logo-sociale-alliantie6

Armoede en sociale uitsluiting 2021

Door Hub Crijns, oud-directeur landelijk bureau DISK

Klik hier om dit artikel te downlodaden als pdf-document.

armoede en sociale uitslujiting 2021December is altijd de maand, waarin we ook iets over willen hebben voor de naasten in nood onder ons. De tijd van advent en kerst roept gevoelens van vrede en rechtvaardigheid op, alsmede van omzien naar elkaar, van barmhartigheid. Nu zou je de vraag kunnen stellen: “Wie zijn die mensen in nood, naar wie we moeten omzien?”. Gelukkig geeft het CBS daar om de twee jaar een antwoord op met de cijferbijbel rond armoede en sociale uitsluiting. De editie ‘Armoede en sociale uitsluiting 2021’ is begin van de maand december uitgekomen. Het CBS presenteert hierin terugkijkend de nieuwste gegevens over die delen van de bevolking van Nederland, die in financieel en sociaal opzicht achtergebleven zijn bij de rest. “Nieuwste” wil dus zeggen: cijfers over 2020. Het CBS heeft tevens aan het Centraal Planbureau (CPB) verzocht ramingen te maken voor de ontwikkeling van armoede in 2021 en 2022.

Armoede meten en definities

Bij onderzoeken naar armoede is het belangrijk om de gebruikte definitie te kennen. Er bestaat geen super definitie armoede, die de arme mensen eenduidig scheidt van de niet-arme mensen. De reden daarvoor is simpel: om armoede te kunnen meten dient een aantal - tot op zekere hoogte arbitraire - keuzes gemaakt te worden. Bijvoorbeeld de keuze uit de wettelijke of beleidsmatige benadering via inkomen, de objectieve en/of de subjectieve benadering via consumptie, de absolute of de relatieve methode voor de bepaling van de armoedegrens. Daarnaast gaat het om de keuze tussen een brede sociale of een enge economische definitie van armoede, de eenheid van analyse (huishoudens of personen) en hoe huishoudens van uitlopende grootte en samenstelling vergelijkbaar te maken (equivalentiefactor). De keuze voor een bepaalde armoedegrens wordt bepaald door de feitelijke situatie, de stand van de wetenschap en de politiek. Bij onderzoeken rond armoede en sociale uitsluiting is dus altijd wel na te vragen: welke cijfers horen bij welke armoedegrens? De gekozen wijze van meten heeft niet alleen invloed op de omvang en intensiteit van de armoede, maar ook op de samenstelling van de arme populatie. Die keuze heeft bovendien gevolgen voor het te voeren armoedebeleid. Absolute armoede kan worden verminderd door economische groei. De relatieve armoede neemt alleen af wanneer de inkomensongelijkheid afneemt.
In dit onderzoek gebruiken de onderzoekers hoofdzakelijk de lage-inkomensgrens. Deze grens vertegenwoordigt door de tijd heen een vast koopkrachtniveau en wordt jaarlijks alleen aangepast voor de prijsontwikkeling. De lage-inkomensgrens is gebaseerd op de hoogte van het bijstandsniveau van een alleenstaande in 1979, en wordt sedertdien geïndexeerd. Dit niveau wordt verhoogd voor diverse samenlevingsvormen: meerpersoonshuishoudens en kinderen. Het CBS omschrijft de lage-inkomensgrens als horende bij een huishouden met een laag inkomen of van een huishouden met risico op armoede. In 2020 lag de grens voor een alleenstaande op 1.100 euro per maand, voor een stel volwassenen was dat 1.550 euro. Met twee minderjarige kinderen was de grens voor een paar 2.110 euro en voor een éénoudergezin 1.680 euro.
In eerder onderzoek naar armoede is ook gewerkt met de budgetgerelateerde grens, die is uitgewerkt in twee varianten. In deze grens wordt een pakket kosten en uitgaven van een huishouden bepaald en er wordt gekeken wat dit pakket kost. In de laagste variant wordt uitsluitend rekening gehouden met de kosten van basisbehoeften, die niet of nauwelijks te vermijden zijn en deze variant heet de basisbehoeftengrens. In de tweede variant wordt ook rekening gehouden met enige uitgaven voor recreatie en cultuur, en deze variant wordt daarom omschreven als de “niet veel, maar toereikende grens”. Voor beide varianten is 2000 het referentiejaar (en wordt vanaf dat jaar geïndexeerd). Bij deze grenzen is het weer van belang om te weten hoe het basispakket wordt samengesteld, en wat daar bovenop nog als toereikend wordt gezien. Hier komt ook de vraag in beeld of er bij het samenstellen van het pakket alleen gekeken is naar objectieve elementen (gelet op de feiten van kosten in een huishouden), of ook naar subjectieve (gelet op de voorkeuren van de personen in het huishouden). Over de keuze-elementen in de vaststelling van deze budgetpakketten is een zelfstandig onderzoek nodig. In ieder geval leidt deze budgetgrens tot een rekbaar begrip van het aantal armen. Hoe lager het pakket, hoe meer armen er zullen zijn, en andersom is ook geldend: hoe hoger het pakket, des te minder armen.
In deze publicatie worden ook de beleidsmatige inkomensgrens en de Europese armoedegrens gebruikt. De beleidsmatige inkomensgrens is afgeleid van het jaarlijks sociaal minimum (het bijstandsniveau) en bij beleidsdiscussies of onderzoek wordt er soms vijf of tien procent boven de honderd procent opgeteld. Deze armoedegrens speelt een rol in de jaarlijkse inkomensplaatjes, die bij Prinsjesdag voor de verschillende types huishoudens met lage inkomens worden gepresenteerd. De Europese armoedegrens is door de Europese Raad vastgesteld om de omvang van armoede in de lidstaten te kunnen vergelijken en is vastgesteld op 60% van het mediane besteedbare inkomen van het land. De laatste wordt gebruikt voor een internationale vergelijking van armoede of sociale uitsluiting. Nederland gebruikt deze armoedegrens niet, omdat dan het aantal armen te hoog wordt.

Risico op (langdurige) armoede gedaald

De samenvatting van het onderzoek geeft de belangrijkste resultaten weer. “In 2020 moesten 513.000 van de ruim 7,5 miljoen huishoudens rondkomen van een laag inkomen. Dat komt neer op 6,8 procent huishoudens met armoederisico. In 2019 was dat nog 7,5 procent en in de drie jaren daarvoor steeds bijna 8 procent. De in 2019 begonnen daling zette ondanks de coronacrisis in 2020 door. Dat had te maken met de relatief sterke koopkrachtverbetering vanwege reeds lopende cao-afspraken, met diverse fiscale overheidsmaatregelen en met het omvangrijke coronasteunpakket. Het Centraal Planbureau verwacht voor de jaren 2021 en 2022 een vrijwel onveranderd armoederisico bij huishoudens.
Van de huishoudens met een laag inkomen moesten er 221.000 al ten minste vier jaar achtereen van een laag inkomen rondkomen. Daarmee kwam het aandeel huishoudens met een langdurig laag inkomen uit op 3,1 procent in 2020 en dat is lager dan in de drie jaren daarvoor. Eenoudergezinnen, alleenstaanden tot aan de AOW-leeftijd, huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond, bijstandsontvangers en laagopgeleiden zijn groepen die van oudsher kampen met een relatief hoog risico op (langdurige) armoede.” De meting van 2021 bevestigt het al jarenlange ervaringsfeit, dat de genoemde groepen een veel grotere kans hebben om arm te zijn en te blijven.

Armoederisico onder 55- tot 65-jarigen afgenomen

“Na de vorige economische crisis bleef alleen in de groep huishoudens met een hoofdkostwinner van 55 tot 65 jaar het armoederisico stijgen, terwijl de meeste andere leeftijdsgroepen profijt hadden van het economisch herstel en hun risico zagen dalen. Een deel van de 55- tot 65-jarigen werd door de crisis langdurig afhankelijk van een uitkering, waarmee er veelal sprake was van een (langdurig) armoederisico. Daarnaast speelde de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd een rol in het oplopende armoederisico van 55- tot 65-jarigen. Pas vanaf 2018 is onder 55- tot 65-jarigen een daling in het armoederisico te zien, mede doordat de koopkracht van uitkeringsontvangers verbeterde.” De voornaamste verbetering ligt in het gegeven dat mensen ouder worden en bij pensionering door AOW en pensioen vaak boven de lage inkomensgrens uitkomen.

Armoederisico gaat vaak samen met financiële problemen

“Huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens rapporteren vaker financiële problemen dan huishoudens met een hoger inkomen. Ze hebben vaker betalingsachterstanden (9 tegen 2 procent in 2020) en kunnen zich bepaalde uitgaven veelal niet veroorloven. Zo gaf 10 procent aan onvoldoende geld te hebben voor een warme maaltijd met vlees, vis of kip om de dag en bijna 6 op de 10 hadden niet genoeg geld om regelmatig nieuwe kleren te kopen. Van elke 10 lage inkomens zeggen er bijna 4 (zeer) moeilijk te kunnen rondkomen. Risicohuishoudens met een inkomen uit werk of pensioen geven dit minder vaak aan dan uitkeringsontvangers met een laag inkomen. Het aandeel huishoudens met armoederisico dat zei schulden te moeten maken kwam uit op ruim 14 procent in 2020. Van de huishoudens met een hoger inkomen was dat 2 procent. Lage inkomens komen bovendien vaker in de schuldsanering terecht dan hogere inkomens.” Bij deze ontwikkeling van schulden onder lage inkomens is de zogenoemde fraudewet niet vreemd, alsmede het ingewikkelde stelsel van de toeslagen. De fraudewet (Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving uit oktober 2012) maakt het mogelijk om lage inkomens extra te (ver)volgen, te controleren en te straffen op het niet voldoen aan wettelijke richtlijnen rond de sociale zekerheid. Het toeslagensysteem keert uit op aanvraag en controleert, verrekent en straft na twee jaar met het feitelijk verkregen inkomen. Vaak leidt dit systeem tot hoge terugvorderingen. De kindertoeslagenaffaire heeft aan het licht gebracht hoe uitvoeringsorganisaties via bepaalde criteria in de zoekprogramma’s selecteren op klanten, die misbruik maken van de sociale zekerheidswetgeving. Het systeem sluit mensen uit en de gevolgen zijn zichtbaar in het hoog oplopende schuldenpakket bij lage inkomens.

Lage inkomens kampen met achterstanden op het sociale vlak

“Onder personen die deel uitmaken van een huishouden met een laag inkomen ligt zowel het aandeel dat verdacht wordt van het plegen van een misdrijf als het aandeel dat slachtoffer is geworden van criminaliteit hoger dan onder personen met een hoger inkomen. In 2019 bedroegen de cijfers respectievelijk 3,2 tegen 0,7 procent en 17,6 tegen 13,1 procent. Lage inkomens ervaren bovendien vaker sociale overlast in de buurt. Het gaat dan om overlast van rondhangende jongeren, overlast door buurtbewoners, overlast door dronken mensen op straat, drugsgebruik of drugshandel, of lastiggevallen worden op straat. Daarnaast is er bij de lage inkomens sprake van een stapeling van gezondheidsproblemen. Personen met een armoederisico geven aan een minder goede gezondheid en een ongezondere leefstijl te hebben: ze bewegen minder, roken meer en zijn vaker te zwaar dan personen met een hoger inkomen. Bovendien zijn lage inkomens vaker sociaal uitgesloten: ze doen minder mee in de samenleving en hebben bijvoorbeeld minder goede toegang tot de gezondheidszorg en fatsoenlijke huisvesting.” Ook hier wordt een ervaringsfeit weergegeven. Er is een woningtekort in Nederland en de sociale huursector vangt in feite de allerzwaksten op. Door de grote bezuinigingen in de zorgwereld zijn hier veel psychisch zieke mensen bij, of mensen met een probleem dat ze teveel eten, drinken, drugs gebruiken, roken en te weinig bewegen of een gezonde leefstijl hebben. Een deel van de sociale huurwoningen kent achterstand in onderhoud. De laatste jaren stijgen de vaste kosten van wonen, zorgpremie, energie en het is een gegeven, dat mensen met een laag inkomen steeds meer van hun budget moeten besteden aan de vaste lasten. Wie gezond wil leven, heeft vaak een budget nodig om dat te kunnen doen. Lage inkomens hebben dat bedrag niet, en kunnen er dus ook niet aan mee doen.

Zzp’ers het meest kwetsbaar voor armoede

“Van de mensen met hoofdzakelijk inkomen uit betaald werk maakte 1,9 procent (147.000 werkenden) in 2020 deel uit van een huishouden onder de lage-inkomensgrens. Dat is minder dan in 2019 toen het aandeel werkenden met een laag inkomen op 2,1 procent uitkwam. Vanaf het piekjaar 2013 toen nog 3,5 procent van de werkenden een armoederisico had, daalde het percentage met gemiddeld 0,2 procentpunt per jaar. Werknemers liepen met 1,2 procent in 2020 het minste risico op armoede, gevolgd door zelfstandigen met personeel (zmp’ers) en zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) met respectievelijk 2,8 en 5,9 procent. In de periode 2013–2020 viel in alle drie groepen een daling van het armoederisico te noteren. Van de zmp’ers en zzp’ers met kans op armoede beschikte ruim een derde over liquide vermogensmiddelen van ten minste 10.000 euro. Bijna 2 op de 10 zzp’ers en ruim 1 op de 10 zmp’ers konden een beroep doen op liquide middelen van 50.000 euro of meer. Bij werknemers was dat 1 op de 20, en ook een liquide vermogen van minstens 10.000 euro kwam bij hen met 18 procent minder vaak voor dan bij zelfstandigen.” Uit deze cijfers komt naar voren dat 1,9 procent van de werkenden een laag inkomen heeft. Onduidelijk is dan of hoeveel huishoudens dit zijn. Het onderzoek noemt niet hoeveel procent dit aantal werkenden is van de armen.

Ruim 1 op de 15 kinderen woont in een risicogezin

“In 2020 maakten 221.000 minderjarige kinderen deel uit van een huishouden met een laag inkomen. Dat komt neer op 6,9 procent van alle kinderen. Vanaf 2013, dus in de jaren na de vorige economische crisis daalde het aandeel kinderen met risico voortdurend. Ook het percentage kinderen dat deel uitmaakt van een huishouden met al minstens vier jaar een laag inkomen vertoonde een dalende trend. Wel zette deze daling pas twee jaar later in. Het langdurige armoederisico van minderjarige kinderen nam af van 3,7 procent in 2015 naar 3,1 procent in 2020.
Kinderen met een (langdurig) armoederisico zijn relatief vaak afkomstig uit een eenoudergezin. Ook komt een niet-westerse migratieachtergrond betrekkelijk veel voor; tussen 2015 en 2018 is vooral de groep Syrische risicokinderen sterk gegroeid. Meestal moeten risicogezinnen van een uitkering rondkomen. Bij bijna een derde haalt het gezin hun inkomen voornamelijk uit werk. Kinderen met armoederisico wonen overwegend in een sociale huurwoning. Vaker dan in gezinnen met een hoger inkomen is er in risicogezinnen onvoldoende geld voor een jaarlijkse vakantie en bezitten ze geen auto of een pc, laptop of tablet. De gezondheid van risicokinderen is daarnaast minder goed. Ook komt crimineel gedrag onder hen vaker voor dan onder kinderen uit gezinnen met een hoger inkomen.”
Kinderarmoede is dus niet weggenomen in Nederland. Wel is de trend, dat het aantal kinderen in armoede daalt. Elk jaar wordt het minder. Onduidelijk blijft of dit komt omdat kinderen ouder worden, er minder kinderen bijkomen, of dat arme huishoudens minder kinderen hebben.

Binnen EU scoort Nederland gunstig in risico op armoede of sociale uitsluiting

“Van de bevolking in de lidstaten van de Europese Unie liep 17 procent in 2019 volgens de Europese armoedegrens (60 procent van het mediane besteedbaar inkomen in een land) risico op armoede, terwijl ruim 21 procent te maken had met kans op armoede of sociale uitsluiting. Nederland steekt in beide ranglijsten met respectievelijk 13 en bijna 17 procent gunstig af ten opzichte van de andere lidstaten. Voor wat betreft het armoederisico waren in zeven lidstaten (Tsjechië, Finland, Slowakije, Slovenië, Hongarije, Denemarken en Ierland) de percentages lager. Bij de kans op armoede of sociale uitsluiting stond Nederland op de zesde plek, na Tsjechië (met 13 procent het laagste aandeel), Slovenië, Finland, Denemarken en Slowakije.
Feitelijk is deze vergelijking binnen de EU ook relatief.” Van oudsher zijn er rijke en arme regio’s in landen alleen al, en tussen laden zijn er ook grote verschillen. De oostelijke en zuidelijke leden van de Europese Unie zijn altijd al armer dan de Noordwestelijke (en Engeland telt dan tot 2020 nog mee in de EU). Deze vergelijking maakt dat armoede in Nederland altijd relatief gunstiger is dan elders in Europa. Maar daarmee is de feitelijke armoede nog niet weg of minder erg. Integendeel.

Signalen dat armoede toeneemt

Bij de uitkomsten van deze armoede meting van 2021 zijn vragen te stellen. In 2020 is de armoede gedaald zegt de cijferbijbel. Toch laten heel wat organisaties, waaronder de diaconale van de kerken, en de voedselbanken weten dat de corona epidemie en de grootschalige beperkingen in het economische en sociale leven gevolgen hebben voor mensen en huishoudens. Met name zelfstandigen zonder personeel, studenten, mensen met flexibele contracten raken werk kwijt. Ook sommige sectoren worden hard getroffen. De toegang tot de bijstandswet is voor sommige groepen heel lastig. Weken van wachttijden moeten overbrugd worden zonder inkomen. Tegelijk zorgen de grootschalige inzet op gezondheidsprogramma's ervoor, dat mensen kansen hebben op ander werk. Maar het verlies van vast werk, ingeruild naar tijdelijk werk, komt over enige tijd pas tot uitdrukking. En onzeker is wat dit voor een deel van de werkende bevolking betekent in verlies van inkomensvoorzieningen rond ouderdom en ziekte.

Worden nuggers meegeteld?

Er zijn ook vragen te stellen rond wie niet meegeteld worden bij deze armoede meting. Nuggers bijvoorbeeld. Nugger is een afkorting voor 'niet-uitkeringsgerechtigde'. Het betreft iemand die werk zoekt, maar geen recht heeft op een uitkering. De definitie van nugger is niet eenduidig. Het CBS hanteert de definitie: een niet-uitkeringsgerechtigde (nugger) is een persoon jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die als werkloze werkzoekende staat geregistreerd bij het UWV. Het probleem met deze definitie is dat hiermee een onzichtbare groep werklozen niet wordt meegerekend, want na beëindiging van een uitkering door het UWV wordt de werkloze automatisch na een jaar uit het werkzoekendenbestand uitgeschreven en valt dan niet meer onder de officiële werkloosheidscijfers. Nuggers kunnen zich wel inschrijven bij het UWV en komen dan in principe in aanmerking voor de basisdienstverlening van het UWV en eventuele ondersteuning bij re-integratie door gemeenten. Voorbeelden zijn schoolverlaters zonder arbeidsverleden; werkzoekenden die na de WW-periode geen recht hebben op een uitkering in verband met financieel vermogen; werkzoekenden die geen recht hebben op een uitkering, omdat hun partner daarvoor te veel verdient. Dit zijn bijvoorbeeld tweeverdieners van wie er één werkloos is geworden
of herintreders wanneer de kinderen al wat ouder zijn. De cijfers rond deze nuggers zijn niet allemaal even actueel of bijgehouden. De uitkomsten variëren tussen 750.000 en 1,5 miljoen mensen.

Zijn jongeren in beeld?

Ook onduidelijk is in hoeverre in deze cijfers jongeren, ouder dan 21 jaar, waarvan de ouder of ouders een laag inkomen hebben. Als deze jongeren thuis blijven, worden ze geacht zelfstandig voor een inkomen te kunnen zorgen. De bijstandswet houdt daar ook rekening mee. Tegelijk wordt op de samenwonende ouder en de jongvolwassene het kostwinnerbeginsel toegepast: mensen met een sociale zekerheidsinkomen die samenwonen worden geacht goedkoper uit te zijn, en krijgen dus een korting toebedeeld. Vanwege deze situatie trekken jongeren uit huis, gaan zwerven, wonen samen bij anderen, leven niet geregistreerd als het ware. Uit het onderzoek wordt niet duidelijk of deze situatie is meegeteld.

Daklozen, migranten, vluchtelingen, illegalen

We zijn in de winter aangeland en alle gemeenten zijn bezig om de winterverblijven voor dakloze mensen open te stellen. In de coronatijd zijn er ook hotels en andere voorzieningen, die normaal voor recreatie en toerisme gebruikt worden, ingezet. In de afgelopen maanden roept het COA voortdurend gemeenten op om bij te springen bij de opvang van vluchtelingen en migranten. Waar dat niet goed lukt, of waar mensen niet (willen) passen in de strenge opvangprocedure, verdwijnen mensen uit beeld. De gemeenten en diaconale organisaties signaleren een duidelijke toename aan vragen om hulp, ondersteuning, opvang. Er zijn beste veel zwervenden in Nederland. De cijfers geven geen duidelijke omvang. Er wordt gesproken over een schatting die loopt van 30.000 tot 120.000 mensen en er zijn indrukken, dat het er misschien nog wel meer zijn. Het is een heel flexibele beweging, die in ieder geval onder de radar blijft van de legale samenleving. En je kunt dus de vraag stellen of deze groepen van mensen meegeteld zijn in de armoedecijfers.

‘Armoede en sociale uitsluiting 2021’, Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire, 2021, digitaal verkrijgbaar: https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2021/49/armoede-en-sociale-uitsluiting-2021.

 

Verandert de energietransitie de aanpak van het armoedevraagstuk?

Armoede oplossen met anders denken en doen over eigendom

Klik hier om dit artikel te downloaden als pdf-document.

Inleiding

res limburgOp 28 juni 2019 werd het klimaatakkoord gepresenteerd. Dit akkoord is een pakket van maatregelen en afspraken tussen bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden om gezamenlijk de uitstoot van broeikasgassen in Nederland in 2030 te halveren (vergeleken met 1990) en in 2050 zou Nederland helemaal klimaatneutraal moeten zijn. Uitgangspunt bij het bereiken van dit doel is dat het gebeurt op een wijze die voor iedereen haalbaar en betaalbaar is. De energie- en warmtetransitie die hiervoor nodig zijn, worden vooral op het bord van lokale overheden gelegd. Die werken samen in dertig regionale verbanden om concrete plannen uit te werken. De eerste versie van de Regionale Energie Strategie (RES) is intussen in de meeste regio’s afgerond. Het is een goede gelegenheid om na te gaan of en hoe aandacht wordt besteed aan een vraagstuk waarop in nieuwsbrieven van de Sociale Alliantie al eerder is gewezen, namelijk het vraagstuk van energie-armoede. Betoogd wordt dat de sleutel tot het oplossen van dit vraagstuk ligt in het ontwikkelen van nieuw denken en doen ten aanzien van eigendom.

Leeswijzer
De redactie vindt dit een pittig artikel. Het gaat ook over een pittig vraagstuk waarop een uitdagende visie gegeven wordt, die zeer zeker interessant en relevant is voor groepen in de anti-armoedebeweging die geen genoegen nemen met een charitatieve benadering van armoede, maar hefbomen zoeken om dit vraagstuk op een structurele wijze te duiden en aan te pakken. Om de leesbaarheid te vergroten volgen hier de stappen die in de opbouw van dit artikel worden gezet:
1. Vastgesteld wordt dat in rapporten over energietransitie weinig aandacht besteed wordt aan het vraagstuk van energie-armoede, terwijl heel veel mensen daar nu al mee te maken hebben en in de nabije toekomst ongetwijfeld nog meer mee te maken krijgen.
2. Toch wordt er wel degelijk onderzoek gedaan naar energie-armoede. Daaruit wordt onder meer duidelijk dat ondersteuningsmaatregelen van de overheid om de energietransitie te stimuleren niet terecht komen bij arme huishoudens.
3. Hoewel in het onderzoek naar energie-armoede gepleit wordt om meer aandacht te besteden aan structurele oorzaken zoals slechte woningen en lage inkomens, gaat de hoofdaandacht toch uit naar hulp om het gedrag van mensen te veranderen.
4. Intussen dringt het inzicht door dat mensen direct financieel voordeel moeten hebben van maatregelen die ze nemen om energie te besparen of op schone energie over te stappen. Als dat directe voordeel er niet is, is er te weinig draagvlak voor energietransitie.
5. De noodzaak dat mensen mee kunnen profiteren van de energietransitie is de grond voor de eis dat initiatieven die genomen worden om duurzame energie op te wekken voor minstens 50% eigendom moeten zijn van lokale gemeenschappen.
6. Bij het opwekken van duurzame energie wordt gebruik gemaakt van natuurlijke hupbronnen die het eigendom zijn van ons allemaal. In een recent rapport wordt daarom gepleit voor het oprichten van warmteschappen.
7. De vraag wordt gesteld of het benutten van natuurlijke hulpbronnen een andere visie op eigendom nodig maakt: geen energietransitie zonder transitie in eigenaarschap!
8. Dit roept de vraag op of de huidige ordening van de samenleving moet gewijzigd worden opdat we op een duurzame wijze gebruik maken van de natuur én op een wijze die in het belang is van ons aller welvaart. Die benadering van gemeengoed en eigendom wordt gezien als de structurele oplossing van energie-armoede en armoede in het algemeen. 
9. De vervolgvraag die door dit artikel wordt opgeroepen luidt: hoe komen we voorbij het huidige eigendomsrecht?

1. De rapporten RES 1.0 hebben weinig aandacht voor energie-armoede

Het merendeel van de dertig regio’s is intussen klaar met het opstellen van RES 1.0. Hoewel het ene rapport nog dikker is dan het andere, worden doorgaans weinig woorden besteed aan het vraagstuk van energie-armoede. Soms wordt volstaan met een verwijzing naar de uitgangspunten ‘haalbaar en betaalbaar’ en ‘kostenneutraliteit’ die in landelijke notities zijn geformuleerd. Soms wordt opgemerkt dat energie-armoede inderdaad een belangrijk vraagstuk is zonder er verder op in te gaan. Soms wordt verwezen naar het gemeentelijke sociaal beleid met de verder niet toegelichte veronderstelling dat daar regelingen zijn te vinden of te maken om mensen te helpen. Soms wordt in de RES zelf geen extra aandacht besteed aan energiearmoede, maar wordt in een nevenprogramma wel aandacht besteed aan dit vraagstuk. Uit de omschrijving van zo’n nevenprogramma in de regio Noord Holland Noord mag geconcludeerd worden dat de aandacht voor dit vraagstuk vooral is ingegeven door bezorgdheid dat energie-armoede een belemmering wordt voor de energietransitie. In de RES 1.0 van enkele andere regio’s wordt wél een aparte paragraaf gewijd aan het voorkómen van energiearmoede. Dat is bijvoorbeeld het geval in regio Rivierenland en de regio Noord Oost Brabant, waar de bezorgdheid niet zozeer wordt ingegeven door eventuele negatieve gevolgen voor de energietransitie, maar eerder door problemen waarmee medeburgers geconfronteerd worden vanwege de energietransitie. Twee citaten ter illustratie:

"De verwachting is dat het gebruik van fossiele energie de komende decennia duurder gaat worden. Een groot deel van de inwoners heeft geen budget om investeringen te doen om het energieverbruik te verminderen. In 2020 is gestart met het verkennen van initiatieven om energiearmoede te voorkomen. Een goed voorbeeld is ‘De kleine portemonnee’ in Culemborg. Het is een samenwerking van de Energiecoöperatie Vrijstad, de gemeente Culemborg (schuldhulpverlening) en het Fonds Boedel Badens Stout. Dit fonds is gericht op inwoners van de stad die in armoede leven en schulden hebben. Kern van het project is het inzetten van een ‘sociale’ energiecoach, die in gesprek met betrokkenen kleine aanpassingen in huis kan doen. Maar ook kan proberen om bewustzijn te vergroten bij de bewoners bij het verbruik van energie. Maatwerk in het armoedebeleid per gemeente kan zijn om energieverslindend witgoed te vervangen, zodat de energierekening omlaag gaat. Over dit project is contact met de Energiebank Nederland. Dit Culemborgs project dient als voorbeeld voor lokaal maatwerk in de andere gemeenten. (RES 1.0 Rivierenland, pag. 45)"

"Om de opgave te realiseren is het belangrijk dat iedereen mee kan doen. Er moeten namelijk veel woningen worden verduurzaamd. Voor het verduurzamen van woningen is vrijwel altijd een flinke investering nodig. Voor mensen met een lager inkomen is zo’n investering vaak niet mogelijk. Hierdoor kunnen zij niet profiteren van lagere energiekosten. Laat staan dat het financieel participeren in lokale energieprojecten mogelijk is. Het effect is dat deze groep in de toekomst een steeds hogere energierekening moet betalen door andere het verhogen van belastingen of huurprijzen en daarbij ook niet kan profiteren van de energietransitie (lusten). Als de energielasten uiteindelijk te hoog worden om in de benodigde energie te voorzien, noemen we dit energiearmoede. In de regio Noordoost-Brabant hebben naar schatting 8% van alle huishoudens met energiearmoede te maken, dit komt neer op 20.864 huishoudens. (RES 1.0 Noord Oost Brabant, pag. 56)"

Op basis van het doornemen van een dozijn rapporten kan worden geconcludeerd dat in de RES 1.0 van de meeste regio’s weinig tot geen aandacht wordt geschonken aan het vraagstuk van de energie-armoede. De invalshoek van de doorsnee RES 1.0 is vooral technologisch en bestuurlijk met als belangrijkste vragen: welke technologische mogelijkheden zijn er om schone energie op te wekken en hoe kunnen regiogemeenten samen optrekken om deze mogelijkheden te realiseren? Voor de sociale aspecten van de energietransitie is tot nu toe minder aandacht bij de opstellers van de RES-rapporten. De indruk is dat deze aandacht van buiten deze kring moet worden opgewekt. Het lijkt erop dat dit hier en daar begint te gebeuren.

2. Onderzoek naar energie-armoede

Eind 2020 publiceerde TNO, de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek, samen met medewerkers van universiteiten in Nederland, Spanje en Engeland, een onderzoek naar Energiearmoede en de energietransitie. Het rapport spreekt van energie-armoede wanneer een huishouden onvoldoende toegang heeft tot energievoorzieningen in huis. Opgemerkt wordt dat dit probleem van energie-armoede vaak onderdeel is van een vicieuze cirkel van financiële problemen en lichamelijke en geestelijke gezondheidsklachten. De energietransitie kan deze problemen verergeren doordat huishoudens moeten investeren in energiebesparing en duurzame technologie, zoals isolatie of zonnepanelen, terwijl ze daar het geld niet voor hebben. Daardoor blijven deze huishoudens aangewezen op het gebruik van fossiele brandstoffen die steeds zwaarder worden belast om huishoudens te stimuleren over te stappen op duurzame energie. Er wordt op gewezen dat er allerlei regelingen zijn om huishoudens te ondersteunen bij het investeren in duurzame technologieën, dat die investeringen op termijn leiden tot lagere energiekosten, maar dat juist huishoudens die toch al kampen met energie-armoede, veel belemmeringen ondervinden om gebruik te maken van dergelijke regelingen. Het rapport waarschuwt dat deze huishoudens achteropraken in de energietransitie, wat het draagvlak voor energietransitie kan ondermijnen. Andersom kan de energietransitie versnellen, als het probleem van de energie-armoede beter wordt onderkend, goed wordt gemeten en bestreden.
In het TNO-rapport wordt een omschrijving gegeven van het begrip energie-armoede en wordt een aanduiding gegeven van de huidige en te verwachten omvang van het probleem in Nederland. Daarbij wordt gesignaleerd dat de overheid via belasting- en subsidiemaatregelen de overstap naar het gebruik van duurzame energievoorzieningen wil stimuleren, maar dat deze maatregelen als effect hebben dat de energie-armoede wordt vergroot. Dat komt omdat het meestal gaat om algemene maatregelen die vooral worden gebruikt door huishoudens die helemaal niet te kampen hebben met energie-armoede. Het TNO-rapport concludeert dat het een betere strategie is om met voorrang woningen te verduurzamen die én het minst energiezuing zijn én onderdak bieden aan huishoudens die het meest kwetsbaar zijn. Het verduurzamen kan door middel van renovatie, waarbij wordt aangetekend dat goed advies aan huishoudens over besparingsmaatregelen en de luchtkwaliteit ook veel helpt. Dat komt niet alleen de betreffende huishoudens die kampen met energie-armoede ten goede, maar uit allerlei onderzoeken blijkt dat heel de samenleving er baat bij heeft. Het onderzoek van TNO wijst uit dat het tot nu toe vooral lokale overheden zijn die met relatief kleine projecten de energie-armoede bestrijden. Er wordt een pleidooi gehouden voor een nationale aanpak van het probleem. Om te komen tot een effectief energie-armoedebeleid in de context van de energietransitie doet het TNO-rapport ten slotte drie aanbevelingen: I) het opzetten van een raamwerk met verschillende kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren om energie-armoede beter in kaart te brengen en te monitoren voor individuele huishoudens en voor de samenleving als geheel; II) het ontwerpen van specifiek energie-armoedebeleid dat zich niet primair richt op ondersteuning bij het betalen van de energierekening, maar dat vooral inspanningen levert om de diverse barrières te slechten die de adoptie van energie-efficiënte, duurzame energietechnologieën voor energie-arme huishoudens in de weg staan; III) het integraal aanpakken van energie-armoede door landelijk en lokaal er voor te zorgen dat het sociaal beleid, het energiebeleid en het beleid omtrent huisvesting en gebouwde omgeving beter op elkaar aansluiten. Om deze drie aanbevelingen te realiseren wordt voorgesteld een nationale taskforce in te stellen voor het ontwerpen en uitvoeren van nationaal beleid om energie-armoede in Nederland beter te meten, te monitoren en te bestrijden.

3. Van tochtstrip naar systemische verandering

Op een van de eerste pagina’s van het TNO-rapport wordt vastgesteld dat pas van een rechtvaardige energietransitie gesproken kan worden, als voldaan wordt aan drie basisprincipes: iedereen heeft toegang tot betaalbare, betrouwbare en schone energiediensten; iedereen kan deelnemen aan besluitvormingsprocessen omtrent veranderingen in het energiesysteem; er is erkenning van problemen die het gevolg zijn van energie-armoede en ongelijke kansen in de transitie. Het TNO-rapport is een poging om invulling te geven aan deze drie basisprincipes. Door tussen de verschillende hoofdstukken door schetsen te geven van de geleefde werkelijkheid van huishoudens die kampen met energie-armoede, wordt geprobeerd meer inzicht te geven in de specifieke moeilijkheden waarmee energie-arme huishoudens te maken hebben. Daarbij wordt opgemerkt dat een goed begrip van energie-armoede vereist dat we verder kijken dan de aspecten die doorgaans een belangrijke rol spelen bij het verklaren van armoede en ongelijkheid, zoals gezinsinkomen, opleidingsniveau en sociaal-demografische factoren. We moeten, aldus het TNO-rapport, ook rekening houden met de rol van specifieke en structurele oorzaken van energie-armoede, zoals een slecht geïsoleerd huis of hoge energieprijzen en belastingen. Maar in de analyse en aanbevelingen voor de aanpak van energie-armoede komen dergelijke structurele achtergronden van energie-armoede toch weinig aan bod. De situatieschilderingen van leefsituaties van huishoudens sturen de aandacht en daarmee ook de aanpak naar kenmerken, eigenschappen en gedragingen van leden van deze huishoudens: onwetendheid, onkunde, vraagverlegenheid, gebrek aan taalvaardigheid, schaamte, weinig zelfvertrouwen, sociaal isolement, frustratie, stress, betaalzorgen.
Diezelfde gerichtheid op gedragingen en handelingen van individuele huishoudens is ook kenmerkend voor de aanpak van de energietransitie in veel gemeenten. De landelijke subsidieregelingen zijn daar ook op afgestemd. Het gaat bijvoorbeeld om het aanbieden van eenvoudige energiebesparende maatregelen die de eigenaar-bewoner of de huurder zelf kan aanbrengen zoals tochtstrippen, ledlampen en radiatorfolie. Er kan een beroep worden gedaan op energiecoaches die bijvoorbeeld verwarmings- of ventilatiesystemen energiezuinig inregelen en andere adviezen geven om energie te besparen zoals korter douchen of gebruik maken van een witgoedregeling die op veel plaatsen deel uitmaakt van het lokale armoedebeleid. Onderkend wordt dat het ondersteunen van huishoudens die als gevolg van armoede, slechte gezondheid en schulden leven onder zware omstandigheden, meer vraagt dan het inzetten van eenmalige ondersteuning door vrijwilligers voor tips en advies om te besparen op energiekosten. Ook wordt onderkend dat goede voorbereiding en serieuze investering in menskracht en middelen nodig zijn om deze doelgroep daadwerkelijk mee te krijgen in de energietransitie, waarbij naast technische en financiële aspecten ook de nodige aandacht moet worden besteed aan sociale aspecten en motivatie.
In het onlangs uitgebrachte TNO-rapport Werken aan een inclusieve energietransitie (TNO 2021 P 10507) over energie-armoede in de provincie Zuid-Holland wordt deze individu- en gedrag-georiënteerde aanpak gepresenteerd als de eerste noodzakelijk te zetten stap naar een bredere en meer structurele aanpak: betere samenwerking en afstemming tussen de beleidsterreinen van wonen, armoede en energie; nieuwe oplossingen op wijkniveau (bijvoorbeeld warmtenet of wijk aardgasvrij maken) met verbeterde samenwerking tussen gemeente, woningcorporaties, uitvoerders, welzijnswerkers en burgerinitiatieven. Onder de noemer ‘van tochtstrip naar systemische verandering’ wordt een route beschreven van besparen als eerste etappe naar energiezuiniger maken van de woning als tweede stap en van daar de transitieroute voortzetten naar daadwerkelijke veranderingen: andere en meer duurzame systemen om energie op te wekken, te delen en op te slaan; andere en meer duurzame vormen van mobiliteit; meer of andere rechten ter bescherming van de consument (hoe en wanneer mag je energie delen of welke energieprijsmechanismen zijn onrechtvaardig?). Uit de 1.0-versies van menige RES blijkt dat veel regio’s zo’n stapsgewijze route naar een rechtvaardige energietransitie nog niet op het netvlies hebben. Als ze daar al aan toekomen hebben de meeste gemeenten de handen meer dan vol aan het ondersteunen van huishoudens met het aanbrengen van energiebesparende maatregelen. Maar hier en daar zijn toch aanzetten tot het zetten van verdergaande stappen. Die zijn niet zozeer te vinden in voorstellen om de energie-armoede aan te pakken, want daar blijven veel gemeenten vasthouden aan een aanpak die aangemerkt kan worden als individu- en gedragsgericht charitatief armenbeleid. Een aanpak die meer perspectief biedt op het uitroeien en voorkómen van energie-armoede en het van onderop bewerkstelligen van een rechtvaardige energietransitie moet eerder worden gezocht in RES-passages over eigendom. Het is een misser dat het TNO in zijn rapporten die route naar een rechtvaardige energietransitie niet verkent.

4. Meeprofiteren van alternatieve energieopwekking

Veelal in samenspraak met energiebureaus wordt in een aantal gemeenten naar wegen gezocht om huishoudens waar al sprake is van energie-armoede of een grote kans aanwezig is dat energie-armoede gaat ontstaan ten gevolge van stijgende energieprijzen, een helpende hand toe te steken met slimme financiële constructies om deze huishoudens ook in staat te stellen te investeren in duurzaamheidsmaatregelen zoals goede isolatie en zonnepanelen om de energieprijs betaalbaar te houden. Dit is de individuele route om te ontsnappen aan de armoede. Die route wordt volop gevolgd door huishoudens die voldoende geld hebben om, zoals ze zelf graag zeggen, hun verantwoordelijkheid te nemen voor het vraagstuk van de klimaatverandering en de daardoor noodzakelijk gemaakte energietransitie. Daarmee worden arme huishoudens die het niet lukt die individuele ontsnappingsroute te volgen, steeds vaster gezet in een almaar erger wordende armoedesituatie waaraan ze niet kunnen ontsnappen en waarvoor ze, aangeduid als ‘achterblijvers’, steeds meer zelf verantwoordelijk worden gehouden. “U bent dief van uw eigen portomonnee als u geen zonnepanelen heeft.” Dat is de leus – inclusief foute schrijfwijze van portemonnee! – waarmee een Nederlandse firma in zonnepanelen iedereen aanspoort zonnepanelen op het dak te leggen. Dergelijke oproepen zullen ‘achterblijvende huishoudens’ aansporen zich passief of actief te verzetten tegen de energietransitie die ze enkel als een dreiging op zich af zien komen. Uit passages in RES-notities blijkt dat op lokaal niveau de nodige bezorgdheid is voor het creëren en behouden van voldoende draagvlak voor de energietransitie. In een enkele RES wordt die bezorgdheid direct gekoppeld aan de situatie van mensen met een kleine beurs. Dat is bij voorbeeld het geval in de RES 1.0 van Rotterdam/Den Haag, waar in een paragraaf over draagvlak de volgende passage staat:

"Lokaal eigendom kan ervoor zorgen dat eventuele revenuen lokaal landen: bij bewoners, lokale maatschappelijke initiatieven, bij de natuur, recreatie en het landschap. Zo blijven de baten zoveel mogelijk lokaal, waardoor de maatschappelijke acceptatie toeneemt. Dit kan bijvoorbeeld door de mogelijkheid te bieden om financieel te participeren en de opbrengsten te investeren in de wijdere omgeving middels een omgevings- of duurzaamheidsfonds. Daarbij is het een aandachtspunt om deze baten ook ten goede te laten komen aan mensen met een kleinere beurs, die niet zomaar mee kunnen investeren in een energieproject. (RES 1.0 Rotterdam/Den Haag, pag. 178)"

Haalbare energiebesparing en het doel dat iedereen mee moet kunnen doen aan de energietransitie, vereisen een collectieve aanpak in plaats van de individuele ieder-voor-zich aanpak waarvoor in menige RES 1.0 wordt gekozen, met instemming en subsidie van de overheid en met hulp van energieadviseurs. De collectieve route die als aanvulling en/of tegenhanger van de favoriete individuele route wordt bepleit, loopt via discussies en besluiten over eigendom, bijvoorbeeld over eigendom van warmtebronnen als aardwarmte, bodemenergie en omgevingsenergie. Dat zijn collectieve goederen met een gemeenschapsvormende potentie/werking. En datzelfde geldt mogelijk ook voor zonne-energie. Die is ook van ons allemaal. Het gebruik van zo’n gemeengoed moet gebeuren in het belang van allen en niet in het individueel belang van mensen die het geld hebben om voor zichzelf een warmtepomp aan te laten leggen, zonnepanelen op het dak te leggen of hun geld kunnen beleggen in een windmolen of zonneweide. Bij de energietransitie hoort ook een transitie in tijdgeest. Het neoliberale mens- en maatschappijbeeld van de zelfbewuste burger die zijn leven in eigen hand neemt, zijn eigen keuzes maakt, zijn eigen boontjes dopt, naar eigen goeddunken en belangen gebruik maakt van zijn eigendom en van hulpbronnen zonder om te zien naar de welvaart en het welzijn van allen en naar schadelijke neveneffecten voor de natuur, is hoognodig toe aan transitie. We kunnen niet blijven koersen op het geïndividualiseerd mensbeeld dat ons voor een groot deel in de huidige klimaatproblemen heeft gebracht. Het is jammer dat dit inzicht onvoldoende tot uiting komt in de RES-notities. In de meeste regio’s zal echter bij de uitwerking van de eerste versie van de RES zeker van gedachten worden gewisseld over het idee van lokaal en collectief eigendom van alternatieve energie-opwekking. Dat biedt kansen voor het creëren van een nieuwe tijdgeest of beter gezegd voor het inzicht dat deze nieuwe tijdgeest al in de lucht hangt en dat her en der burgerinitiatieven pogen deze nieuwe tijdgeest vaste voet aan de grond te laten zetten.

5. 50% lokaal eigendom

Bij het opstellen van het klimaatakkoord is landelijk de volgende afspraak gemaakt over lokaal eigendom:

"Om de projecten voor de bouw en exploitatie van hernieuwbaar op land in de energietransitie te laten slagen, gaan in gebieden met mogelijkheden en ambities voor hernieuwbare opwekking, partijen gelijkwaardig samenwerken in de ontwikkeling, bouw en exploitatie. Dit vertaalt zich in evenwichtige eigendomsverdeling in een gebied waarbij gestreefd wordt naar 50% eigendom van de productie van de lokale omgeving (bewoners en bedrijven). Investeren in een zon –en/of windproject is ondernemerschap. Dat vergt ook mee-investeren en risico lopen. Het streven voor de eigendomsverhouding is een algemeen streven voor 2030. Er is lokaal ruimte om hier vanwege lokale project-gerelateerde redenen van af te wijken. (Klimaatakkoord, 28 juni 2019, pag. 219)"

De voornaamste reden voor deze afspraak is de verwachting dat daardoor het draagvlak voor duurzame energiewinning groter wordt. De opbrengsten vloeien dan niet weg naar investeerders ver weg, die zelf helemaal geen last hebben van windmolens of zonneweiden; minstens een deel van de opbrengt zou dan ten goede komen aan lokale partijen. Het meedelen in deze lusten zou de lasten draaglijker maken. In de meeste notities RES 1.0 wordt dit landelijk geformuleerde streven naar 50% lokaal eigendom overgenomen en in sommige regio’s worden daar nog twee woorden aan toegevoegd: minstens en collectief. Daar wordt dan als gezamenlijk regionaal beleid vastgelegd dat gestreefd wordt naar minstens 50% collectief lokaal eigendom. In een enkele regio is geprobeerd het nogal voorzichtig geformuleerde streven om te zetten in een harde eis, maar tot nu toe lijkt dat nergens te zijn gelukt.

In veel regio’s wordt in bijlagen of in aparte notities een beschouwing gegeven over het streven naar 50% lokaal eigendom. Daaruit komt naar voren dat (mede)eigenaar worden op verschillende manieren kan worden gerealiseerd: privaat als omwonende, bedrijf of andere organisatie uit de omgeving of collectief bijvoorbeeld met een energiecoöperatie. Door het lokaal eigenaarschap op een collectieve manier te organiseren en daarbij het lidmaatschap van het collectief tegen een geringe contributie ook open te stellen voor mensen die niet willen of kunnen investeren in een duurzame energiebron, wordt het eigenaarschap voor iedereen van de omgeving toegankelijk, inclusief het democratisch recht op medezeggenschap dat als het goed is ieder lid van de coöperatie heeft. Er is nog geen regio bekend waar iedereen die in die regio woont als inwoner van die regio automatisch lid is van het energiecollectief, omdat de bronnen waarvan gebruikt wordt gemaakt voor duurzame energie-opwekking per definitie aangemerkt worden als het eigendom van allen gezamenlijk. Het gebruik van deze bronnen kan niet door investeerders, ook niet uit de eigen regio, worden gekocht als een exclusief recht dat anderen van het gebruik uitsluit. Zo’n benadering van duurzame energiebonnen als gemeengoederen waarvan alleen in gezamenlijkheid en in het belang van allen gebruik kan worden gemaakt, maakt van de energietransitie een operatie om ons maatschappelijk, economisch en sociaal systeem daadwerkelijk te veranderen. Dat zou niet alleen een eerlijke energietransitie mogelijk maken, dat zou niet alleen energie-armoede tegengaan, maar het zou veel breder een eerlijke economie mogelijk maken en armoede, zeker in rijkere landen, definitief uitroeien. Op verschillende plaatsen wordt al langer nagedacht over en geëxperimenteerd met eigendomsrechten in het kader van een economie gebaseerd op hulpbronnen die gedacht en gebruikt worden als gemeengoederen, als commons. Er zijn ook aanzetten in deze richting in het kader van de energietransitie. Het zou goed zijn als lokale energiecoöperaties dit perspectief actief mee ontwikkelen. Daarmee zouden ze niet alleen inspirerende broedplaatsen zijn voor het vernieuwen van energie-opwekking, maar ook voor het vernieuwen van gangbare samenlevings- en economieconcepten.

6. Hernieuwbare warmtebronnen als gemeengoed

Naast de energietransitie als lokale opdracht ligt nog een belangrijke transitie in het kader van het klimaatakkoord op het bord van de lokale overheid: de warmtetransitie. Samen met vastgoedeigenaren, bewoners, netbeheerders en mede-overheden moeten de gemeenten eind 2021 een transitievisie warmte klaar hebben. Daarin worden wijk-voor-wijk voorstellen gedaan voor duurzaam aardgasvrij verwarmen en koken. De Transitievisie Warmte heeft veel raakvlakken met de Transvisie Energie. In de meeste RES-rapporten wordt daarom ook aandacht besteed aan de warmtetransitie. Net zoals bij de energietransitie zijn bij de warmtetransitie burgerinitiatieven actief. Vertegenwoordigers van dergelijke initiatieven hebben samen met vertegenwoordigers van gemeenten, ministeries en kennisinstellingen deelgenomen aan een living lab over ‘nieuwe warmte commons’. In een recent rapport over warmteschappen wordt hiervan verslag gedaan. Vastgesteld wordt dat de Europese doelen voor lucht, klimaat en energie in 2030 goede handvatten bieden om de eigen positie van warmte-initiatieven vast te leggen in wetgeving, zoals in de nieuwe warmtewet. Gemeld wordt dat het goed zou zijn als daarbij voor de warmte-initiatieven een eigen positie als nieuwe marktspeler wordt ingeruimd. Die eigen positie van warmte-initiatieven wordt gedefinieerd met de naam: warmteschap.

"Het warmteschap is een gebiedsdemocratie met lokaal eigendom en zeggenschap. Deze positie van het warmteschap bevat drie elementen, die bij de gemeenschapseconomie van de commons horen:
1. Het warmteschap kan zich bezig houden met alle elementen uit de warmteketen: bron, net, levering, isolatie, koude of andere energiediensten.
2. De zeggenschap en eigendom ligt bij leden of aandeelhouders die in de nabijheid van het hernieuwbare energieproject gevestigd zijn.
3. Het warmteschap werkt met sociale spelregels, die uit drie componenten bestaan:
• Formeel: democratische organisatie met zeggenschap en inclusiviteit;
• Bedoeling: Waardegericht werken met profit for purpose;
• Manier van werken: Menselijk, lerend en voortdurend afstemmen met de praktijk.
(Kristen Notten, Warmteschappen, Energie Samen / Buurtwarmte, november 2020, pag. 6)"

Het rapport over warmteschappen opent met de constatering dat in de gangbare marktordening volstaan wordt met het onderscheiden van twee domeinen: (1) het domein van de markt met ruil op basis van keuzevrijheid en (2) het domein van de staat met regelgeving en herverdeling op basis van rechtvaardigheidsprincipes. Gemeld wordt dat daarnaast in de economische theorieën steeds meer aandacht ontstaat voor een derde domein, het domein van de gemeenschapseconomie van de commons en onderlinge zorg op basis van welwillendheid. Tot dit derde domein horen initiatieven van bewoners die zelf plannen voor hun buurt maken en zelf het warmtesysteem in eigendom willen nemen. Opgemerkt wordt dat de buurtinitiatieven en warmtecoöperaties daarbij een werkwijze laten zien die veelbelovend lijkt en anders is dan die van overheid en markt.

"Ze weten stap voor stap de betrokkenheid in de buurt te vergroten van de koplopers naar de middengroepen en uiteindelijk iedereen in de buurt te bereiken. Ze maken gedegen buurtplannen en businesscases die vertrouwen geven bij overheden en andere partijen. Ze zijn bezig om het kapitaal te verwerven nodig voor de investeringen. Ze weten goede samenwerkingen aan te gaan met gemeenten, netbeheerders en woningbouwcorporaties. Ze ontwikkelen de nieuwe commons of het ‘gemeengoed’ in de warmtetransitie, als onderdeel van een bredere beweging. (pag. 10)"

Overheden, aldus het rapport, staan sympathiek tegenover deze initiatieven en geven er steun aan. In de praktijk blijkt het echter lastig om als buurtinitiatieven en warmtecoöperaties een volwaardige plek te krijgen in de warmtetransitie, die momenteel gedomineerd wordt door een klassiek speelveld van overheid en markt. Het rapport geeft voorbeelden van bewonersinitiatieven die op verschillende plaatsen in het land bezig zijn met het maken van plannen voor een eigen, lokale warmtevoorziening. Opgemerkt wordt dat deze initiatieven noch als vrijwilligers noch als een commercieel bedrijf behandeld willen worden, maar als een andersoortige speler in het samenspel met overheid en markt. In de nieuwe warmtewet en de transitievisie warmte moet de waarde van deze eigen werkwijze worden erkend; er moet eveneens erkenning komen voor de nieuwe commons als ‘zakelijke’ partner; en door marktregulering via de warmtewet moet door de overheid bij het maken van plannen voor nieuwe warmtevoorzieningen een voorrangspositie worden toegekend aan de warmteschappen, die met eigen vormen van gebiedsdemocratie een aanvulling geven op de representatieve democratie. In het rapport worden de warmtecoöperaties in het bredere perspectief van de commons geplaatst. Dat zijn organisatievormen waarin bewoners of eindgebruikers zelf een gemeenschappelijk goed beheren en vaak in eigendom hebben. Benadrukt wordt dat ze dit niet doen om geld te verdienen door winst uit te keren aan leden, maar om de waarde voor de gemeenschap. De commons nemen een eigen positie in ten opzichte van de markt en de overheid:

"Ze zijn anders dan de markt omdat ze niet voor winst werken. Ze zijn anders dan de overheid omdat ze wel ‘ondernemend’ zijn en projecten realiseren en beheren. Ze zijn eigen omdat ze de waardigheid en het dagelijks leven van mensen centraal zetten. Daarbij zijn ze een stabiele factor omdat ze gericht zijn op de lange termijn. (pag. 17)"

Het rapport is erop gericht om warmte-initiatieven van burgers een betere positie te laten krijgen binnen de bestaande en nieuwe structuren van het warmtesysteem. Groepen burgers die zich op de warmtemarkt begeven moeten zich kunnen ontwikkelen tot professionele organisaties die een volwaardige rol spelen binnen de warmtemarkt. Dat doel kan gerealiseerd worden door de vorming van warmteschappen, die als volgt worden omschreven:

"Samengevoegd is een Warmteschap een juridische entiteit die:
1. Democratisch is georganiseerd, gebaseerd is op vrijwillige en open deelname en waarover leden of aandeelhouders feitelijke zeggenschap hebben.
2. Leden of aandeelhouders heeft. Dit zijn natuurlijke personen, lokale autoriteiten, waaronder gemeenten, of kleine ondernemingen zijn, die in de nabijheid van de hernieuwbare energieprojecten gevestigd zijn.
3. Als hoofddoel heeft ‘profit for purpose’ in plaats van het realiseren van winst voor aandeelhouders en leden. Het hoofddoel bestaat veeleer uit het bieden van milieu-, economische of sociale gemeenschapsvoordelen aan haar leden of aandeelhouders of aan de plaatselijke gebieden waar ze werkzaam is dan uit winst maken;
4. Zich bezig kan houden met de productie, distributie, levering, verbruik, aggregatie, energieopslag, energieefficiëntie diensten, of andere energiediensten aan haar leden of aandeelhouders kan aanbieden.
(pag. 19)"

Drie kenmerken, aldus het rapport, zijn voldoende grond om deze warmteschappen te rangschikken onder de bredere beweging van de commons: een bron of assets (1) die beheerd wordt of eigendom is van een gemeenschap (2) op democratische wijze en niet gericht op het maken van winst, maar op ‘profit for purpose’ (3). Vastgesteld wordt dat daarmee de eigen positie ten opzichte van markt en overheid is geborgd. Daarmee ontstaan in het beleid van warmtetransitie meer keuzemogelijkheden wat betreft de marktmodellen: een publiek warmtebedrijf, uitgeven van concessies voor een commercieel warmtebedrijf of het faciliteren van een warmteschap. Gemeenten aarzelen om burgerinitiatieven als volwaardige partner te erkennen. Maar net als bij grootschalige opwek van energie lijken ook bij de warmtetransitie lokaal eigendom en directe betrokkenheid van bewoners de instrumenten voor het creëren van vertrouwen en draagvlak. Het rapport wekt de indruk dat burgerinitiatieven al heel blij mogen zijn als ze voorlopig bij wijze van uitzondering een kleine voet kunnen zetten op de warmtemarkt waar naar verwachting bijna alle ruimte zal worden ingenomen door grote commerciële spelers. Het rapport blijft evenwel positief door te stellen dat op basis van ervaringen die bij deze kleine projecten worden opgedaan, burgerinitiatieven zich kunnen professionaliseren, opdat ze in de toekomst op meer plaatsen toegelaten worden als volwaardige speler op het veld van de warmtetransitie. De mogelijkheid daartoe zou vergroot kunnen worden door de overheid die via de nieuwe warmtewet de markt van de warmtetransitie moet reguleren.

7. Geen energietransitie zonder transitie in eigenaarschap

De koppeling van burgerinitiatieven rond de warmtetransitie aan de bredere beweging van de commons is een goede aanloop tot een wezenlijke maatschappij- en economievernieuwing. Een goede aanloop, maar er volgt geen sprong naar zo’n vernieuwing. Dat is te wijten aan de drang om mee te doen aan bestaande (markt)structuren, zonder deze kritisch tegen het licht te houden en de vraag te stellen of deze structuren wel passen bij de aard van natuurlijke hulpbronnen. Er wordt vooral een pleidooi gehouden om burgerinitiatieven toegang te geven tot de markt van de warmtetransitie en dat liefst met voorrang. Of daardoor de basisprincipes van de markt wezenlijk veranderen, is een vraag die niet aan de orde komt. Ook de roep om eigendom en zeggenschap wordt niet verder uitgediept. Er wordt niet ingegaan op de vraag of en hoe bij natuurlijke hulpbronnen wel gesproken kan blijven worden van eigendom en zeggenschap. Het gemis aan diepgang geldt ook voor processen van het tot stand komen en in stand houden van commons, gemeengoed. Een organisatie die inspireert tot een dergelijke uitdieping, is de IABR, de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam. Dit is een tweejaarlijkse internationale manifestatie over architectuur die zich met name richt op de stedenbouw, op de toekomst van de stad en de grote uitdagingen die dat stelt aan ontwerpers met name tegen de achtergrond van klimaatverandering. Door de IABR is een tentoonstelling opgezet over Energietransitie en eigenaarschap. De nadruk wordt daarbij gelegd op de wijk omdat de organisatoren van mening zijn dat in de wijk het best kan worden verkend hoe de energietransitie meteen ook kan worden ingezet als hefboom voor bredere, duurzame, echt transformatieve verandering. Gesteld wordt dat zo’n ingrijpende verandering urgent is, omdat de petrocultuur die onze moderne beschaving kenmerkt, volop bijdraagt aan opwarming en klimaatverandering en aan sociale ongelijkheid. Het gaat om een ingrijpende verandering,

omdat de manier waarop wij wonen en zorgen, leren en leven, consumeren en produceren, omdat wat we eten en hoe we eten, hoe we ons door de wereld bewegen en hoe we met elkaar en de natuur omgaan, kortom, hoe we onze leefomgeving en ons samen-leven inrichten en of iedereen daarbij gelijke kansen heeft, voor een groot deel wordt bepaald door toegang tot en gebruik van energie. (https://iabr.nl/nl/tentoonstelling/energycommons)

Voor de samenstellers van de IABR-tentoonstelling is één ding duidelijk: er is geen energietransitie mogelijk zonder transitie in eigenaarschap. Door het energiesysteem slim te koppelen aan de lokale economie wordt de energietransitie meteen een sociaal-maatschappelijke opgave. Voor de organisatoren van de tentoonstelling draait de kern van de problematiek om de vraag naar commoning. Dat is de vraag hoe gemeenschappelijk eigendom zo geborgd kan worden dat mensen niet alleen de energierekening krijgen maar ook actief mede-eigenaar kunnen worden en kunnen meeprofiteren van de transitie. De tentoonstelling is een zoektocht naar de herontdekking van de commons: dat wat van ons samen is en waar we samen zorg voor dragen. Dat geldt voor zon en wind, en straks voor waterstof. Die zijn van iedereen. En geldt dat dan ook voor de energie die ermee opgewerkt kan worden? Dat zijn vragen die ogenschijnlijk weinig raakvlakken hebben met het maatschappelijk vraagstuk van de energie-armoede. Bij nader inzien liggen die raakvlakken er wel degelijk en kan zelfs gesteld worden dat de sleutel tot het oplossen van het vraagstuk van de energie-armoede en van de armoede in het algemeen ligt in het ontwikkelen van nieuw denken en doen ten aanzien van eigendom van gemeengoed.

8. Eigendom en gemeengoed

Zowel het rapport over warmteschappen als de tentoonstelling van de IABR verwijzen met hun pleidooien voor vernieuwing naar de bredere beweging rond de commons. In beide gevallen is de omzetting van individueel bezit naar collectief eigendom de kern van hun benadering. Duurzame energie- en warmtebronnen zijn van ons allemaal en het gebruik ervan moet daarom ook allen ten goede komen. De vraag is of daarmee voldoende afstand wordt genomen van de gangbare mechanismen van de markteconomie, die juist werken op basis van exclusieve toe-eigening van hulpbronnen en de verarming van veel mensen en alle natuur nodig hebben om rijkdom te creëren, met name individuele rijkdom, omdat veel lasten afgewenteld worden op de gemeenschap. De Franse wetenschappers Pierre Dardot en Christian Laval hebben enige jaren geleden een standaardwerk geschreven over de commons, dat intussen vertaald is in het Engels onder de titel Common. On Revolution in the 21st century. (Bloomsbury Academic, London/New York, 2019). Zij laten zien hoe common als politieke slogan zich langzamerhand heeft ontwikkeld uit diverse verzetsbewegingen tegen het neoliberalisme en tegen de uitbreiding van het private eigendom naar alle maatschappelijke sectoren en ons hele leven. Common verwijst naar een nieuwe manier om het kapitalisme uit te dagen en een voorstelling te maken van de situatie voorbij het kapitalisme. Het begrip common staat voor een nieuwe route. Het is een protest tegen het bezetten van gemeenschappelijk bezit door particuliere eigenaren. Common, gemeengoed, wil zeggen dat iets bestierd wordt door de gemeenschap buiten de regie van markt of staat. Common is een verzamelterm voor allerlei expedities, bewegingen die zoeken naar een niet-kapitalistische toekomst. Centrale kwestie is het eigendomsbegrip. Dardot en Laval laten zien hoe dit begrip volkomen is verindividualiseerd en een bedreiging vormt voor het leven als collectief, als gemeenschap.
Zoals we eerder gezien hebben, wordt in beleidsnotities over energie- en warmte-transitie ook ingegaan op het eigendomsbegrip. Bij de energietransitie is landelijk het streven naar 50% lokaal eigendom vastgelegd en in het rapport over warmteschappen wordt gemeld dat lokale initiatieven erop aandringen om bij de warmtetransitie een soortgelijk streven naar lokaal eigendom vast te leggen. De vraag is of dat de route is die tot daadwekelijke verandering leidt. Dardot en Laval vinden lokaal eigendom niet voldoende om te mogen spreken van commons. Het begrip common slaat volgens hen niet zozeer op het gemeenschappelijke goed, maar veeleer op de manier waarop mensen met dit gemeenschappelijke goed omgaan. Niet het bezit, maar de afspraken, regels en wetten die over het gebruik van het gemeengoed worden gemaakt, vormen de common, het gemeenschappelijke. Dardot en Laval beklemtonen dat dit gemeenschappelijke alleen kan worden gevormd als het op geen enkele wijze tot bezit gemaakt kan worden. Daarin zijn ze heel stellig: onder geen enkele omstandigheid kan het gemeenschappelijke het voorwerp zijn van het eigendomsrecht. Dat geldt voor het private eigendomsrecht en ook voor het collectieve, publieke eigendomsrecht. Zowel het private als het publieke recht gaan uit van het idee dat mensen de lucht, de wind, de warmte van de aarde kunnen bezitten en verhandelen. In de markteconomie krijgt iets dat vanuit zijn eigen aard, vanuit zijn eigen natuur ogenschijnlijk niet tot handelswaar kan worden gemaakt, toch die hoedanigheid met behulp van het eigendomsrecht: verhandelbare windrechten, emissierechten, vervuilingsrechten, zonnerechten, warmterechten. Zaken die voorheen buiten de economie werden gehouden, worden via het eigendomsrecht onderdeel van een economie die grote ongelijkheden en machtsverschillen met zich meebrengt, deze zelfs nodig heeft om zich te ontplooien en die bepalend is voor onze huidige wijzen van denken en doen.

"Ieder project dat het kapitalisme werkelijk wil veranderen moet daarom onomwonden de fundamentele vraag stellen naar eigendom. Voor ons is de institutionalisering van het gemeenschappelijke op de schaal van de samenleving eenvoudigweg onmogelijk, tenzij de eigendomsrechten, de absolute zeggenschap van de eigenaar over de aarde, ondergeschikt is gemaakt aan het recht om het gemeenschappelijke te gebruiken, hetgeen noodzakelijkerwijs betekent dat eigendom zijn absoluut karakter verliest. (Dardot&Laval, Common, London 2019, pag. 315)"

Niet het ruilrecht, het verhandelen van goederen en diensten, maar het gebruiksrecht komt dan centraal te staan in economische processen. Niet de marktwaarde staat centraal, maar de eigenwaarde of gebruikswaarde. Dat biedt openingen naar het realiseren van een totaal andere economie. Gebruik hoort bij een gemeengoed dat van niemand is, maar dat allen mogen gebruiken met in achtneming van de regels die hierover gezamenlijk zijn afgesproken. Dit gemeengoed kan ook niet verhandeld worden; het blijft als gemeenschappelijkheid beschikbaar voor degenen die bij het gebruik ervan belang hebben en over dat gebruik samen, als gelijken, afspraken maken. Dardot en Laval beschrijven ‘gebruik’ als een collectieve handeling, als een activiteit van een collectief, die vormgeeft aan de common, aan het gemeenschappelijke. Ze spreken daarom ook over common niet als een zelfstandig naamwoord, maar als een werkwoord (commoning). De activiteit die het gemeenschappelijke vormt, moet zo zijn dat het gebruik ervan in aller belang is. Dat gebruik in aller belang kan onderwerp zijn van sociale uiteenzetting en sociale strijd, maar als doel wordt het niet uit het oog verloren. Dat gebeurt wel als er sprake is van eigendom en eigenaarschap. Dan staat het belang van de eigenaren voorop en niet het belang van allen, met groeiende ongelijkheid als uitkomst. Bij gemeengoed is geen sprake van particulier eigendom en van eigenaren waartoe niet-eigenaren zich in een positie van onderschikking verhouden. De gebruiker van een gemeengoed is met andere gebruikers van dat gemeengoed op een andere manier verbonden, namelijk als co-producent van regels die gelden voor het gemene gebruik. Dit is een verhouding die gekenmerkt wordt door gelijkheid. Iedere echte politieke gemeenschap dankt haar bestaan aan een aanhoudende en voortdurende activiteit van collectief delen. In het vervangen van eigendom door gebruik als collectief zit de sleutel tot het voorkómen van energie-armoede en het uitroeien van armoede in het algemeen, indachtig de uitspraak van Gandhi dat de aarde voldoende biedt voor ieders behoeften, maar niet voor ieders hebzucht.

9. Voorbij het eigendomsrecht?

Het idee van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen op basis van niet-hiërarchische onderlinge verhoudingen tussen alle belanghebbenden, biedt ook een betere opening naar het toekennen van eigen rechten aan deze hulpbronnen dan een benadering op basis van eigendom. Het woord ‘hulpbronnen’ past eigenlijk niet meer in een economie die niet langer gebouwd is op privaat eigendom en bezit. Het corrigeren van dit absolute eigendomsbegrip via het maken van regels en afspraken die ervoor zorgen dat het gebruik van natuurlijke hulpbronnen in het belang is van alle mensen, is een noodzaak die zich steeds meer doet gelden met de toename van de ecologische crises. Het tot stand brengen van zo’n rechtvaardige regeling van eigendom is ook een wezenlijke stap in het verminderen van maatschappelijke ongelijkheid en armoede. De vraag is of zo’n operatie volstaat en wat dit vergt aan verandering van het gangbare recht waarop het huidige eigendomsbegrip stoelt. Is het aanbrengen van beperkingen van het gangbare eigendomsrecht voldoende om natuurlijke hulpbronnen te bewaren, in stand te houden en het gebruik ervan ten goede te laten komen aan alle mensen? Of moet met vallen en opstaan een nieuwe ecolegale orde ontwikkeld worden, die ruimte, ondersteuning en legitimiteit geeft aan basisinitiatieven van ‘commoning’: het in samenspraak van alle betrokkenen – menselijke en niet-menselijke entiteiten – vorm en inhoud geven aan samenlevingsstructuren die vanuit een collectieve intelligentie een einde maken aan de nog steeds voortdurende verarming van mens en natuur? Het zijn vragen die het kader van dit artikel te buiten gaan, maar die wel om nadere uitwerking vragen, ook om in het denken en doen over armoede verder te komen dan charitatieve hulpverlening.

Panningen, 17 juni 2021
Raf Janssen

Nominaties Ab Harrewijn Prijs 2021 bekend

logo ahp roodDe Ab Harrewijn Prijs is sinds 2002 actief. Elk jaar worden vijf initiatieven van onderop voor mensen met een nood beloond met een nominatie en een geldbedrag. De Ab Harrewijn Prijs 2021 wordt normaal elk jaar uitgereikt op 13 mei, de sterfdag van Ab Harrewijn, politicus en dominee. Plaats van uitreiken is de laatste jaren de Pauluskerk in Rotterdam. Vanwege de coronabeperkingen is de uitreiking dit jaar verplaatst naar zaterdag 18 september.

Lees meer

Recent onderzoek over het sociale vangnet

Door Hub Crijns, oud-directeur landelijk bureau DISK

Klik hier om dit artikel te downloaden als pdf-document.

In mei en juni 2021 kwamen twee onderzoeken uit, die zicht geven op de mensen die in 2020 een beroep moeten doen op de algemene bijstand, of die dat om allerlei redenen niet willen of kunnen doen. Niet verrassend is dat door de coronacrisis het beroep op de algemene bijstand in 2020 is gestegen. Wel verrassend is dat ondanks die crisis ruim 170.000 huishoudens (dat zijn in feite dus meer mensen) afzien van een beroep op algemene bijstand. Hun overwegingen zijn ondanks hun nood aan inkomen (een kwart heeft zeker geen inkomen) dermate, dat zij afzien van hun recht. Dat is zorgwekkend. Vermoedelijk zijn het de bureaucratische drempels, de wachtperiodes, de dreiging van naheffing in de toekomst, en het wantrouwen, de sancties en straffen, die huishoudens er van weerhouden om hun recht op bestaanszekerheid te gaan invullen. Ruim tien jaar ervaring met de Fraudewet heeft de beschermende functie van de overheid blijkbaar een forse deuk gegeven.

1. Divosa Benchmark Werk & Inkomen 2020

Divosa benchmarkt infographic 2020In mei 2021 is de eerste editie van de Divosa Benchmark Werk & Inkomen verschenen. Daarin staan de belangrijkste bijstandscijfers van 2020. In deze editie van de benchmark is er natuurlijk veel aandacht voor de gevolgen van de coronacrisis. Nadat de afgelopen drie jaar het aantal mensen in de bijstand landelijk daalde, steeg dit aantal in 2020 met 3,4%.
Klik hier voor het onderzoek.

De cijfers van 2020

Eind december 2020 hadden 429 duizend personen tot de AOW-leeftijd een algemene bijstandsuitkering. Dit zijn er ruim 14.000, oftewel ruim 3 procent meer dan een jaar eerder. Het is voor het eerst sinds 2016 dat het aantal bijstandsontvangers in een jaar per saldo is toegenomen. Onder jongeren tot 27 jaar was de toename relatief het sterkst, maar ook weer de afname.
Eind 2020 is 54% van de bijstandsgerechtigden 45-plusser. In die groep vallen ook de 65-plussers die door het verschuiven van de pensioengerechtigde leeftijd langer op bijstand aangewezen zijn. Inmiddels maken zij 3% van het bestand uit. Een kleine 10% van de bijstandsgerechtigden is onder de 27 jaar. Ten opzichte van 2019 is er een lichte toename in het aandeel jongeren tot 27 jaar. Jongeren waren zowel bij de instroom vanaf maart als (snelle) uitstroom na juni sterk vertegenwoordigd, waardoor hun aandeel in het bijstandsbestand per eind 2020 niet zoveel is gestegen. De overige 37% is tussen de 27 en de 45 jaar.
In totaal 74% van de gemeenten ziet het bijstandsbestand stijgen. In gemeenten met meer dan 100.000 inwoners is de stijging met 4,0% het grootst. In gemeenten met minder dan 50.000 inwoners is de stijging met 2,0% het kleinst.
De instroom in de bijstand bedraagt in 2020 30,5%. De uitstroom uit de bijstand is in 2020 36,7%. Het beroep op de algemene bijstand stijgt in 2020 per saldo met 3,4%.
Van de uitstroom uit de bijstand gaat 35,6% naar betaald werk en 6% van de uitstroom gaat (weer) naar school.
Van de uitstroom uit de bijstand komt 7,8% door handhaving (de mooie naam van fraudebestrijding of strafkortingen). Als bijstandsgerechtigden de aan hen opgelegde verplichtingen niet nakomen, kunnen gemeenten hun uitkering korten. Dit heet een maatregel of een sanctie. Het aantal maatregelen in 2020 is 2,5% van het totaal aantal bijstandsuitkeringen. In 2019 ging het nog om een percentage van 3,9%. De overgrote meerderheid van de maatregelen (79,6%) wordt opgelegd voor het niet voldoen aan de arbeidsplicht. Dit is een daling ten opzichte van 2019. Toen lag dit percentage nog op 92%. Bij 8,7% gaat om gerelateerde verplichtingen, zoals het niet nakomen van de afspraken die gemeenten en bijstandsgerechtigden hebben gemaakt in het plan van aanpak. Of het niet zoeken naar werk of scholing in de verplichte zoekperiode voor jongeren tot 27 jaar. 1,6% van de maatregelen is opgelegd vanwege agressie. Bij 0,8% van de maatregelen is de oorzaak het niet of onvoldoende nakomen van de Wet Taaleis Participatiewet. In 2020 constateren gemeenten bij 5,5% van hun bijstandsbestand dat de bijstandsgerechtigde de inlichtingenplicht heeft overtreden. Dit is een daling ten opzichte van 2019. In 2019 lag dit percentage op 7%. De daling is toe te schrijven aan de coronaomstandigheden, die controle via huisbezoeken hebben bemoeilijkt.
Het percentage bijstandsgerechtigden met een ontheffing van sollicitatieplicht is 10%. De overgrote meerderheid (81%) van de mensen met een ontheffing heeft die eind 2020 vanwege een ‘dringende reden’. Het gaat hier om mensen die tijdelijk niet kunnen werken, bijvoorbeeld vanwege persoonlijke omstandigheden zoals mantelzorg of ziekte. 14% van de ontheffingen is voor mensen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, 5% voor alleenstaande ouders met een kind onder de 5 jaar. Het percentage bijstandsgerechtigden met een ontheffing vanwege arbeidsongeschiktheid is in de afgelopen vijf jaar toegenomen van 2% tot 14%. Dit kan samenhangen met de instroom van mensen in de bijstand die eerder onder de Wajong vielen. Ook hebben verschillende gemeenten in de afgelopen jaren met een lagere instroom de ruimte gehad om het arbeidsvermogen van de mensen die al langer in hun bijstandsbestand zitten in kaart te brengen.
Het percentrage bijstandsgerechtigden dat parttime werkt is 7,6%. Het gaat meestal om een kleine deeltijdbaan. Bijstandsgerechtigden met inkomsten uit werk verdienen in 2020 gemiddeld 585 euro per maand. Omdat deze bijstandsgerechtigden daarmee niet het sociaal minimum verdienen, vult de gemeente hun inkomsten aan tot de bijstandsnorm.
Het percentage mensen met loonkostensubsidie (mensen met een baan waarbij de werkgever subsidie ontvangt in de loonkosten) afgezet tegen het bijstandsbestand is 5,4%. Mensen met een loonkostensubsidie zitten niet in de bijstand, tenzij ze parttime werken en minder dan de bijstandsnorm verdienen. Onder personen met een loonkostensubsidie vallen ook mensen die beschut aan het werk zijn.
Ruim 59% van de mensen met een bijstandsuitkering heeft die uitkering eind 2020 langer dan drie jaar. Na drie jaar in de bijstand is de kans op uitstroom sterk afgenomen. De gemiddelde verblijfsduur in de uitkering van alle bijstandsgerechtigden is eind 2020 ruim vijf jaar
(64 maanden).

2. Niet-gebruik van de algemene bijstand

infographic niet gebruikDe algemene bijstand (Participatiewet) is het laatste inkomensvangnet dat we in Nederland hebben en is daarom van cruciale betekenis bij het garanderen van bestaanszekerheid en het voorkomen van armoede. Dit doel komt onder druk te staan wanneer rechthebbenden geen gebruik maken van hun recht op algemene bijstand. De Inspectie SZW heeft met behulp van analyse van CBS-microdata onderzoek gedaan naar de omvang van het niet-gebruik van de algemene bijstand per 1 januari 2018 en de achtergrondkenmerken van deze niet-gebruikende huishoudens. Het Inspectie SZW rapport ‘Niet-gebruik van de bijstand – Een onderzoek naar de omvang, kenmerken, langdurigheid en aanpak’ is half juni 2021 naar de Tweede Kamer gestuurd.
Klik hier voor het rapport.

De cijfers rond niet-gebruik

Dit onderzoek loopt wat cijfers betreft ruim twee jaar achter op de werkelijkheid. Het is goed om ons dit te realiseren. Het onderzoek heeft uit de beschikbare CBS-data per begin 2018 geconstateerd, dat er in totaal 490.000 huishoudens zijn, die recht op bijstand hebben. Zo’n 170.000 huishoudens maken geen gebruik van de bijstand terwijl ze daar wel recht op hebben. Ruim 320.000 doen wel beroep op de algemene bijstand. De Inspectie SZW trekt uit het onderzoek de volgende conclusies:

  • 170.000 (35%) huishoudens maken geen gebruik van algemene bijstand terwijl ze er wel recht op hebben. 320.000 (65%) huishoudens doen dat wel.
  • Een kwart van de niet-gebruikende huishoudens heeft geen inkomen.
  • De groep niet-gebruikers met inkomen is bij de gemeenten niet altijd in beeld als risicogroep.
  • Er is bij gemeenten relatief weinig aandacht voor niet-gebruik van de algemene bijstand.
  • De aanpak van gemeenten op niet-gebruik algemene bijstand lijkt vooral gericht te zijn op informatieverstrekking; soms worden niet-gebruikers wel proactief opgezocht.
  • In de aanpak ervaren gemeenten de volgende obstakels: identificeren van niet-gebruikers is lastig in relatie tot privacywetgeving (AVG), Participatiewet is ingewikkeld door verschillende beleidsterreinen en afbakeningen, en de verplichte zoekperiode voor jongeren speelt een rol.
  • Inkomen ten opzichte van bijstandsnorm is de sterkste voorspeller van niet-gebruik.
  • Niet-gebruik is fors hoger naarmate het inkomen stijgt ten opzichte van de bijstandsnorm.
  • Niet-gebruik is het hoogst bij jongeren onder de 27 jaar en daalt bij het oplopen van de leeftijd.
  • Niet-gebruik is hoog onder Europese migranten.
  • Niet-gebruik is het hoogst onder zelfstandigen.
  • Van de totale groep niet-gebruikers is 33% langdurig niet-gebruiker (langer dan 1 jaar). Zij zijn ouder en hebben vaker een inkomen dan de totale groep niet-gebruikers.

Samenvatting van de belangrijkste resultaten

Het onderzoek heeft uit de beschikbare CBS-data per begin 2018 geconstateerd, dat er in totaal 490.000 huishoudens zijn, die recht op bijstand hebben. Op 1 januari 2018 telde Nederland 170 duizend huishoudens die waarschijnlijk recht hadden op algemene bijstand en hier geen gebruik van maakten, dit komt neer op circa 35% van de rechthebbende huishoudens. Een derde van de groep niet-gebruikende huishoudens heeft in het geheel geen of een zeer beperkt (geregistreerd) inkomen, tot maximaal 20% van de bijstandsnorm. De grootste groep niet-gebruikers, twee op de drie, betreft dus huishoudens met een inkomen tussen 20% en 100% van deze norm. De rechthebbende groep met inkomen heeft recht op een gedeeltelijke uitkering die het inkomen aanvult tot de norm. Van alle onderzochte kenmerken hangt de hoogte van het inkomen het sterkst samen met het niet-gebruik van de bijstand: niet-gebruik neemt duidelijk toe naarmate huishoudens een hoger inkomen ten opzichte van de bijstandsnorm hebben. Verder geldt dat indien er sprake is van een inkomensbron, het niet-gebruik het hoogst is onder zelfstandigen. Ook leeftijd is een sterke voorspeller van niet-gebruik. Niet-gebruik is het hoogst onder jongeren tot en met 26 jaar en neemt af naarmate de rechthebbende een hogere leeftijd heeft. Daarnaast constateert de Inspectie een hoge kans op niet-gebruik onder thuiswonende meerderjarige kinderen en personen met een Europese migratieachtergrond. Tot slot, onder jongeren tot en met 26 jaar, thuiswonende kinderen, personen met een Europese migratieachtergrond en zelfstandigen bevinden zich naar verhouding veel niet-gebruikers met weinig tot geen inkomen.
De Inspectie heeft ook onderzocht in welke mate er sprake was van langdurig niet-gebruik. Daarvoor is gekeken of personen die per 1 januari 2018 niet-gebruiker zijn ook niet-gebruiker waren op 1 oktober, 1 juli en 1 januari 2017. Dit levert een indicatie op van de personen die gedurende een jaar vóór het peilmoment ook niet-gebruiker zijn, oftewel langdurig niet-gebruikers. Een derde van de niet-gebruikers op 1 januari 2018 is langdurig niet-gebruiker, dit betreft 65 duizend personen. Het hebben van een te hoog inkomen is de belangrijkste reden waarom men een jaar voor 1 januari 2018 nog geen recht had op bijstand. Van de groep langdurig niet-gebruikers groep hadden 20 duizend personen geen inkomen of slechts een inkomen tot 20% van de bijstandsnorm. Het aandeel ouderen is hoger onder de groep langdurig niet-gebruikers in vergelijking met de totale groep niet-gebruikers. Ook het aandeel personen met kinderen is hoger. Tot slot is het aandeel personen met een inkomen hoger onder de groep langdurig niet-gebruikers, met uitzondering van het aandeel personen met een inkomen vlak onder de bijstandsnorm.

Gemeenten kennen deze mensen nauwelijks of niet

De gesproken gemeenten geven aan geen tot weinig zicht te hebben op de omvang van niet-gebruik van de bijstand binnen hun gemeente. De aanpak van niet-gebruik bij deze gemeenten beperkt zich tot informatieverstrekking, grotendeels door het delen van informatie op hun website. Burgers worden in de meeste gesproken gemeenten niet actief benaderd. Hier lijken meerdere redenen aan ten grondslag te liggen. Niet-gebruik van de bijstand heeft tot nu toe nauwelijks beleidsaandacht gekregen binnen gemeenten: gemeenten zetten in op mensen uit de bijstand krijgen. In sommige gemeenten worden acties ingezet om (potentieel) niet-gebruikers op te sporen, bijvoorbeeld door samenwerking met het UWV, woningbouwverenigingen en energieleveranciers waardoor potentiële niet-gebruikers bij gemeenten in beeld komen.
Naast dat de gesproken gemeenten aangeven weinig aandacht te hebben voor niet-gebruik noemen ze zelf drie belemmeringen in de aanpak van niet-gebruik: 1) De komst van de privacywet AVG heeft het moeilijker gemaakt niet-gebruikers te identificeren en bereiken. 2) De Participatiewet wordt soms als ingewikkeld ervaren waardoor voorlichting lastig is en het niet gemakkelijk is integraal met professionals op aanverwante terreinen samen te werken. 3) De zoekperiode voor jongeren is risicovol omdat daardoor jongeren uit beeld kunnen verdwijnen.
De meeste gemeenten schatten in dat binnen hun gemeente met name jongeren en mensen met een westerse migratieachtergrond een hoog niet-gebruik kennen. Een beperkter deel van de gemeenten noemt de mensen die bewust afzien van hun recht op bijstand, mensen met een inkomen en zelfstandigen als mogelijke niet-gebruikers. Deels komt het beeld bij gemeenten zelf van de groepen met een verhoogde kans op niet-gebruik overeen met de bevindingen uit de data-analyses, hoewel het zicht op deze groepen zeker niet bij alle gemeenten afdoende is om het niet-gebruik gericht tegen te kunnen gaan.

 

Minima 2022

Bespreking van het boek 'De achterblijvers'

Klik hier om dit artikel te downloaden als pdf-document.

de achterblijvers

In 1987 was ik redacteur van een bundel portretten van 22 krachtige mensen die ondanks hun persoonlijke capaciteiten de grootste moeite hadden om een leefbaar bestaan op te bouwen en vast te houden. Het boek werd destijds uitgegeven door de ‘Commissie Oriënteringsdagen voor problemen van maatschappelijke achterstelling’ onder de titel Minima 2000; losse eindjes aan elkaar knopen. De losse eindjes waar in de titel van het boek gesproken werd, hadden niet alleen betrekking op de moeite die de geportretteerde minima hadden om rond te komen, maar hadden ook en met name betrekking op wegen en aanzetten die deze minima, vaak uit nood geboren, creëerden naar een ecologisch alternatief voor de markteconomie die hen te weinig ruimte bood om een fatsoenlijk en zinnig bestaan op te bouwen. Het boek over deze minima was een van de activiteiten waarmee genoemde commissie aandacht vroeg voor de positie van lage inkomensgroepen in Nederland. De intentie waarmee dit gebeurde staat kort vermeld in de inleiding: “Geprobeerd wordt tegels te lichten waaronder maatschappelijke mechanismen schuil gaan die maken dat honderdduizenden mensen momenteel in een ondermaatse sociale en ekonomische positie gehouden worden. De Commissie heeft geleerd haar vertrekpunt daarbij te zoeken in de dagelijkse werkelijkheid van mensen. Die werkelijkheid en de verschuivingen die zich daarin voordoen geven haarscherp aan dat de huidige maatschappij midden in een ingrijpend veranderingsproces zit. Het ekonomisch systeem is zich drastisch aan het wijzigen en dikteert ook aan andere levensterreinen een nieuwe koers. Menigeen is geneigd daar ongedwongen in mee te gaan, als ware het een vanzelfsprekendheid of onontkoombaarheid. De gedwongen werkelijkheid en bittere waarheid van de minima kunnen deze verwachte of gedachte maatschappijontwikkeling mogelijk in een ander daglicht stellen. Regeren is vooruitzien en vanuit dat idee worden veel beleidsadviezen en toekomstontwerpen geschetst. De werkelijkheid van onder-op komt daarbij vaak niet door en er voltrekken zich maatschappelijke diskussies waarin de waarheid van de minima niet eens op tafel komt. Deze publikatie wil daaraan enig tegenwicht bieden door een licht te laten schijnen op maatschappelijke ontwikkelingen vanuit een ‘objectieve vooringenomenheid’ met de belangen van de minima.” (Minima 2000, 1987, p. 7).

In gesprek met zes personen uit de lagere middenklasse

Zorgen dat de ergerlijke waarheid van de minima op tafel komt en een rol gaat spelen in het maatschappelijke debat over de inrichting van de samenleving. Dat is ook de insteek van het boek dat onlangs door de Vlaamse socioloog Geert Schuermans is uitgebracht onder de titel De achterblijvers. Hoe de vloer onder de lagere middenklasse wegzakt. (Epo, Berchem, 2021). Schuermans laat in zijn boek enkele personen aan het woord uit de heel omvangrijke “stille groep die niet meesurft op de voorspoed van het voorbije decennium. Mensen die misschien niet in armoede leven, hard moeten vechten om het hoofd boven water te houden, maar door één tegenslag in de problemen geraken.” (p. 9) Met veel zorg heeft Schuermans zes personen uitgekozen die hij in zijn boek presenteert. Het zijn mensen die zichzelf niet meer willen ‘wegsteken’ en die Schuermans als gegoede middenklasser helpen diens schroom te overwinnen om deze mensen aan het woord te laten.

Sofie, de vrouw van veertig die zich van de laatste spaarcenten omgeschoold heeft tot medical management assitant, geen werk kan vinden omdat er Frans gesproken wordt in het lokale ziekenhuis, een tijdlang gezorgd heeft voor een zieke zoon en nu door de uitkeringsinstantie weer achter de vodden gezeten wordt om weer zo snel mogelijk aan het werk te geraken.
Eliza, de vrouw van vijfenveertig die vanwege een scheiding als het ware uit de welvaart gevallen is. Ze is kleuterleidster, maar al geruime tijd ziek. De uitkeringsinstantie wil dat ze terug gaat werken, maar zij kan dat niet. Het gevoel van kwetsbaarheid wordt versterkt door het huis dat ze bij haar scheiding moest kopen en dat veel gebreken vertoont, terwijl ze het geld niet heeft die te herstellen.
Koen, ook een veertiger, die zijn kost verdient als klusjesman, omdat hij zijn vast werk niet kon combineren met de zorg voor de kinderen die hij op zich nam na de scheiding. Nu ervaart hij dat “ge als zelfstandige keihard moet werken om op het einde van de maand niets over te houden”. (p. 19)
Amin, een Marokkaanse man van vierendertig, die in het laatste jaar van zijn opleiding tot sociaal-cultureel werker vol ambitie is om hier een goede job te vinden en intussen zich in leven houdt met een baantje in een winkelcentrum; die geen uitkering wil aanvragen, omdat hij vindt dat hij zijn geld zelf moet verdienen.
Kurt, die met z’n zestiende van school ging zonder diploma en sindsdien werk zoekt waarin hij zich thuis kan voelen; dat heeft hij nu in een drukkerij, maar daar moet hij wel ver voor reizen sinds het bedrijf na een fusie verplaatst is. Hij is getrouwd met Cindy, die altijd als poetsvrouw heeft gewerkt, maar nu al twee jaar vanwege mentale en fysieke problemen een ziekte-uitkering krijgt. Het echtpaar is ondanks een redelijk inkomen door pech in de schulden geraakt en na lang aarzelen zitten ze inmiddels in de schuldbemiddeling.

Met deze vijf mensen heeft Schuermans gedurende een jaar een aantal gesprekken gevoerd. Daarin kwamen vijf thema’s vaak terug en deze heeft hij in aparte hoofdstukken in het boek uitgewerkt: de waarde van werk, politiek, identiteit, ecologie en veerkracht.

De waarde van werk

Koen, de klusjesman, vertelt met de trots van een ambachtsman over het werk dat hij met zijn eigen handen verricht, ook al krijgt hij daar minder voor betaald dan menigeen die gestudeerd heeft ontvangt voor werk dat vaak maatschappelijk gezien overbodig is en daarom door de onlangs overleden antropoloog Graeber is aangeduid met de term onzinbanen, bullshitjobs. Amin, die als sociaal werker omgaat met kwetsbare mensen, is eveneens een ambachtsman die waardevol werk verricht en daarnaast zijn kost moet zien te verdienen met een baantje in een supermarkt. Sofie die zonder werk zat, is trots dat ze door het uitzendbureau uit een grotere groep sollicitanten is geselecteerd voor werk in een callcenter op basis van weekcontracten. Deze onzekere uitzendjob is van grote waarde voor Sofie, die zich daardoor meer voelt dan niet-productieven die een uitkering krijgen zonder ervoor te werken. Enige tijd later is Sofie vanwege de coronacrisis ontslagen. Ook Eliza, de kleuterjuf, vertelt met liefde over haar vak, dat ze steeds moeilijker als vakvrouw kan uitoefenen zoals zij vindt dat het hoort, vanwege het administratief gedoe er rondom heen. Kurt en Cindy, het echtpaar dat in de schuldsanering zit, is trots dat hun zoon zelf het geld verdiend heeft om mee te gaan op schoolreis en van zijn verdiensten als jobstudent zelfs iets afgeeft voor het huishouden als dat nodig is. Ook dat geeft een speciale waarde aan dat werk. Tussendoor komen korte beschouwingen van wetenschappers als Sennet, Graeber, Sandel, Mazzucato die uitdrukking geven aan de gevoelens die leven bij mensen met wie Schuermans gesprekken heeft gevoerd. “Alleen hebben zij niet de woorden om dat gevoel uit te drukken. Dat leidt tot boosheid en een gevoel van minderwaardigheid. Als ik [=Schuermans, RJ] dit politiek vertaal, ligt hier een boulevard aan kansen voor links. In plaats van rechts achterna te hollen in flinks beleid, zou het beter ongegeneerd in nieuwe vormen van volksverheffing investeren. Bevestig de groep gewone mensen in hun frustratie en leer hen tegelijk de taal om samen een correcter en rechtvaardiger verhaal over onze economie te vertellen.” (p. 61)

Over de politiek

De coronacrisis blijkt grote gevolgen te hebben voor mensen als Sofie, Eliza, Koen, Amin, Kurt en Cindy. Geen computers of oude afdankers die niet geschikt zijn om digitaal te werken. Of slechts een computer voor drie kinderen die alle drie digitaal les moeten volgen. Geen opdrachten en weinig notie van ondersteuningsmaatregelen van de overheid, waarvan ze overigens weinig moeten hebben: “Wat gaan die mannen voor mij doen? Niks toch! Terwijl zij bezig zijn, blijven mijn rekeningen komen, hoor, dat maakt allemaal niks uit. Voor ons gaat het leven gewoon door. Regering of niet. Politiek, nee, dank u wel!” (p. 73) Sofie die blij was met haar interimbaantje maar intussen alweer ontslagen is, neemt het de politiek kwalijk dat ze niks doen voor flexwerkers. Ze is boos dat de overheid zelf misbruik maakt van mensen zoals zij. En Cindy ziet hoe mensen zoals zij moeten sappelen voor een schamel inkomen, terwijl politiekers bakken geld verdienen. Zij vindt het zakkenvullers. “Wij maar geld inleveren en zij incasseren. Ik wil ook wel 5.000 euro in de maand om niks te doen. Hoe kunnen die nu beslissingen over ons nemen?” (p. 90) Amin is milder over het politiek systeem van België, omdat hij het vergelijkt met Marokko. Wat België wel van Marokko kan leren is het opkomen voor elkaar, elkaar helpen. Dat gebeurt in Marokko vaak noodgedwongen, terwijl in België meer naar de staat en de politiek gekeken wordt als er hulp nodig is.

Over identiteit

Concrete voorvallen die zich voordoen in de huishoudens van de personen waarmee Schuermans in gesprek is, laten zien hoe moeilijk het met name voor kinderen is om zich goed te ontwikkelen. Financiële en andersoortige onzekerheid veroorzaken stress bij kinderen en een machteloos gevoel van tekortschieten bij ouders, die goede ouders willen zijn en hun kinderen willen helpen. Om de ongerijmdheden die veroorzaakt worden door armoede en onzekerheid aan de kaak te stellen, gaan geen grote groepen mensen uit solidariteit de straat op, terwijl arme huishoudens dat wel zien gebeuren als er bijvoorbeeld iets gebeurt met een zwarte man in de Verenigde Staten. Sofie kan er boos om worden: “Die hebben daar allemaal makkelijk protesteren. Hoeveel van die blanke betogers in Brussel zouden er in een wijk als de mijne wonen? Niet veel, denk ik.” (p. 105) Intussen is het inkomen van Sofie door het verlies van haar flexbaantje zo klein geworden dat ze aangewezen is op de voedselbedeling. Haar boosheid over het niet kunnen vinden van werk richt zich op de vluchtelingen van wie zij vindt dat die veel te gemakkelijk worden binnengelaten in België. “Ons land kan dat niet aan. Je kunt maatregelen nemen zoveel je wil, je gaat hen toch niet allemaal aan het werk krijgen. Dat gaat ten koste van Vlamingen zoals ik. Jij kunt niet begrijpen hoe frustrerend dat is.” (p. 109) Amin, de man uit Marokko, lijkt de coronacrisis goed door te komen: hij houdt zijn baan in de supermarkt en rondt zijn studie af. De gesprekken leren Schuermans om anders te denken over identiteit: mensen hebben niet één maar vele identiteiten. “In die zin zijn identiteiten hersenspinsels waar we ons graag, of minder graag mee vereenzelvigen. Amin wil geen nieuwkomer zijn, maar een gediplomeerd sociaal werker. Koen ziet zichzelf als een kundig loodgieter, Sofie is graag Vlaming, terwijl Eliza alleen haar rol van mama wil spelen. Zij zijn al die dingen, en niet alleen de achterblijvers in onze economische ratrace, zoals ik hen eerst bejegende. Misschien wel het belangrijkste dat ik bij het schrijven van dit boek geleerd heb om de mensen te zien en te aanvaarden in alles wat ze zijn: het mooie en het lelijke, het sterke en het kwetsbare, het lichte en het zware.” (p. 115) Amin is heel genuanceerd over racisme: “Ik keur het racisme van de witte bevolking hier niet goed, maar ik weet dat het iets is dat onder foute omstandigheden in ons allemaal zit.” (p. 117) Schuermans is het daar niet mee eens. Als socioloog weet hij dat er sprake is van structureel racisme. Maar hij aarzelt om het gesprek daarover met Amin aan te gaan, net zoals hij in meer gesprekken nalaat om meningen en ervaringen van zijn gesprekspartners te confronteren met feiten en inzichten die hij als socioloog heeft opgedaan.

Over ecologie

Koen, de klusjesman, houdt van de natuur en is net op vakantie geweest. Amin probeert aan de slag te komen als welzijnswerker nu hij zijn studie heeft afgerond. Hij is degene die zich zorgen maakt over de klimaatverandering: “Eigenlijk zouden we onmiddellijk moeten stoppen met dit economisch systeem dat onze planeet uitbuit.” (p. 137) Hij wil daar ook persoonlijke consequenties uit trekken voor zijn manier van leven. Aan Schuermans is dat niet besteed: in het sociaal beleid en het milieubeleid is sprake van “hemeltergend moralisme dat individueel gedrag, tegen de feiten in, als oorzaak van een probleem bestempelt (…)Armoede wordt een kwestie van morele schuld. Hoe verzeil je in armoede? Door niet te willen werken, door geen Nederlands te leren, door liever drugs te nemen … Zo voelen mensen die het beter hebben zich verheven en weigeren ze elk herverdelend debat.” (p.139) Die mensen hebben geen idee van de dagelijkse werkelijkheid van mensen zoals Eliza en haar drie kinderen, die constant kampen met problemen, die het gevoel hebben zich te moeten verantwoorden naar anderen voor alles wat bij hen niet op rolletjes loopt, die het allerliefste zouden hebben dat bij hen ook alles normaal zou zijn, die zich best druk willen maken over het milieu als ze daar het geld voor hadden. Sofie die weer werkloos is na een paar maanden flexwerk, ervaart dat juist mensen met een laag inkomen de dupe zijn van het milieubeleid. “Ze hebben geen geld om bijvoorbeeld zonnepanelen te kopen en profiteren niet van gunstige fiscale regimes. Tot slot worden ze in verhouding harder getroffen door allerlei milieubelastingen. De vervuiler betaalt, ongeacht hij sterke dan wel zwakke schouders heeft.” (p. 146) Ze geeft daar met name de linkse partijen de schuld van. Voor Kurt en Cindy, het echtpaar dat in de schuldsanering zit, is de kalmerende kracht van de natuur een tegenwicht voor het dagelijkse gevecht om het hoofd boven water te houden. Tegelijk maken ze zich boos over het verbod om met hun oude wagen de stad in te rijden, tenzij ervoor betaald wordt: “die lage emissiezone is er om de kas te vullen. Zeg dat gewoon, en geef mij niet het gevoel dat ik hier de vervuiler ben.” (p. 152)

Over veerkracht

De sterken vinden dat zij hun problemen aanpakken en dat mensen die achterblijven beter hun best zouden moeten doen. Schuermans stelt vast dat dit de gangbare benadering is geworden en dat die nadruk op individueel gedrag op een handige manier het systeem buiten zicht houdt. “Die manier om naar de werkelijkheid te kijken vormt een enorme rem op sociale verbetering.” (p. 156) Door de corona wordt de situatie van mensen die al slecht zaten nog slechter. Amin die intussen een deeltijdjob heeft als maatschappelijk werker merkt dat, niet alleen in dat werk, maar ook in de supermarkt waar hij deeltijds is blijven werken. Sofie is een voorbeeld van iemand die het slecht heeft en vanwege geldgebrek continu leeft in een ziekmakende stress. Zij mixt haar persoonlijke problemen met die van de wereld tot een giftige cocktail, die boosheid op linkse partijen teweegbrengt en haar doet kiezen voor personen en partijen aan de rechterkant van het politieke spectrum. Naar aanleiding van haar situatie komt Schuermans tot de volgende conclusie: “Als we werkelijk bekommerd zijn over het algemene welbevinden van mensen, moeten we het misschien wat minder over ‘zelfzorg’ en wat meer over ‘klasse’ hebben.“ (p. 163) Sofie moet haar autistische zoon terug in huis opnemen. Een goed voorbeeld van zelfzorg? Helemaal niet. Het is dwang vanwege geldgebrek. Het zou veel beter zijn voor zoon en moeder als ze gescheiden zouden kunnen blijven wonen en de zoon goede begeleiding kreeg. Dat kost geld, eigen bijdragen, en dat geld is er niet. Koen, de klusjesman, zit ook in de stress omdat het huis waarin ze wonen verkocht wordt en ze een ander onderkomen moeten zien te vinden. Financiële problemen bepalen ook het leven van Kurt en Cindy, hoewel ze dat eigenlijk niet willen en blij zijn dat ze elkaar en de kinderen hebben. Kurt is daar open over: “Dat raakt mij, zeker als ik zie wat het met mijn vrouw en kinders doet. Maar je kunt moeilijk vijf jaar lang met een vies gezicht rondlopen. Daar word je ziek van en dat wil ik niet. Daarom pak ik vandaag zoals het komt. Is het goed? Fijn. ’t Is een schone dag. Is het slecht? Ga dan slapen. Morgen gaat het waarschijnlijk beter.” (p. 176) Anders dan de veerkracht van de sociale-sector-industrie kenmerkt Schuermans deze houding van Kurt en de andere gesprekspartners als echte veerkracht: “Na elke tik die ze krijgen – en dat zijn er veel – krabbelen ze recht en gaan ze weer door. Wat zouden ze anders? Ze zijn op zichzelf aangewezen. Daar koesteren ze geen enkele illusie over.” (p. 178) 

Afscheid

Aan het einde van het boek laat Schuermans zijn gesprekspartners nog eens aan het woord, waarbij hun toekomstverwachtingen aan de orde komen. Amin is vol vertrouwen dat hij het gaat redden in het sociaal werk. Eliza tobt over een zoon die een zelfmoordpoging heeft gedaan. Het heeft erg veel moeite gekost om passende hulp geregeld te krijgen. Zelf moet ze binnenkort opgenomen worden in een psychiatrische instelling. Koen zit inmiddels goed in de opdrachten en er komt voldoende geld binnen. Dat geeft ruimte om zich bezigt te houden met de toekomst van zijn kinderen. Hij kan een vaste baan krijgen bij een gemeente, maar weet nog niet of hij daarvoor kiest. Kurt sukkelt nog steeds met zijn hernia, ondanks dat hij daar intussen aan geopereerd is. Hij zit inmiddels al enkele maanden ziek thuis. Daardoor hebben ze minder inkomen, maar vanwege de schuldbemiddeling blijft het leefgeld hetzelfde. Alleen zal de aflossing van de schulden wat langer duren. Voor Sofie zijn de vooruitzichten niet zo rooskleurig. Zij is een van de vele mensen in deze samenleving die op de rand balanceren of erover getuimeld zijn. Voor de lagere inkomensgroepen lijkt de bodem eruit te vallen. Sofie is in de armoede gekukeld en ondanks al haar inspanningen slaagt ze er niet in de sociale ladder op te klimmen.

1987 versus 2020

minima 2000De verhalen die minima in 1987 aan mij vertelden en de verhalen die mensen uit de lagere middenklasse in 2020 aan Geert Schuermans vertelden, vertonen veel overeenkomsten: ze laten zien wat mensen overkomt, hoe zij ermee omgaan, maar de verhalen tonen vooral wat er met onze samenleving aan de hand is. Toch is er een groot verschil tussen beide publicaties. Dat is het verschil van 33 jaar waarin de tijdgeest drastisch veranderd is. Van een samenleving waarin de markteconomie in bedwang werd gehouden door sociaal beleid van de overheid, hebben we ons ontwikkeld tot een samenleving die helemaal doortrokken is van de geldeconomie en die stoelt op het mens- en maatschappijbeeld van de zelfbewuste burger die zijn leven zelf in de hand neemt, zijn eigen loopbaan plant, eigen keuzes maakt, zichzelf indekt tegen risico’s. De zes ‘achterblijvers’ die in de publicatie uit 2021 aan het woord komen, staan er alleen voor, zijn op zichzelf aangewezen, moeten hun leven draaiende proberen te houden in hun eentje of als apart gezet huishouden. De minima die in de publicatie uit 1987 aan het woord komen, maakten veelal deel uit van een of meer basisbewegingen die toen actief waren, stelling namen tegen de beginnende afbraak van het sociaal beleid en op zoek waren naar alternatieven voor de ordening van de samenleving die hen aan de kant geschoven had. Een citaat ter illustratie: “Wat mens en maatschappij overkomt roept verontwaardiging op. Velen voelen zich verplicht daartegen stelling te nemen. Iets doen voor de minima, dat spreekt velen aan. Maar die kaarten komen anders te liggen als de minima zélf opstaan en ijveren voor een maatschappij en instituten die ook de húnne zijn. Geen vakbeweging voor de uitkeringsgerechtigden. Geen politiek voor de armen. Geen kerk voor de armen. Wel een vakbeweging van de uitkeringsgerechtigden. Wel een politiek van de minima. Wel en kerk van de armen. Dat is de beweging van onder-op. Ze zet veel kaders onder druk van vernieuwing.” (Minima 2000, pag 167)
De ‘achterblijvers’ uit de jaren tachtig van de vorige eeuw voelden zich verbonden met veel lotgenoten, die elkaar ondersteunden en samen een vuist probeerden te maken richting politiek. Dat maakte veel situaties draaglijk en gaf ook hoop en perspectief op verbetering. En er werden ook verbindingen gelegd tussen basisgroepen in diverse sectoren van de samenleving. Het gevoel deel uit te maken van een collectiviteit, van een groep lotgenoten die elkaar vasthouden en zich samen teweerstellen, ontbreekt bij de achterblijvers die in 2020 vertellen over hun situatie. Toch zijn er in Vlaanderen net als in Nederland en elders in de wereld op veel maatschappelijke terreinen collectieven van burgers actief die een gezamenlijk antwoord zoeken op vraagstukken waar ze tegen aan lopen vanwege ontwikkelingen in de samenleving. Er zijn op talloze plekken burgerinitiatieven en sociale coöperaties actief rond arbeid, zorg, inkomen, identiteit, klimaat. Ook daar zitten mensen bij die gerekend zouden kunnen worden tot ‘achterblijvers’, tot mensen die niet mee kunnen en soms ook niet meer mee willen in de tredmolens van het gangbare. Het boek van Schuermans had aan werkelijkheidswaarde en aan perspectief gewonnen als ook een of twee van zulke ‘achterblijvers’ als gesprekspartner zouden hebben meegedaan. Niettemin blijft het boek ook nu een waardevol document dat én inzicht geeft in het leven dat honderdduizenden mensen in een rijke samenleving moeten leven én dat respect afdwingt voor de wijze waarop deze mensen met hun situatie omgaan. Terecht merkt Schuermans aan het einde van zijn expeditie in het dagelijkse leven van ‘achterblijvers’ op, dat de verhalen van deze mensen die naar de marge van de samenleving gedrukt worden, allerminst marginaal zijn. “Er is weinig dat meer over de kern van de samenleving vertelt dan hoe ze omgaat met diegenen die op de rand balanceren of erover getuimeld zijn.” (p. 206)

Raf Janssen
20 juni 2021

Deel deze pagina via sociale media

logo armoede live 10jaarlater

logo initiatief nu

logo expeditie sociale cooperatie

Adres

t.a.v. Gerard van Santen / Sociale Alliantie
p/a CNV
Postbus 2475
3500 GL Utrecht
Correspondentie per mail heeft de voorkeur:

mailadres2

Volg ons op sociale media