijd, waarin verschillen tussen arm en rijk in ons land en wereldwijd steeds groter worden en steeds grotere groepen mensen van de samenleving uitgesloten dreigen te worden, is het besef belangrijk dat solidariteit vertrekt vanuit de gedachte dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Hoe noodzakelijk het ook is om uitgesloten en arme mensen, groepen en landen op hun verantwoordelijkheid te wijzen en hen uit te dagen hun positie te verbeteren, dit zal nooit lukken als het rijkere deel van de samenleving of de wereld weigert zijn bijdrage aan het algemeen welzijn te leveren. Het lijkt geen goede uitwerking van solidariteit te zijn, wanneer het rijke deel van de samenleving zichzelf van het geheel uitsluit en het armere deel aan haar lot overlaat. Andersom is ook niet verkieslijk.

Ethiek rond inkomensverdeling

Christelijke idealen rond inkomensverdeling hebben hun neerslag gevonden in westerse politieke systemen. De christelijk-sociale leer geeft met het draagkrachtbeginsel een krachtig concept voor een rechtvaardige samenleving. Waar de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen wordt structuren tegengewerkt waarin rijke rijker worden en armen armer. Dit heeft zijn fundament in evangelieverhalen zoals de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard.
Het Rijk Gods kenmerkt zich volgens het gelijkenisverhaal door gelijke lonen voor iedereen. “Gaat ook gij naar mijn wijngaard en ik zal jullie geven wat billijk is” zegt de heer des huizes tegen de arbeiders die pas te elfder ure op de wijngaard verschijnen: gelegenheidsarbeiders die voor deze dag geen tijdelijke baan wisten te bemachtigen. Op het einde van de dag krijgt iedereen dezelfde loon uitbetaald, het bedrag dat met de eerste arbeiders was uitgehandeld: “De laatsten zullen (zoals) de eersten zijn en de eersten zullen (zoals) de laatsten zijn”. Tot ongenoegen van deze eerste arbeiders trouwens.
In Nederland is door de invoering van sociale uitkeringen de individuele arbeidsprestatie losgekoppeld van een inkomen. Ook wie niet werkt heeft recht op inkomen. Hebben we daarmee het Rijk Gods bereikt? Nee, helaas moeten we constateren dat het sociaal minimum structureel te laag is geworden om er fatsoenlijk en voor een langere periode van te leven. De tienjarige crisis dankzij de wereldwijde financiële crisis van 2008-2018 heeft geleid tot macro-economische bezuinigingen, vooral op sociale zekerheid, onderwijs en zorg. Ook andere maatregelen op het vlak van de inkomensbeleid hebben nog niet ertoe kunnen leiden dat armoede Nederland uit is. Hoe kan aan de inkomensverdeling rechtvaardiger vorm worden gegeven?

Het draagkrachtbeginsel

Christelijke waarden laten zich vertalen in enkele principes of beginselen, die de basis kunnen zijn voor concrete maatregelen. Het draagkrachtbeginsel is in de concrete uitwerking van deze waarden wellicht het belangrijkst. Dit beginsel kan wat huiselijk geformuleerd worden als: ‘de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten.’ Met andere woorden: van hen die veel (ook materiële) middelen en mogelijkheden hebben, wordt gevraagd hun rijkdom te delen, opdat de middelen ten goede komen aan hen die in een minder gunstige positie verkeren.

Rechtvaardige ondergrens

Het debat over inkomen en inkomensverdeling zou niet alleen gevoerd moeten worden over de vaststelling van een rechtvaardige benedengrens van het sociaal minimum, maar ook over waar een rechtvaardige bovengrens ligt.
Bij het debat over de ondergrens komen vaak de basisbehoeften van mensen in beeld en de basisvoorzieningen, waar zij minimaal toegang toe zouden moeten hebben. Hoeveel inkomen is tenminste nodig om op een menswaardige wijze volop te kunnen participeren aan de samenleving? Die basislijn is vast te stellen op grond van drie manieren:
a. Op grond van subjectieve gegevens: wat zeggen mensen dat hun benedengrens is waarvan ze rond kunnen komen?
b. Ten tweede is de basislijn is vast te stellen op grond van objectieve gegevens: wat is een minimumpakket basisbehoeften? Wat kost dit minimumpakket in Nederland? Hoe budgetteer je het best?
c. Ten derde wordt de benedengrens van het inkomen elk half jaar vastgesteld op grond van politieke gegevens: wat vindt de politiek dat het minimuminkomen moet zijn?
Al enkele jaren is door verschillende onderzoekers vastgesteld dat wat beschouwd wordt als het sociaal minimum feitelijk te laag is.

Rechtvaardige bovengrens

Bij het debat over de bovengrens komen argumenten in beeld, die te maken hebben met verschil in beloning en inkomen. Roscam Abbing noemt in zijn op dit punt nog steeds actuele studie over de Ethiek van de inkomensverdeling (Deventer, 1973) de volgende argumenten, die een verschil in inkomen rechtvaardigen. Allereerst schakelt hij de lotsfactoren (zowel positief in de zin van aangeboren talenten of kwetsbaar in de zin van aangeboren handicaps) uit. Vervolgens stelt hij dat ethische argumenten niet gelijk zijn aan financiële, economische en politieke. Op grond hiervan ziet hij inspanning onder bezwarende werkomstandigheden, behoefte elementen, en prestatie (bezien als eigen inspanning) als de enige criteria op grond waarvan verschil in inkomen te rechtvaardigen is. Inkomen verkregen op grond van speculatie wijst Roscam Abbing op ethische gronden af. Het ethische onderzoek van Roscam Abbing loopt uit op de conclusie dat een tegengaan van grote inkomensverschillen belangrijk is voor een rechtvaardige samenleving.

Ongelijkheid vooral door schulden en vermogens

De econoom Jan Pen vindt de ongelijkheid veel te groot. Hij gaat in zijn studies in op de inkomensongelijkheid binnen bedrijven maar nog meer op de vermogensverhoudingen. Hij laat dat zien als een dramatische ‘optocht’ van Nederlanders met en zonder vermogen. Hij koppelt het gemiddelde vermogen aan de gemiddelde lengte van de Nederlandse volwassene, 175 centimeter. Zijn optocht begint met mensen zo lang als een lucifer of zelfs met het hoofd onder de grond, mensen met een negatief vermogen: ze hebben bezittingen maar nog veel meer schulden. Het grootste deel van het particuliere vermogen is in handen van de mensen die een lengte hebben tussen 1 meter 75 en 3 meter 50. Pas daarna komen de reuzen - als de optocht een uur duurt komen deze in de laatste drie minuten langs. Er zijn in de laatste minuut alleen nog enkele kilometerslange figuren. Jan Pen concludeert dat het traditionele beeld van de tweedeling tussen rijk en arm niet meer klopt.

Bijbelse bronnen en kerkelijke traditie

In de Sociale Leer van de Kerk staat het theologisch fundament steeds meer centraal. Dit is gebaseerd op de Bijbel. De kern is dat God Schepper is van de mensen naar zijn beeld en gelijkenis en dat God Heer van de schepping is. De kern van het Verbond tussen God en mens wordt uitgedrukt in het dubbelgebod van de liefde: “Heb God lief en de medemens als uzelf” (vergelijk bij de evangelist Mc.12:29-31). Dit Verbond is de kern van de christelijke mensvisie en altijd relationeel: gericht op God, gericht op mensen onder elkaar, gericht op de schepping en gericht op toekomstige generaties. De visie op de mens is nooit individueel, maar altijd personalistisch, in relatie met anderen, de Ander. Daarom is de mens ook gericht op delen met anderen, heeft hij weet van het gemeenschappelijk belang boven het individuele welzijn, en let hij op de natuur. “De natuur geeft uitdrukking aan een plan van liefde en waarheid. Ze is er eerder dan wij en wordt ons door God geschonken als levensruimte. Zij spreekt tot ons over de Schepper (vgl. Rom. 1:20) en over Zijn liefde tot de mens. Ze is ertoe bestemd aan het einde der tijden met Christus ‘verenigd te worden’ (vgl. Ef. 1:9-10; Kol. 1:19-20). Zo is ze ook een ‘roeping’. De natuur staat ons niet ter beschikking als ‘een hoop toevallig verstrooid afval’, maar als een gave van de Schepper, die in haar een inherente ordening heeft gegrift, opdat de mens daaruit de aangeboden mogelijkheden haalt ‘om haar te bewerken en te beheren’ (Gen.2:15)” (48).
Paus Benedictus XVI werkt ook in de encycliek ‘Caritas in veritate’ (2009) met de vier sleutelbegrippen die in het rooms-katholieke sociale denken een grote rol spelen: menselijke waardigheid, het algemeen welzijn, subsidiariteit en solidariteit.
Menselijke waardigheid is vooral uitgewerkt in de Catechismus van de Katholieke Kerk (nr. 1934). Alle menselijk handelen dient uit te gaan van de menselijke waardigheid van de persoon.
Gemeenschappelijk welzijn is in veel sociale encyclieken terug te vinden, maar ook in Vaticanum II, Gaudium et Spes, nr. 26. Het gemeenschappelijk welzijn is een relatiewaarde voor alle handelen rond bezit en eigendom.
Subsidiariteit is een belangrijk katholiek principe en het is verder uitgewerkt in het Compendium van de Sociale Leer van de Kerk, nr. 186. Het zegt kortweg dat verantwoordelijkheid zoveel mogelijk op een laag niveau dient te liggen, terwijl het hogere niveau regelt waar het lagere de macht niet heeft en de zorgplicht heeft voor waar het mis gaat.
Solidariteit ten slotte is als kernwoord terug te vinden bij Paus Johannes Paulus II, vooral in Sollicitudo Rei Socialis nummer 39. Bij alle menselijk handelen is de zorg voor de arme medemens wereldwijd van groot belang.
Wie de inhoud van sociale encyclieken wil begrijpen, zal deze vier kapstokken in het achterhoofd moeten houden. Ze komen ook uitgebreid in de encycliek Caritas in Veritate terug.

Morele beginselen in het sociale denken van de kerk

Het sociale denken van de Kerk ontwikkelt een aantal morele beginselen die van belang zijn en samenhangen met eerder genoemde theologische oriëntaties.

1. Een eerste beginsel is het personalistisch karakter van de sociale leer. In de concrete persoon komen de dimensie van socialiteit en die van individualiteit samen. Daarom impliceert dit personalisme de waarde van de ‘solidariteit’ als het cement van gemeenschap van personen. Het grondbeginsel van het sociale denken is dat de persoon het fundament, de oorzaak en het doel is van alle sociale instellingen. Personalisme betekent verder dat iedereen de verantwoordelijkheid of plicht heeft naar eigen vermogen te zorgen voor zichzelf en degenen die aan hem of haar zijn toevertrouwd.

2. Een tweede beginsel is het organisatiebeginsel van de subsidiariteit en behelst een visie op de verhouding tussen personen en gemeenschappen of collectiviteiten. Het omvat drie fundamentele ideeën. Ten eerste is de menselijke persoon de bestaansgrond van alle collectieve activiteiten. Om die reden moet geen collectiviteit tot zijn taak rekenen wat door de afzonderlijke persoon zelf gedaan kan worden. Subsidiariteit gaat er ten tweede van uit dat mensen van nature sociale wezens zijn en benadrukt het belang van kleine en middelgrote maatschappelijke verbanden zoals het gezin, de Kerk en vrijwilligersorganisaties als structuren die het individu in staat stellen de eigen verantwoordelijkheid te nemen en die het individu en de maatschappij als geheel met elkaar verbinden. Een belangrijk aspect van het subsidiariteitsbeginsel is ‘positieve subsidiariteit’. Positieve subsidiariteit wil zeggen dat gemeenschappen, instellingen en overheden de sociale condities moeten scheppen waarin het individu zich ten volle kan ontplooien, bijvoorbeeld door het bieden van werk, goede huisvesting, gezondheidszorg en dergelijke. Het grotere verband moet zo worden ingericht, dat het kan functioneren ten dienste van het kleinere, of het kleinere ondersteunt zodat het beter in staat is om zelf te doen waartoe het geschikt is. Het kleinere verband mag en moet zijn eigen verantwoordelijkheid nemen. ‘Negatieve subsidiariteit’ wil ten derde zeggen dat volgens het subsidiariteitsbeginsel de overheid de plicht heeft initiatieven te nemen daar waar individuen en private organisaties niet in staat blijken de problemen zelfstandig op te lossen, of problemen laten liggen of negeren.

3. Het derde beginsel is dat van het nastreven van belangen. De zelfverwerkelijking van de mens, het streven naar zijn menselijke waardigheid, kan ook worden gezien als een proces van het nastreven van belangen, hier in de ruimste zin van het woord genomen. Daarbij kunnen de belangen van personen en groepen met elkaar botsen. Op zich is het opkomen voor belangen een rechtvaardige zaak. Om dat maatschappelijk verkeer te leiden ontwikkelen we regels. Die regels dienen gereguleerd te worden door normen van rechtvaardigheid en recht. Ook zal het individuele belang soms moeten wijken voor het algemene belang. Er is bij dit beginsel een afkeer voor het gebruik van geweld. Het beslechten van politieke en sociale conflicten door overleg en wederzijdse concessies verdient verre de voorkeur, en belanghebbenden moeten zich tot het uiterste inspannen om op deze wijze het gebruik van geweld te voorkomen.

4. Een vierde moreel beginsel is de erkenning van de waarde van de menselijke arbeid. Arbeid is niet alleen betaalde, maar ook onbetaalde, alle arbeid. In hun arbeid gehoorzamen mensen aan hun opdracht om de hun gegeven waardigheid toe te eigenen en vorm te geven. “De arbeid is waardevol voor de mens, voor zijn mens-zijn, omdat hij door zijn arbeid niet slechts de natuur omvormt en aan zijn behoeften aanpast, maar hij ook zichzelf als mens verwerkelijkt en daardoor zelfs in zekere zin ‘meer mens wordt’.” Arbeid doet de mensen hun verbondenheid met elkaar, hun op elkaar aangewezen zijn, ontdekken. Met wat de gezamenlijke arbeid oplevert, voorzien zij in hun levensonderhoud. Maar arbeid is meer: alles wat mensen doen en waardoor zij in vrijheid en verantwoordelijkheid vormgeven aan hun bestaan en aan de wereld. In dit perspectief moet ook de loonarbeid of de baan gezien worden, naast het ontspannen genieten van het bestaan en het even essentiële contemplatieve verwijlen bij God: ora et labora.

5. Het vijfde morele beginsel is een gemeenschappelijke zorgplicht, de verantwoordelijkheid van de gemeenschap voor hen die niet voor zichzelf kunnen zorgen, hetzij tijdelijk, hetzij structureel. In een eeuwenlange geschiedenis van telkens nieuwe diaconale en charitatieve initiatieven en instellingen is deze morele opdracht door de christenheid in de praktijk omgezet. Deze traditie is in de westerse cultuur de voorfase van de huidige door de overheid beheerde sociale voorzieningen en zorginstanties. Het verschil tussen beide systemen betreft niet de doelgroepen of de ideële motivering, maar de rechtsgrond, de financieringswijze en de verantwoordelijke instanties. Aan beide ligt de idee van de solidariteit ten grondslag.

6. Het zesde morele beginsel heeft te maken met de voorkeursoptie voor de armen zoals die uit de Bijbelse traditie naar voren komt. Kiezen voor de armen is o.a. uitgewerkt door de bisschoppen van de Verenigde Staten van Amerika in 1987 ‘Economische rechtvaardigheid voor allen’(Zie nummer 52 en 86-89),. Op grond van een uitvoerige bijbelse verantwoording en een uitgebreide verkenning van hun eigen samenleving vragen zij zich af: wat doet economie aan mensen? Wat richt ze aan? Wat bewerkstelligt ze? En hoe nemen mensen eraan deel? Het gaat de bisschoppen om de zekerstelling van economische gerechtigheid voor allen. Zij pleiten voor realisering van sociale en economische grondrechten, o.a. recht op voedsel, kleding, medische verzorging, scholing, wonen en werk. De bisschoppen zetten in dit document het bijbels-ethisch perspectief van de voorrang voor de armen om in een doordenking van de sociaal-economische ordening en wel als volgt. “De hoedanigheid van de nationale discussie over onze economische toekomst zal het meest zijn invloed hebben op de armen in dit land en in heel de wereld. Het leven en de waardigheid van miljoenen mannen, vrouwen en kinderen staan hier op het spel. Beslissingen moeten worden beoordeeld naar wat ze voor de armen doen, wat ze de armen aandoen, en wat ze de armen in staat stellen voor zichzelf te doen. Het fundamentele morele criterium voor alle economische besluiten, beleidsmaatregelen en instellingen is dit: ze moeten ten dienste staan van alle mensen, vooral van de armen (hfst.1, nr. 24).”
7. Een zevende moreel beginsel is uitgewerkt in het beginsel van rechtvaardigheid, dat op zijn beurt weer onderscheiden wordt in ruilrechtvaardigheid, verdelende rechtvaardigheid en sociale rechtvaardigheid. Ruilrechtvaardigheid bedoelt de verhouding tussen de mensen onderling. Er dient evenredigheid te zijn tussen wat men geeft en wat men krijgt, tussen waar en prijs, tussen dienst en loon, tussen datgene wat men onderling ruilt. Een centraal idee is het contract waarin deze evenredigheid wordt vastgelegd en deze veronderstelt. eerlijkheid in alle overeenkomsten en wisselverkeer tussen individuen en sociale groepen. Verdelende rechtvaardigheid beoordeelt het aandeel in inkomen, rijkdom en macht in de samenleving in het licht van zijn gevolgen voor mensen in wier eerste levensbehoeften niet is voorzien. Hierin kan rechtvaardigheid met ongelijkheid gepaard gaan, doordat de zwakken bijvoorbeeld minder moeten opbrengen en meer ontvangen dan de sterken. Sociale rechtvaardigheid stelt dat personen de verplichting hebben om actieve en productieve deelnemers te zijn in de samenleving en dat de samenleving een plicht heeft personen in staat te stellen op die wijze deel te nemen.

8. Het achtste beginsel is dat van het ‘bonum comune’, het algemeen goed. Dit geldt niet alleen voor personen of groepen, en zelfs niet alleen voor het niveau van een staat of de federatie van staten (zoals de Europese Unie), maar geldt ook de wereld-gemeenschap, de huidige en de toekomstige. Ieder volk of groep dient zich rekenschap te geven van de reële behoeften en rechtvaardige aanspraken van andere volken en groepen. Er bestaat een mondiaal ‘bonum comune’ dat de gehele mensheid insluit - ook de komende generaties - en dat verplicht tot wereldwijde solidariteit. Deze solidariteit sluit elke ‘bevoorrechting’ van de ene groep ten koste van de andere uit.

Toepassingen in de economische orde

Een veld van toepassing van de katholieke sociale leer is de economische orde in algemene zin. De aandacht reikt hier van het renteverbod in de Middeleeuwen tot aan recente ideeën over ontwikkelingssamenwerking als nieuwe naam, voor vrede (Populorum progressio). In de context van de “verbijsterende veranderingen die zich in de wereld van de economie en de arbeid voltrekken”, (Christifideles Laici, 43) heeft de sociale leer zich vooral op het economisch leven en zijn invloed op het sociale domein geconcentreerd. Aanvankelijk werden gedachten over het rechtvaardig loon en menswaardige arbeidsomstandigheden ontwikkeld. Later kwamen daar ideeën over nieuwe ondernemingsvormen en regulering van markten bij. Opmerkelijk is dat de katholieke sociale leer, tegen de formidabel toegenomen macht van nationale en internationale economische structuren in, blijft insisteren op het personalistisch karakter van de maatschappij en op de rol van de economie in dienst daarvan voor het welzijn van alle mensen. Zij blijft sterk de nadruk leggen op de noodzaak om de waardigheid van de mens te beschermen tegen de vervreemdende gevolgen van de structuren die markt, kapitaal en arbeid beheersen.

Visie op de inrichting van de economie

Paus Benedictus XVI wijst in zijn visie op economie en samenleven drie lagen en actoren aan: de burgermaatschappij of civil society, de markt en de staat. Die drie lagen en partijen zijn volgens de Paus interdependent en binnen de encycliek ‘Caritas in veritate’ wordt er telkens geargumenteerd op onderlinge afstemming en samenwerking.
Binnen de burgermaatschappij geeft de Paus aan dat daar de belangrijke waarden van solidariteit, subsidiariteit, rechtvaardigheid en onbaatzuchtigheid het meest tastbaar en zichtbaar worden. Hij werkt dat uit in de visie op de gave (34). De mens in zijn milieu is gegeven vanuit Gods scheppingsact en hij verwerkelijkt zich in de relatie met God, in de intermenselijke relaties, in de relaties met de schepping en in de relatie met toekomstige generaties. In de gave komen mensen tot recht en wasdom en daarmee de Ander.
Vanuit het christelijk mensbeeld als interrelationeel en vanuit die visie op de gave neemt de Paus stelling tegen visies die de mens zien als grondlegger van zichzelf, individueel en eigenstandig en benadrukt hij sociaal ingekleurde waarden en normen.
De markt is een economische instelling waar mensen elkaar ontmoeten om goederen en diensten te ruilen. De markt is volgens de Paus beperkt, want kan niet boven zichzelf uitstijgen, kan goed werken en kan negatieve effecten hebben. De markt behoeft morele sturing. Daarom dient het verkeer van geven en ontvangen tussen mensen te worden geregeld door de rechtvaardigheid. Caritas in Veritate benoemt uitdrukkelijk de ‘corrigerende rechtvaardigheid’, elders in het sociale denken ook wel ruilrechtvaardigheid genoemd, die zich uit in formele afspraken, de ‘verdelende rechtvaardigheid’ (verdelen van rechten en plichten tussen alle burgers in een samenleving) en de ‘sociale rechtvaardigheid’ verdelen op grond van nood en gebrek) (35).
Voorts noemt de Paus dat elke economische handeling morele gevolgen heeft: dit geldt voor het verwerven van hulpbronnen, productie, financiering, distributie en consumptie. Het economisch denken binnen de ideologie van de vrije liberale markt op wereldschaal heeft die sociale en ethische dimensie verlaten en eenzijdig gericht op het maken van alleen geldwinst. Op grond van de christelijke antropologie uit de Paus scherpe kritiek en zet hij de sociaal-ethische visie van het economisch handelen uiteen. De hoop op verandering wordt gelegd bij mengvormen tussen burgermaatschappij (civil society), markt en overheid, waarbij het zicht op de mensheid en haar toekomst de economie dient te beschaven.
De derde pijler van de christelijke visie op economie ziet de Paus in de staat of overheid. Van oudsher ziet de staat toe op het gemeenschappelijk belang (common good) en heeft zorgplicht voor de armen en vreemdelingen. Tegelijk onderkent de Paus dat door de toegenomen globalisering van de economie de invloed van de afzonderlijke staat kleiner is geworden. Er is daarom een noodzaak tot internationale samenwerking nodig, zeker om de excessen van die wereldwijde globalisering te kunnen corrigeren en uitbannen. De kredietcrisis heeft duidelijk gemaakt dat alleen samenwerkende overheden het faillissement van de financiële systemen heeft kunnen voorkomen. Vanuit deze noodzakelijkheid houdt de Paus een pleidooi voor een ‘wereldautoriteit’, waar rond vrede, milieu, migratie, klimaat, financiële markt wereldwijde afspraken gemaakt kunnen worden. Dit pleidooi voor een ‘wereldautoriteit’ komt voort uit de subsidiariteit, waarin alle partijen met elkaar samenwerken en het hogere niveau zorgt voor wat het lagere niet kan of laat liggen (67).

Hub Crijns, oud directeur van landelijk bureau Dienst in de Industriële Samenleving vanwege de Kerken (DISK)

Klik hier om naar de startpagina van het themadossier 'Eerlijk delen' te gaan.

Sociale Alliantie maakt kennis met staatssecretaris Tamara van Ark

tamara van arkOp 4 april j.l. had een brede delegatie van de Sociale Alliantie een kennismakingsgesprek met staatssecretaris Tamara van Ark, die in het kabinet belast is met onder meer de bestrijding van armoede n schulden. Er zijn afspraken gemaakt over de voortzetting van het halfjaarlijks overleg tussen de staatssecretaris en de sociale alliantie. Daarbij werd door Kitty Jong, voorzitter van de Sociale Alliantie, wel aangetekend onze inbreng serieus genomen moet worden en het overleg niet gebruikt mag worden om elders mee te delen dat maatschappelijke organisaties zijn gehoord, dat inspraak heeft plaats gevonden. Als eerste test-case in dit verband werd het voorstel van het kabinet om de loonkostensubsidie te vervangen door het instrument van loondispensatie besproken. Vanuit de Sociale Alliantie werd gewezen op de ernstige bezwaren en bedenkingen die tegen dit voorstel leven in de samenleving. Binnenkort is het verslag van het gesprek beschikbaar. In een volgende nieuwsbrief zullen we daar aandacht aan besteden.

Belastingplannen van het kabinet

Klik hier om dit artikel te downloaden als pdf-document.

ministerie van financienEen van de kernpunten uit het regeerakkoord 2017-2021 van het kabinet Rutte III is een fikse belastingverlaging. Het belangrijkste voorstel is de invoering van een tweeschijvenstelsel met een basistarief van 36,93% en een toptarief van 49,5%. Daarnaast wordt het lage BTW-tarief opgetrokken van 6% naar 9%. Dat schept ruimte om de belastingen op inkomen nog verder te verlagen. Die ruimte wordt ook vergroot door op termijn enkele aftrekposten, waaronder de hypotheekrenteaftrek en de zelfstandigenaftrek stapsgewijs te verlagen naar het basistarief. Het regeerakkoord belooft een inkomensvooruitgang van alle inkomensgroepen, vooral voor de mensen met betaald werk. Ondanks deze geruststellende woorden over de inkomensvooruitgang voor alle groepen, leiden deze belastingplannen van het huidige kabinet tot een vergroting van de inkomensverschillen, die de laatste jaren toch al erg groot zijn geworden.

Lees meer

Over solidariteit gesproken

Klik hier om dit artikel te downloaden als pdf-document.

solidariteitOver solidariteit wordt veel gesproken, en wie zich een beetje verdiept in de betekenissen, komt er al snel vele tegen. Het internet levert meer dan 21 definities op. Volgens Wikipedia is “‘Solidariteit’ het bewustzijn dat alhoewel individuen verschillende taken, interesses en waarden hebben, de orde en samenhang van de maatschappij afhangt van het elkaar kunnen vertrouwen voor het uitvoeren van die specifieke taken. Dit houdt in dat individuen inzien dat het verdedigen of het verder helpen van andermans belangen uiteindelijk in het belang van het individu zelf is. Het kan daarmee bijdragen aan de sociale cohesie.”

Volgens het woordenboek Van Dale is solidariteit “bewustzijn van saamhorigheid en bereidheid om de consequenties daarvan te dragen”, en solidair betekent: “door een gevoel van samenhorigheid verbonden”. Saamhorigheid is “het besef, het gevoel van bij elkaar te horen en elkaar te moeten steunen”. Het woord solidair is afgeleid van het latijnse ‘solidum’, dat dicht, degelijk, stevig kan betekenen, alsook het geheel. Het begrip solidariteit is terug te voeren op het Romeinse recht: in solidum obligare, een term die wijst op de aansprakelijkheid van iedere schuldenaar voor het geheel of het totaal van de schuld. ‘Solidus’ is direct verwant aan het werkwoord ‘solidare’ dat dichtmaken, samenvoegen en versterken betekent. Het werkwoord duidt op het actieve proces, het handelen, waarvan ‘stevigheid’ het resultaat is.

Volgens de digitale lokale encyclopedie verwijst solidariteit naar het idee van saamhorigheid, betrokkenheid bij de strijd of het lijden van anderen. Het begrip kwam in de jaren zestig in zwang bij groepen in het Westen die betrokken waren bij sociale strijd in derdewereld landen. Veel landencomités zijn solidariteitsgroepen die zich verbonden voelen met de democratische oppositie in landen met een onderdrukkend regime.

Het begrip ‘solidariteit’ werd in de Nederlandse politiek tot 1935 niet of nauwelijks gebruikt, ook niet door de sociaaldemocraten. (Zie verder: A.E. Komter (e.a.), Het cement van de samenleving. Een verkennende studie naar solidariteit en cohesie (Amsterdam 2000). En toen ‘solidariteit’ na 1935 wel werd gebruikt, gebeurde dat de eerste twintig jaar eigenlijk vooral in de context van ‘internationale solidariteit’. Pas na 1950 komt ‘solidariteit’ meer voor in politieke praktijken, waarbij men de bereidheid uit om op basis van wederkerigheid en loyaliteit – al dan niet uit welbegrepen eigenbelang – te delen in geld en middelen.

Uit een inleiding over ‘solidariteit’ komt de volgende zin: “Zo onderscheidt men vandaag tussen ‘warme’ en ‘koude’ solidariteit, tussen solidariteit als onderdeel van de rechtvaardigheid, dan wel als ‘het andere’ van de rechtvaardigheid, tussen symmetrische en asymmetrische, expressieve en instrumentele solidariteit, enzovoorts.” En even verderop: “Hoe komt het dat het politiek-ideologische debat over solidariteit gedurende de hele twintigste eeuw beheerst werd door de tegenstelling tussen ‘collectivisme’ en ‘liberaal-individualisme’, zodat de term hetzij door één van de beide kampen werd geannexeerd en bezet, hetzij gepresenteerd moest worden als synthese van deze beide ‘ismen’? (Theo de Wit en Henk Manschot, Solidariteit, Boom , Amsterdam 1999, pag. 9).

Positieve en negatieve verbondenheid

Met ‘solidariteit’ en zijn vele betekenissen gaat een positieve energie mee en een negatieve. (Bij het maken van dit artikel is gebruik gemaakt van een werkpaper van Paul de Beer: http://www.pauldebeer.nl/documenten/papers/wat%20is%20solidariteit.doc.)
In de betekenis van ‘lotsverbondenheid’ is er als eerste een positief aspect: wie solidair is met een ander, geeft om het wel en wee van die ander. Dit impliceert de bereidheid de ander bij te staan of hulp te verlenen indien deze bijstand of hulp nodig heeft. Bij positieve lotsverbondenheid hangt het lot van verschillende groepen of personen juist in positieve zin met elkaar samen: de een heeft baat bij het welbevinden van de ander.
En rond ‘lotsverbondenheid’ is als tweede een negatief aspect te noemen, dat naar voren komt als twee of meer groepen elkaar bestrijden. De ene groep is dan gebaat bij het verlies of de ondergang van de andere groep, een negatieve energie.

Mechanische en organische solidariteit

Emile Durkheim(1858-1917) is de eerste wetenschapper die als socioloog nadenkt over het begrip ‘solidariteit’. Hij onderscheidt op grond van zijn onderzoek van de soorten samenlevingen twee vormen: de mechanische en de organische solidariteit.
De mechanische solidariteit verbindt Durkheim aan de feodale agrarische samenleving met vastliggende standen, normen en waarden. Mensen doen dagelijks hetzelfde, denken en oordelen in gelijke mate en vechten tegen dezelfde natuurelementen om te overleven. Mensen zijn zo aan elkaar gelijk en het individu is afhankelijk van de groep, het individueel bewustzijn gaat op in de groepsidentiteit. In deze traditionele samenleving zijn de meeste families grotendeels zelfvoorzienend en zij dragen een deel van hun inkomsten af aan de hogere standen, die in ruil daarvoor bescherming leveren. In traditionele samenlevingen zijn de mensen niet sterk geïndividualiseerd, zijn sterk meelevend met hun medemens en op veel punten vallen individueel belang en groepsbelang samen. Solidariteit door gelijkenis, door verbondenheid, door samenleven is vanzelfsprekend.
De organische solidariteit verbindt Durkheim met de moderne industriële maatschappijen, waarin mensen door arbeidsdeling hun voortbestaan kunnen regelen. De arbeidsdeling laat mensen meer als aparte individuen functioneren, en maakt tegelijk ieder van ieder afhankelijk. Het eigen specialisme maakt een mens individu, die aan zijn vakvaardigheid individuele identiteit ontleend. Tegelijk is die ene weer afhankelijk van een ander. Zonder de boer geen graan, zonder de bakker geen brood, zonder de metselaar geen huis, zonder de naaister en spinster geen kleding. De vele specialistische functies die mensen vervullen, zijn als de organen van een lichaam die elk afzonderlijk, gescheiden van de rest, niet kunnen functioneren. Maar samen vormen ze een krachtig en levensvatbaar geheel. Deze onderlinge afhankelijkheid en lotsverbondenheid benoemt Durkheim als organische solidariteit.

Bronnen van solidariteit

In de moderne samenleving zien we dat mensen met al hun verschillende levenswijzen, noden en ambities aan de ene kant hun eigen weg zoeken en aan de andere kant in een redelijke mate van orde samenleven. Hoe kan dat? Volgens sociale wetenschappers zijn de mechanismen van ‘solidariteit’ daartoe verantwoordelijk. (zie verder op: http://www.solidariteitdiversiteit.be/uploads/docs/begrippen/bronnen.pdf)

Onder ‘solidariteit’ verstaan we dan de bereidheid om met elkaar te delen en te herverdelen vanuit een gevoel van lotsverbondenheid en loyaliteit. We kunnen materiële middelen delen, maar ook immateriële zaken zoals tijd, ruimte en identiteit. Wat maakt nu dat mensen zich verbonden weten met een gemeenschap? Wat zet mensen aan om te delen en te herverdelen? Uit een zoektocht in de sociologische literatuur komen vier onderscheiden bronnen van solidariteit naar voren: wederzijdse afhankelijkheid, gedeelde waarden en normen, strijd en ontmoeting. Daar zijn uit andere bronnen nog twee aan toegevoegd: kennis en vertrouwen.

De eerste bron voor solidariteit is wederzijdse afhankelijkheid. Dat is het onderliggende samenlevingsproces, dat Durkheim ziet in zowel de mechanische solidariteit van traditionele samenlevingen, als in de organische solidariteit van industriële samenlevingen.

De tweede bron voor solidariteit is te herleiden naar waarden en normen, naar levensbeschouwelijke of ideologische visies. Waarden over de mens, over mensen, over relaties tussen mensen, over het handelen van mensen in verleden, heden en toekomst, leiden tot een soort spelregels, waarin afspraken worden gemaakt voor doen en laten, voor ambities en plichten. Gemeenschappelijke eenheid over een minimum aantal waarden en normen zijn nodig om met zoveel verschillende mensen te kunnen samenleven. Als mensen dus waarden gemeenschappelijk delen, waardoor ze verantwoordelijkheden op zich nemen en verplichtingen (normen) aangaan, ontstaat solidariteit.

De derde bron voor solidariteit is strijd. Strijd gaat om macht: wie heeft het voor het zeggen in de groep, beweging van groepen, het geheel? Daarom ontstaat solidariteit uit strijd. Mensen kunnen samen ten strijde trekken om iets te bereiken, en vormen zo met elkaar sterke vormen van lotsverbondenheid. En die strijdsolidariteit verbindt niet alleen, maar verdeelt tegelijkertijd, sluit anderen uit. In de sociale geschiedenis zijn ideologische tegenstanders geen deel van de groep die solidair is.

Een vierde bron van solidariteit is ontmoeting. Ontmoeting komt tot stand op een microniveau, daar waar mensen elkaar al dan niet toevallig tegenkomen. Het ontmoeten van mensen leidt tot met eigen oren en ogen waarnemen, ervaren van wat het lot of de situatie van een ander is, hetgeen kan leiden tot betrokkenheid, begaan zijn met, in actie komen voor, kortom solidariteit. Op individueel niveau leren mensen via ontmoeting elkaars cultuur, levensbeschouwing of ideologie beter kennen en begrijpen. Dit leidt tot wederzijds
respect en tolerantie, die weer inspiratiebron kunnen zijn voor georganiseerde vormen van solidariteit.

Een vijfde bron van solidariteit is kennis. Het gaat daarbij niet om uitputtende kennis, maar voldoende kennis om een afweging rond risico’s te kunnen maken. Risicofactoren als ziekte, gehandicapt worden, verlies van een partner, overlijden, brand of ongeluk hoeft niet ieder mens uitgebreid te kennen. Evenmin is het gewenst dat er kennis is over wanneer iemand ziek, gehandicapt wordt of overlijdt. Er is een bepaalde ‘sluier van onwetendheid’ nodig omtrent de risico’s die een mens zelf en de anderen lopen. Solidariteit is gebaseerd op een rationele afweging van de kosten en baten van het delen van bepaalde risico’s, en op basis van die kennis kunnen afspraken gemaakt worden.

Een zesde bron van solidariteit is vertrouwen. Vertrouwen als waarde is belangrijk tussen mensen die solidair willen zijn met elkaar. Het is tevens de ondergrond waarop afspraken gemaakt worden. Mensen dienen voldoende vertrouwen te hebben dat de anderen, wanneer men zelf schade leidt, bereid zijn hun solidariteit tot uitdrukking te brengen. En mensen dienen er op te kunnen vertrouwen, dat iemand alleen een beroep doet op solidariteit, als dat echt noodzaak is. Onder de waarde van vertrouwen gaan dus ook andere waarden schuil als wantrouwen, misbruik, meeliften, etc.

Sociale cohesie of samenhang

Wie over ‘solidariteit’ praat, komt al snel ‘sociale cohesie’ tegen. Gevleugeld is de term van Herman Bode, oud vakbondsvoorzitter: ‘solidariteit is het cement van de samenhang’ ofwel datgene wat alles samenvoegt en samenhoudt. Van hier uit bekeken is sociale cohesie een ruimer begrip dan solidariteit, komt er uit voort. Sociale cohesie kan zijn gebaseerd op solidariteit, dat wil zeggen op gevoelens van saamhorigheid, maar dit hoeft niet. Sociale cohesie kan ook het product zijn van zuiver zakelijke en onpersoonlijke relaties. Zo beschouwde Durkheim (1893-1997) de maatschappelijke arbeidsdeling als de belangrijkste bron van sociale cohesie. Het feit dat ieder een eigen taak vervult in de samenleving, waardoor men voor zijn bestaan sterk afhankelijk is van anderen, vormde in zijn visie het ‘cement’ van de samenleving. Je kan daar ook weer anders naar kijken vanuit een meer economisch liberaal perspectief, zoals bijvoorbeeld Adam Smith al ruim een eeuw eerder in The wealth of nations (1776) uiteenzette. Die gespecialiseerde arbeidstaken kan men louter uit eigenbelang uitoefenen, zonder een gevoel van welwillendheid of saamhorigheid jegens degenen aan wie de vruchten van zijn arbeid ten goede komen. Latere economische theorieën leggen uit dat de vrije markt als een soort onzichtbare hand ervoor zorgt dat, als iedereen voor zijn eigen belang zo goed mogelijk zijn best doet, er toch algemeen belang gediend wordt.

Sociaal kapitaal

Een derde begrip, dat al snel opduikt, is dat van ‘sociaal kapitaal’. In de economie zijn arbeid, kapitaal en grondstoffen als productiefactoren benoemd. Arbeid wordt na de jaren zestig al snel vertaald naar menselijk kapitaal, waarbij vooral gekeken wordt naar de cognitieve vaardigheden die iemands productiviteit verhogen (zoals kennis) en grondstoffen naar fysiek kapitaal, dus de hulpmiddelen die iemands productiviteit verhogen. Sociaal kapitaal heeft dan vooral betrekking op de sociale relaties die iemands productiviteit verhogen. Interessant is in deze theorie, dat kapitaal dus de belangrijkste productiefactor wordt gezien, hetgeen overigens geen vreemd iets is in de dominante kapitalistische economie.

Politieke term

In de politiek is het begrip ‘solidariteit’ omstreden. Er staan vaak twee vormen van levensbeschouwing of ideologie of economie tegenover elkaar, zoals we eerder al zagen: de meer collectieve, sociale of communautaire en de meer individuele, liberale of kapitalistische. De eerste visie gaat er van uit dat solidariteit de cohesie en stabiliteit van een samenleving bevordert, doordat zij de gemeenschapszin stimuleert. Beslissingen worden altijd op grond van groepen genomen. Het individu maakt deel uit van groepen, draagt bij aan het geheel en kan daartoe ook verplicht kan worden. Op grond van deze visie zijn veel sociale wetten tot stand gekomen.
De tweede visie stelt dat het individu voorop gaat en dat overwegingen van solidariteit altijd op persoonlijke gronden worden genomen. De tweede visie verwoordt dat groepsbeslissingen, vooral de bij wet verplichte, de autonomie van de mens of het individu geweld aandoen. Hier kan als mening verwoord worden dat gedwongen solidariteit een contradictie in terminis (een tegenspraak in het begrip) is en dat belastingheffing of verplichte belastingbetaling wettelijk georganiseerde diefstal is.

Solidariteit als houding

Bij de gevonden definities vinden we al snel dat solidariteit verwijst naar een houding of attitude van mensen. Solidariteit als houding of attitude kan worden omschreven als het gevoel of het besef van positieve lotsverbondenheid met anderen. Het gevoel en besef duiden er op dat solidariteit een ‘richting’ heeft. Uit de politieke stromingen wordt duidelijk dat die richting eenzijdig, individueel gericht kan zijn of twee- of meerzijdig of wederkerig. Uit de bron van strijd komt ook naar voren dat solidariteit een groep kan insluiten en een groep kan uitsluiten. Er kan dus onderscheid worden gemaakt volgens de vraag op wie, op welke groep de solidariteit zich richt, of, anders gezegd, wat de reikwijdte is van de solidariteit. Verschillende soorten van solidariteit-als-houding kunnen derhalve langs (tenminste) twee dimensies worden onderscheiden, namelijk: de richting en de reikwijdte.

Horizontale en verticale solidariteit

We gaan eerst in op de richting en maken daarbij onderscheid tussen een horizontale (wederkerige) en een verticale (eenzijdige) solidariteit.
Horizontale solidariteit is gebaseerd op het rationele besef van wederzijdse lotsverbondenheid, dat zich uit in een houding. De ene mens realiseert zich dat zijn of haar lot mede afhangt van dat van de andere mens, en voor de andere mens geldt hetzelfde ten opzichte van de eerste mens. Beide mensen nemen een gelijkwaardig positie ten opzichte van elkaar in, die wederkerig is: de ene mens is solidair met de andere en de andere met de ene. En ze weten dat ze door die wederkerige solidariteit elkaar vooruit helpen. Aan deze solidariteit kan een verlicht eigen belang à la Rawls ten grondslag liggen. Rawls (Theory of Justice, 1971) betoogt dat burgers, indien zij worden geleid door verlicht eigenbelang, hun eigendomsrechten ondergeschikt maken aan de bescherming van de zwakkeren in de samenleving. Zij houden dan immers elk voor zich rekening met de mogelijkheid dat zij zelf tot de zwaksten kunnen gaan behoren. Deze horizontale solidariteit, ook wel symmetrische solidariteit genoemd, wordt vaak in de vorm gegoten van afspraken met elkaar of afspraken tussen een groep mensen of groepen mensen. Als we het woord afspraken vervangen door ‘verzekering’ betreden we het veld waar solidariteit de laatste honderd jaar steeds meer is vorm gegeven. Verzekeren is niet de enige vorm van horizontale solidariteit, maar wel de meest bekende (waarover later meer).
Verticale solidariteit berust op een gevoel van verantwoordelijkheid of plicht jegens een ander. Bij eenzijdige solidariteit, ook wel asymmetrische solidariteit genoemd, bevindt de ene mens zich op een ‘hoger’ niveau dan de andere mens. Tegenover de solidariteit van de ene mens staat geen solidariteit van de andere mens met de ene mens. Als je eenzijdig solidair bent met een ander, verwacht je niet iets terug te krijgen voor je solidariteit, behalve dan het prettige gevoel dat je belangeloos iets voor een ander hebt gedaan. Deze vorm van solidariteit kom je vooral tegen bij geven. Geven is vaak verticale solidariteit. Het begint met de gift van ouders aan kinderen, die heel lang dit karakter van verticale solidariteit heeft. Of bij de gift van kinderen, als zij hun oudere ouders bijstaan met mantelzorg. Maar onder verticale solidariteit is ook de economie van de gift terug te vinden, waarbij het geven voort kan komen uit empathie, betrokkenheid, geraakt zijn, morele plicht, appél tot geven, bijvoorbeeld via een nationale media actie, enzovoorts.

Reikwijdte van de solidariteit

De tweede dimensie waarlangs verschillende soorten solidariteit kunnen worden onderscheiden betreft de reikwijdte van de solidariteit. Hoe groot is de kring van personen waarmee men solidair is? De mogelijkheden voor de reikwijdte van de solidariteit zou men als een reeks concentrische cirkels kunnen voorstellen, die steeds groter wordt: kerngezin; clan en familie; mensen in de buurt of wijk; mensen in de stad of gemeente; mensen in een land; verbond van landen (bijv. de EU, NATO, OECD); de wereld (Verenigde Naties).
Deze lijst is niet uitputtend. Het hoeft bij de kringen waarmee men solidair is namelijk niet per se om geografische gebieden te gaan. Zo kan men ook solidair zijn met mensen waarmee afspraken gemaakt zijn, zoals een vriendenkring; een organisatie (bedrijf, school, vereniging, zoals sportclub, politieke partij of vakbond) waartoe men behoort; een maatschappelijke groep (bijv. geloofsgenoten, sociale klasse). Vervolgens kan onderscheid worden gemaakt naar de groepen waartussen overdrachten plaatsvinden. Overdrachten binnen groepen noemen we intrasolidariteit en overdrachten van oud naar jong of van de vorige naar de huidige generatie wordt intergenerationele solidariteit (ofwel solidariteit binnen en tussen generaties) genoemd. En bezien vanuit landen is er sprake van binnenlandse en internationale solidariteit.

Mate van de solidariteit: warm of koud

Vaak is de mate van solidariteit sterker naarmate de kring waarmee men solidair is kleiner is: het gevoel van solidariteit met gezinsleden is meestal intenser of ‘warmer’ dan dat met vrienden of met buurtgenoten. Naarmate de - geografische, culturele of psychologische – afstand groter wordt, worden de solidariteitsgevoelens meestal zwakker of ‘kouder’. Daardoor krijgen oproepen tot ‘internationale solidariteit’ vaak iets moeilijks over zich: men kan de leuze gemakkelijk roepen, maar het ernaar handelen of gevolg geven aan de oproep gebeurt meestal maar zwakjes.

Solidariteit als handeling

Bij de gevonden definities merken we ook dat solidariteit verwijst naar een handeling van mensen. Solidariteit als handeling, oftewel solidair gedrag, kenmerkt zich door het feit dat er geen sprake is van evenredigheid of evenwicht tussen wat iemand geeft of bijdraagt en wat hij/zij ontvangt. Degenen die het financieel beter of het beste getroffen hebben, geven, terwijl degenen die minder gunstig door het lot bedeeld worden, ontvangen. Solidariteit vermindert dus het verschil tussen ‘geluksvogels’ en ‘pechvogels’. Dit zegt overigens nog niets over de motieven om solidair te zijn. Zoals hiervoor is aangegeven kan aan solidariteit zowel welbegrepen eigenbelang als altruïsme ten grondslag liggen. Bovendien kan een solidaire handeling vrij zijn, maar ook afgedwongen zijn.
Bij solidariteit als handeling kunnen ook de twee dimensies van richting en reikwijdte worden onderscheiden. Daarnaast zijn er nog drie andere dimensies te onderscheiden, waarlangs solidair handelen of gedrag gestalte krijgt, namelijk de organisatie, de mate van (on)vrijwilligheid en de vorm. In totaal zijn er dus (minimaal) vijf dimensies van handelen: de richting; de organisatie; de (on)vrijwilligheid; de reikwijdte; en de vorm.

Private of vrijwillige en publieke of verplichte solidariteit

Solidariteit als houding en solidariteit als handeling heeft in Nederland vaak vorm gekregen via het model van verzekeren. Een groep van mensen of verschillende groepen van mensen maken met elkaar afspraken over het indekken tegen bepaalde risico’s, zoals ziekte, gehandicapt worden, verlies van een partner, overlijden. Elke deelnemer aan de afspraak betaalt per maand een bepaald bedrag aan inleg of premie. Zo ontstaat een geldpot. Wie nu door het lot een bepaald risico, dat is afgesproken, ondergaat, kan een beroep doen op een uitkering uit de pot. Voor de hoogte van dat uit te keren bedrag zijn vooraf ook weer afspraken gemaakt, evenals over de duur van de uitkering (eenmalig, gedurende een bepaalde periode, tot aan het overlijden). Zo’n afspraak of verzekering door een groep mensen of groepen van mensen noemen we private solidariteit. En de afspraak is als ander kenmerk, vrijwillig aangegaan door de mensen die er aan meedoen. Aan vrijwillige solidariteit ligt een gevoel van solidariteit ten grondslag. Uit de afspraak komt groepssolidariteit voort, maar alleen met diegenen die meedoen met de afspraak of verzekering. Voorbeelden zijn bijvoorbeeld een onderlinge ziektekostenverzekering, een pensioenverzekering, een levensverzekering, een brandverzekering, een verzekering tegen handicap, een verzekering tegen inbraak en diefstal, enzovoorts.
Solidariteit als houding en solidariteit als handeling heeft in Nederland ook vorm gekregen via het model van verzekeren, waarbij naast een groep mensen of groepen van mensen ook de overheid meedoet. Dit model van verzekering heeft een bij wet vastgelegde basis en kan alle mensen in een bepaald beroep, alle mensen in een bepaalde situatie, of zelfs alle mensen betreffen. Door die verankering met wetgeving speken we van publieke solidariteit of ook over verplichte solidariteit. De solidariteit vindt plaats als je een bepaald beroep gaat uitoefenen, in een bepaalde situatie terecht komt, of burger bent van Nederland. De publieke solidariteit geldt bijvoorbeeld voor alle wetten die te maken hebben met werkgevers- en werknemerssolidariteit of met pensioenfondsen. Er is een verplichting om mee te doen. En de publieke solidariteit geldt ook voor wetgeving, die geldend is voor alle burgers van Nederland. Het gaat dan bijvoorbeeld om belastingheffing en belastingbetaling, en de algemene wetten in de sociale zekerheid, zoals bijvoorbeeld de Wet Participatie en Inkomen of de Algemene Ouderdomswet.

Ex post (kanssolidariteit) en ex ante (subsidiërende) solidariteit

De wederkerige solidariteit is vooral van belang bij verzekeringen. Door middel van verzekeringen worden risico’s gedeeld. Dat gaat gepaard met inkomensoverdrachten. Alle verzekeringen kennen solidariteit in de zin van ex post. Daarbij gaat het om overdrachten van degenen die geen schade hebben geleden naar degenen die wel schade hebben geleden. De uitkering geschiedt na het feit van geleden schade. Hierbij wordt gesproken van kanssolidariteit.
In de sociale verzekeringen gaat het vooral om overdrachten ex ante (dus vóór het intreden van het risico) van degenen die meer betalen dan de premie die hoort bij hun risicoprofiel naar degenen die minder betalen dan overeenkomt met hun risico. Dit wordt subsidiërende solidariteit genoemd.
Bij subsidiërende solidariteit kan weer onderscheid worden gemaakt tussen risicosolidariteit en inkomenssolidariteit. Deze twee vormen komen overigens veelal naast elkaar voor. Bij
risicosolidariteit dragen mensen met lage risico’s mede de lasten van mensen met hoge risico’s. In een ziektekostenverzekering met doorsneepremies is er bijvoorbeeld solidariteit van jongeren met lage risico’s met ouderen met hoge risico’s. Bij inkomenssolidariteit is de premie (of financiële bijdrage in een andere vorm) afhankelijk van de hoogte van het inkomen. Mensen met een hoger inkomen kunnen mede de lasten dragen van mensen met een lager inkomen.

Informele of ‘warme’ en formele of ‘koude’ solidariteit

Langs de tweede dimensie van organisatie kan gekeken worden naar de mate van spontaneïteit in de organisatie. Men kan hierbij onderscheid maken tussen informele solidariteit en formele solidariteit (vgl. De Beer 1992).
Informele of ‘warme’ solidariteit komt voort uit directe betrokkenheid met mensen, voor wie je ‘warme’ gevoelens koestert. Er is sprake van een directe relatie tussen personen. De meest sterke vorm van informele solidariteit komt meestal voort in het kerngezin of in de familie: de lotsverbondenheid tussen man en vrouw en tussen ouders en kinderen, en andersom. Deze solidariteit kan zo sterk zijn dat men in extreme situaties bereid is zijn of haar leven te geven voor de ander. Denk aan een ouder die met gevaar voor eigen leven zijn of haar kind van de verdrinkingsdood redt of uit een brandend huis. Er zijn ook minder sterke vormen van informele solidariteit, en die vinden we in vriendenkringen, tussen buren en tussen collega’s op het werk. Als je direct getroffen wordt door een concreet mens voor je die in nood is, en je geeft die persoon iets, bijvoorbeeld een gift aan een bedelaar, dan is ook informele solidariteit.
Formele of ‘koude’ solidariteit is betrokkenheid bij anonieme ‘derden’, die je niet persoonlijk kent, maar met wie je toch via een of andere instantie of institutie verbonden bent, zoals een verzekeringsmaatschappij of de overheid. Alle Nederlanders hebben solidariteit met arme medeburgers, wier bijstandsuitkering wordt gefinancierd uit de belasting. Een groep, die een verzekering tegen brandschade heeft afgesloten, is solidair met het misfortuin van de ongelukkige wiens huis is afgebrand en aan wie de verzekeringsmaatschappij een vergoeding uitkeert. Alle Nederlanders zijn formeel solidair met armen in de Derde Wereld, die van de Nederlandse staat ontwikkelingshulp ontvangen.

De vorm van solidariteit: tijd, geld of natura

Er zijn verschillende vormen om solidariteit uit te drukken. De meest bekendste vormen zijn tijd en geld.
De meest voorkomende vorm van solidariteit is de tijd, die men vrij maakt of investeert om een ander behulpzaam te zijn. Denk bijvoorbeeld aan opvoedingswerk, vrijwilligerswerk, mantelzorg. En het gaat ook om onbetaald werk als muziek maken, dichten, troosten, luisteren, aanwezig zijn. Solidariteit vorm gegeven in tijd treffen we ook in allerlei maatjesprojecten voor mensen met schulden, ex-gevangenen, jongeren, ouderen, zieken, gehandicapten, vluchtelingen. Met tijd wordt vooral de informele en vrijwillige solidariteit vorm gegeven.
Formele en verplichte solidariteit neemt bijna altijd de vorm aan van geld. Het gaat meestal om een overdracht van een bedrag aan een instituut, dat vervolgens weer uit de opgebouwde pot een ander toekent aan iemand die dat nodig heeft. Geld kan ook gebeuren bij de informele of vrijwillige solidariteit, zoals bijvoorbeeld bij ouders die hun kinderen leefgeld geven, of mensen die andere mensen een gift geven.
Een derde vorm van solidariteit vindt plaats in de overdracht van natura. Hiervan is het duidelijkst sprake binnen het gezin: voedsel, kleding, huisvesting, enzovoorts. Ook binnen families kan aan overdracht van natura gedaan worden, doordat bijvoorbeeld kleding of huisraad doorgegeven wordt. Solidariteit in natura heeft sinds het jaar 2000 een grote vlucht genomen in Nederland, waardoor de diaconale economie zichtbaar wordt. Denk aan voedselbanken, ruilwinkels, kledingswinkels, speelgoedbanken, maaltijdprojecten, inloophuizen. Een bijzondere vorm van solidariteit in natura is het afstaan van een orgaan of weefsels aan een ander. Meestal gebeurt dit direct na het overlijden, maar soms ook tijdens het leven, bijvoorbeeld een nierdonatie. Een meer voorkomende vorm van solidariteit in natura tijdens het leven is de donatie van bloed bij de bloedbank.

Christelijke traditie en solidariteit

Alhoewel solidariteit van oorsprong geen christelijk begrip is, valt er in de christelijke traditie en in het bijbelse taalveld rond een begrip als gemeenschap duidelijk affiniteit te bespeuren (Uit Jaarverslag DISK 2003). Zo kent de christelijke traditie in dit verband de notie van de door God gegeven ‘gemeenschap der heiligen’. Deze notie brengt te binnen dat het ‘wij’ van de traditie voor de ‘ikken’ het moment van het ‘nu’ draagt en mogelijk maakt. Solidariteit heeft hierbij niet het karakter van een hoog ideaal, maar van een diep besef van een door God gegeven fundamentele verbondenheid in en afhankelijkheid van een gemeenschap.
Ook in de bijbelse bronnen is solidariteit geen hoog moreel ideaal. De solidariteit begint in het door God gegevene, letterlijk in datgene waarmee de aarde aan bestaansmogelijkheden de grond onder onze voeten vormt. Solidariteit wordt van hieruit geboren in de ontdekking dat individuen datgene wat zij zich rechtens menen te mogen toe eigenen, slechts hebben, slechts kúnnen hebben omdat een door God gegeven gemeenschap hen omgeeft zowel in de ruimte als in de tijd.
De bijbelse notie ‘gerechtigheid’ redeneert ook vanuit dit gemeenschapsbesef. In het licht van dit begrip is een verdeling van bestaansmogelijkheden pas ‘recht’ te noemen, wanneer een optimale participatie in die bestaansmogelijkheden voor de hele gemeenschap gerealiseerd is. IJkpunten voor deze ‘rechte’ verdeling zijn degenen die met betrekking tot deze participatie de meest kwetsbare positie innemen in de gemeenschap: de weduwe, de wees en de vreemdeling. Komen dezen iets tekort dan is de gemeenschap en daarmee de gerechtigheid geschonden.

Respect als sleutel tot solidariteit

Het blijven stellen van vragen bij iedere politieke vormgeving van de solidariteit, of het nu de private en vrijwillige of publieke en verplichte solidariteit betreft, lijkt momenteel de belangrijkste opdracht voor de kerken. Het stellen van deze vragen heeft in de christelijke traditie te maken met de basale notie dat God mensen elkaar en de schepping gegeven heeft om van te leven en zorg voor te dragen. Deze gave wekt enerzijds dankbaarheid voor datgene wat zich aan solidariteit aandient in de samenleving, en doet anderzijds verlangen naar het Koninkrijk van God waarin die gave volledig geopenbaard en geleefd zal worden. Het ijkpunt voor de vragen die kerken hebben te stellen is dus niet een of andere bijbelse of kerkelijke blauwdruk voor de solidaire samenleving, maar veeleer de fundamentele vraag of de maatschappelijk georganiseerde solidariteit recht doet aan de notie van wederzijdse afhankelijkheid en of ze volwaardige participatie van allen aan de samenleving mogelijk maakt of deze juist belemmert. Deze fundamentele vraag sluit enerzijds aan bij de solidariteit die in lotsverbondenheid in de samenleving altijd op zijn minst al latent aanwezig is. In die zin wil vanuit de christelijke traditie ook steeds de poging gedaan worden om aan te sluiten bij wat in de samenleving gegeven is. Anderzijds wil vanuit de christelijke traditie de poging ondernomen worden om deze lotsverbondenheid op een bewust en daarmee politiek niveau te tillen. Respect dient zich in deze politieke vormgeving aan als het moment waarop de autonomie van de andere persoon of institutie onderkend wordt als van wezenlijk belang voor onze eigen autonomie. Die onderkenning impliceert oog voor de zelfstandigheid en de afhankelijkheid van de ander in relatie tot onze eigen zelfstandigheid en afhankelijkheid. Op deze wijze ontvouwt de solidariteit in de samenleving zich als een web van wederkerigheid. Het respectvol onderkennen en honoreren van deze wederkerigheid ontsluit de samenleving pas als een solidair maatschappelijk verband.

Hub Crijns is oud directeur van Landelijk bureau Dienst in de Industriële Samenleving vanwege de Kerken (DISK).

Klik hier om naar de startpagina van het themadossier 'Eerlijk delen' te gaan.

 

Raf janssen plaatste in het kader van de gemeenteraadsverkiezingen een video-boodschap waarin hij kort uitlegt wat de verandering van loonkostensubsidie naar loondispensatie betekent en waarin hij oproept er verzet tegen aan te tekenen. Kijk hier naar dit filmpje:

 

Deel deze pagina via sociale media

logo armoede live 10jaarlater

logo initiatief nu

logo expeditie sociale cooperatie

Adres

Stimulansz
t.a.v. Ger Ramaekers / Sociale Alliantie
Postbus 2758
3500 GT Utrecht

mailadres2

Volg ons op sociale media