logo-sociale-alliantie6

Over solidariteit gesproken

Klik hier om dit artikel te downloaden als pdf-document.

solidariteitOver solidariteit wordt veel gesproken, en wie zich een beetje verdiept in de betekenissen, komt er al snel vele tegen. Het internet levert meer dan 21 definities op. Volgens Wikipedia is “‘Solidariteit’ het bewustzijn dat alhoewel individuen verschillende taken, interesses en waarden hebben, de orde en samenhang van de maatschappij afhangt van het elkaar kunnen vertrouwen voor het uitvoeren van die specifieke taken. Dit houdt in dat individuen inzien dat het verdedigen of het verder helpen van andermans belangen uiteindelijk in het belang van het individu zelf is. Het kan daarmee bijdragen aan de sociale cohesie.”

Volgens het woordenboek Van Dale is solidariteit “bewustzijn van saamhorigheid en bereidheid om de consequenties daarvan te dragen”, en solidair betekent: “door een gevoel van samenhorigheid verbonden”. Saamhorigheid is “het besef, het gevoel van bij elkaar te horen en elkaar te moeten steunen”. Het woord solidair is afgeleid van het latijnse ‘solidum’, dat dicht, degelijk, stevig kan betekenen, alsook het geheel. Het begrip solidariteit is terug te voeren op het Romeinse recht: in solidum obligare, een term die wijst op de aansprakelijkheid van iedere schuldenaar voor het geheel of het totaal van de schuld. ‘Solidus’ is direct verwant aan het werkwoord ‘solidare’ dat dichtmaken, samenvoegen en versterken betekent. Het werkwoord duidt op het actieve proces, het handelen, waarvan ‘stevigheid’ het resultaat is.

Volgens de digitale lokale encyclopedie verwijst solidariteit naar het idee van saamhorigheid, betrokkenheid bij de strijd of het lijden van anderen. Het begrip kwam in de jaren zestig in zwang bij groepen in het Westen die betrokken waren bij sociale strijd in derdewereld landen. Veel landencomités zijn solidariteitsgroepen die zich verbonden voelen met de democratische oppositie in landen met een onderdrukkend regime.

Het begrip ‘solidariteit’ werd in de Nederlandse politiek tot 1935 niet of nauwelijks gebruikt, ook niet door de sociaaldemocraten. (Zie verder: A.E. Komter (e.a.), Het cement van de samenleving. Een verkennende studie naar solidariteit en cohesie (Amsterdam 2000). En toen ‘solidariteit’ na 1935 wel werd gebruikt, gebeurde dat de eerste twintig jaar eigenlijk vooral in de context van ‘internationale solidariteit’. Pas na 1950 komt ‘solidariteit’ meer voor in politieke praktijken, waarbij men de bereidheid uit om op basis van wederkerigheid en loyaliteit – al dan niet uit welbegrepen eigenbelang – te delen in geld en middelen.

Uit een inleiding over ‘solidariteit’ komt de volgende zin: “Zo onderscheidt men vandaag tussen ‘warme’ en ‘koude’ solidariteit, tussen solidariteit als onderdeel van de rechtvaardigheid, dan wel als ‘het andere’ van de rechtvaardigheid, tussen symmetrische en asymmetrische, expressieve en instrumentele solidariteit, enzovoorts.” En even verderop: “Hoe komt het dat het politiek-ideologische debat over solidariteit gedurende de hele twintigste eeuw beheerst werd door de tegenstelling tussen ‘collectivisme’ en ‘liberaal-individualisme’, zodat de term hetzij door één van de beide kampen werd geannexeerd en bezet, hetzij gepresenteerd moest worden als synthese van deze beide ‘ismen’? (Theo de Wit en Henk Manschot, Solidariteit, Boom , Amsterdam 1999, pag. 9).

Positieve en negatieve verbondenheid

Met ‘solidariteit’ en zijn vele betekenissen gaat een positieve energie mee en een negatieve. (Bij het maken van dit artikel is gebruik gemaakt van een werkpaper van Paul de Beer: http://www.pauldebeer.nl/documenten/papers/wat%20is%20solidariteit.doc.)
In de betekenis van ‘lotsverbondenheid’ is er als eerste een positief aspect: wie solidair is met een ander, geeft om het wel en wee van die ander. Dit impliceert de bereidheid de ander bij te staan of hulp te verlenen indien deze bijstand of hulp nodig heeft. Bij positieve lotsverbondenheid hangt het lot van verschillende groepen of personen juist in positieve zin met elkaar samen: de een heeft baat bij het welbevinden van de ander.
En rond ‘lotsverbondenheid’ is als tweede een negatief aspect te noemen, dat naar voren komt als twee of meer groepen elkaar bestrijden. De ene groep is dan gebaat bij het verlies of de ondergang van de andere groep, een negatieve energie.

Mechanische en organische solidariteit

Emile Durkheim(1858-1917) is de eerste wetenschapper die als socioloog nadenkt over het begrip ‘solidariteit’. Hij onderscheidt op grond van zijn onderzoek van de soorten samenlevingen twee vormen: de mechanische en de organische solidariteit.
De mechanische solidariteit verbindt Durkheim aan de feodale agrarische samenleving met vastliggende standen, normen en waarden. Mensen doen dagelijks hetzelfde, denken en oordelen in gelijke mate en vechten tegen dezelfde natuurelementen om te overleven. Mensen zijn zo aan elkaar gelijk en het individu is afhankelijk van de groep, het individueel bewustzijn gaat op in de groepsidentiteit. In deze traditionele samenleving zijn de meeste families grotendeels zelfvoorzienend en zij dragen een deel van hun inkomsten af aan de hogere standen, die in ruil daarvoor bescherming leveren. In traditionele samenlevingen zijn de mensen niet sterk geïndividualiseerd, zijn sterk meelevend met hun medemens en op veel punten vallen individueel belang en groepsbelang samen. Solidariteit door gelijkenis, door verbondenheid, door samenleven is vanzelfsprekend.
De organische solidariteit verbindt Durkheim met de moderne industriële maatschappijen, waarin mensen door arbeidsdeling hun voortbestaan kunnen regelen. De arbeidsdeling laat mensen meer als aparte individuen functioneren, en maakt tegelijk ieder van ieder afhankelijk. Het eigen specialisme maakt een mens individu, die aan zijn vakvaardigheid individuele identiteit ontleend. Tegelijk is die ene weer afhankelijk van een ander. Zonder de boer geen graan, zonder de bakker geen brood, zonder de metselaar geen huis, zonder de naaister en spinster geen kleding. De vele specialistische functies die mensen vervullen, zijn als de organen van een lichaam die elk afzonderlijk, gescheiden van de rest, niet kunnen functioneren. Maar samen vormen ze een krachtig en levensvatbaar geheel. Deze onderlinge afhankelijkheid en lotsverbondenheid benoemt Durkheim als organische solidariteit.

Bronnen van solidariteit

In de moderne samenleving zien we dat mensen met al hun verschillende levenswijzen, noden en ambities aan de ene kant hun eigen weg zoeken en aan de andere kant in een redelijke mate van orde samenleven. Hoe kan dat? Volgens sociale wetenschappers zijn de mechanismen van ‘solidariteit’ daartoe verantwoordelijk. (zie verder op: http://www.solidariteitdiversiteit.be/uploads/docs/begrippen/bronnen.pdf)

Onder ‘solidariteit’ verstaan we dan de bereidheid om met elkaar te delen en te herverdelen vanuit een gevoel van lotsverbondenheid en loyaliteit. We kunnen materiële middelen delen, maar ook immateriële zaken zoals tijd, ruimte en identiteit. Wat maakt nu dat mensen zich verbonden weten met een gemeenschap? Wat zet mensen aan om te delen en te herverdelen? Uit een zoektocht in de sociologische literatuur komen vier onderscheiden bronnen van solidariteit naar voren: wederzijdse afhankelijkheid, gedeelde waarden en normen, strijd en ontmoeting. Daar zijn uit andere bronnen nog twee aan toegevoegd: kennis en vertrouwen.

De eerste bron voor solidariteit is wederzijdse afhankelijkheid. Dat is het onderliggende samenlevingsproces, dat Durkheim ziet in zowel de mechanische solidariteit van traditionele samenlevingen, als in de organische solidariteit van industriële samenlevingen.

De tweede bron voor solidariteit is te herleiden naar waarden en normen, naar levensbeschouwelijke of ideologische visies. Waarden over de mens, over mensen, over relaties tussen mensen, over het handelen van mensen in verleden, heden en toekomst, leiden tot een soort spelregels, waarin afspraken worden gemaakt voor doen en laten, voor ambities en plichten. Gemeenschappelijke eenheid over een minimum aantal waarden en normen zijn nodig om met zoveel verschillende mensen te kunnen samenleven. Als mensen dus waarden gemeenschappelijk delen, waardoor ze verantwoordelijkheden op zich nemen en verplichtingen (normen) aangaan, ontstaat solidariteit.

De derde bron voor solidariteit is strijd. Strijd gaat om macht: wie heeft het voor het zeggen in de groep, beweging van groepen, het geheel? Daarom ontstaat solidariteit uit strijd. Mensen kunnen samen ten strijde trekken om iets te bereiken, en vormen zo met elkaar sterke vormen van lotsverbondenheid. En die strijdsolidariteit verbindt niet alleen, maar verdeelt tegelijkertijd, sluit anderen uit. In de sociale geschiedenis zijn ideologische tegenstanders geen deel van de groep die solidair is.

Een vierde bron van solidariteit is ontmoeting. Ontmoeting komt tot stand op een microniveau, daar waar mensen elkaar al dan niet toevallig tegenkomen. Het ontmoeten van mensen leidt tot met eigen oren en ogen waarnemen, ervaren van wat het lot of de situatie van een ander is, hetgeen kan leiden tot betrokkenheid, begaan zijn met, in actie komen voor, kortom solidariteit. Op individueel niveau leren mensen via ontmoeting elkaars cultuur, levensbeschouwing of ideologie beter kennen en begrijpen. Dit leidt tot wederzijds
respect en tolerantie, die weer inspiratiebron kunnen zijn voor georganiseerde vormen van solidariteit.

Een vijfde bron van solidariteit is kennis. Het gaat daarbij niet om uitputtende kennis, maar voldoende kennis om een afweging rond risico’s te kunnen maken. Risicofactoren als ziekte, gehandicapt worden, verlies van een partner, overlijden, brand of ongeluk hoeft niet ieder mens uitgebreid te kennen. Evenmin is het gewenst dat er kennis is over wanneer iemand ziek, gehandicapt wordt of overlijdt. Er is een bepaalde ‘sluier van onwetendheid’ nodig omtrent de risico’s die een mens zelf en de anderen lopen. Solidariteit is gebaseerd op een rationele afweging van de kosten en baten van het delen van bepaalde risico’s, en op basis van die kennis kunnen afspraken gemaakt worden.

Een zesde bron van solidariteit is vertrouwen. Vertrouwen als waarde is belangrijk tussen mensen die solidair willen zijn met elkaar. Het is tevens de ondergrond waarop afspraken gemaakt worden. Mensen dienen voldoende vertrouwen te hebben dat de anderen, wanneer men zelf schade leidt, bereid zijn hun solidariteit tot uitdrukking te brengen. En mensen dienen er op te kunnen vertrouwen, dat iemand alleen een beroep doet op solidariteit, als dat echt noodzaak is. Onder de waarde van vertrouwen gaan dus ook andere waarden schuil als wantrouwen, misbruik, meeliften, etc.

Sociale cohesie of samenhang

Wie over ‘solidariteit’ praat, komt al snel ‘sociale cohesie’ tegen. Gevleugeld is de term van Herman Bode, oud vakbondsvoorzitter: ‘solidariteit is het cement van de samenhang’ ofwel datgene wat alles samenvoegt en samenhoudt. Van hier uit bekeken is sociale cohesie een ruimer begrip dan solidariteit, komt er uit voort. Sociale cohesie kan zijn gebaseerd op solidariteit, dat wil zeggen op gevoelens van saamhorigheid, maar dit hoeft niet. Sociale cohesie kan ook het product zijn van zuiver zakelijke en onpersoonlijke relaties. Zo beschouwde Durkheim (1893-1997) de maatschappelijke arbeidsdeling als de belangrijkste bron van sociale cohesie. Het feit dat ieder een eigen taak vervult in de samenleving, waardoor men voor zijn bestaan sterk afhankelijk is van anderen, vormde in zijn visie het ‘cement’ van de samenleving. Je kan daar ook weer anders naar kijken vanuit een meer economisch liberaal perspectief, zoals bijvoorbeeld Adam Smith al ruim een eeuw eerder in The wealth of nations (1776) uiteenzette. Die gespecialiseerde arbeidstaken kan men louter uit eigenbelang uitoefenen, zonder een gevoel van welwillendheid of saamhorigheid jegens degenen aan wie de vruchten van zijn arbeid ten goede komen. Latere economische theorieën leggen uit dat de vrije markt als een soort onzichtbare hand ervoor zorgt dat, als iedereen voor zijn eigen belang zo goed mogelijk zijn best doet, er toch algemeen belang gediend wordt.

Sociaal kapitaal

Een derde begrip, dat al snel opduikt, is dat van ‘sociaal kapitaal’. In de economie zijn arbeid, kapitaal en grondstoffen als productiefactoren benoemd. Arbeid wordt na de jaren zestig al snel vertaald naar menselijk kapitaal, waarbij vooral gekeken wordt naar de cognitieve vaardigheden die iemands productiviteit verhogen (zoals kennis) en grondstoffen naar fysiek kapitaal, dus de hulpmiddelen die iemands productiviteit verhogen. Sociaal kapitaal heeft dan vooral betrekking op de sociale relaties die iemands productiviteit verhogen. Interessant is in deze theorie, dat kapitaal dus de belangrijkste productiefactor wordt gezien, hetgeen overigens geen vreemd iets is in de dominante kapitalistische economie.

Politieke term

In de politiek is het begrip ‘solidariteit’ omstreden. Er staan vaak twee vormen van levensbeschouwing of ideologie of economie tegenover elkaar, zoals we eerder al zagen: de meer collectieve, sociale of communautaire en de meer individuele, liberale of kapitalistische. De eerste visie gaat er van uit dat solidariteit de cohesie en stabiliteit van een samenleving bevordert, doordat zij de gemeenschapszin stimuleert. Beslissingen worden altijd op grond van groepen genomen. Het individu maakt deel uit van groepen, draagt bij aan het geheel en kan daartoe ook verplicht kan worden. Op grond van deze visie zijn veel sociale wetten tot stand gekomen.
De tweede visie stelt dat het individu voorop gaat en dat overwegingen van solidariteit altijd op persoonlijke gronden worden genomen. De tweede visie verwoordt dat groepsbeslissingen, vooral de bij wet verplichte, de autonomie van de mens of het individu geweld aandoen. Hier kan als mening verwoord worden dat gedwongen solidariteit een contradictie in terminis (een tegenspraak in het begrip) is en dat belastingheffing of verplichte belastingbetaling wettelijk georganiseerde diefstal is.

Solidariteit als houding

Bij de gevonden definities vinden we al snel dat solidariteit verwijst naar een houding of attitude van mensen. Solidariteit als houding of attitude kan worden omschreven als het gevoel of het besef van positieve lotsverbondenheid met anderen. Het gevoel en besef duiden er op dat solidariteit een ‘richting’ heeft. Uit de politieke stromingen wordt duidelijk dat die richting eenzijdig, individueel gericht kan zijn of twee- of meerzijdig of wederkerig. Uit de bron van strijd komt ook naar voren dat solidariteit een groep kan insluiten en een groep kan uitsluiten. Er kan dus onderscheid worden gemaakt volgens de vraag op wie, op welke groep de solidariteit zich richt, of, anders gezegd, wat de reikwijdte is van de solidariteit. Verschillende soorten van solidariteit-als-houding kunnen derhalve langs (tenminste) twee dimensies worden onderscheiden, namelijk: de richting en de reikwijdte.

Horizontale en verticale solidariteit

We gaan eerst in op de richting en maken daarbij onderscheid tussen een horizontale (wederkerige) en een verticale (eenzijdige) solidariteit.
Horizontale solidariteit is gebaseerd op het rationele besef van wederzijdse lotsverbondenheid, dat zich uit in een houding. De ene mens realiseert zich dat zijn of haar lot mede afhangt van dat van de andere mens, en voor de andere mens geldt hetzelfde ten opzichte van de eerste mens. Beide mensen nemen een gelijkwaardig positie ten opzichte van elkaar in, die wederkerig is: de ene mens is solidair met de andere en de andere met de ene. En ze weten dat ze door die wederkerige solidariteit elkaar vooruit helpen. Aan deze solidariteit kan een verlicht eigen belang à la Rawls ten grondslag liggen. Rawls (Theory of Justice, 1971) betoogt dat burgers, indien zij worden geleid door verlicht eigenbelang, hun eigendomsrechten ondergeschikt maken aan de bescherming van de zwakkeren in de samenleving. Zij houden dan immers elk voor zich rekening met de mogelijkheid dat zij zelf tot de zwaksten kunnen gaan behoren. Deze horizontale solidariteit, ook wel symmetrische solidariteit genoemd, wordt vaak in de vorm gegoten van afspraken met elkaar of afspraken tussen een groep mensen of groepen mensen. Als we het woord afspraken vervangen door ‘verzekering’ betreden we het veld waar solidariteit de laatste honderd jaar steeds meer is vorm gegeven. Verzekeren is niet de enige vorm van horizontale solidariteit, maar wel de meest bekende (waarover later meer).
Verticale solidariteit berust op een gevoel van verantwoordelijkheid of plicht jegens een ander. Bij eenzijdige solidariteit, ook wel asymmetrische solidariteit genoemd, bevindt de ene mens zich op een ‘hoger’ niveau dan de andere mens. Tegenover de solidariteit van de ene mens staat geen solidariteit van de andere mens met de ene mens. Als je eenzijdig solidair bent met een ander, verwacht je niet iets terug te krijgen voor je solidariteit, behalve dan het prettige gevoel dat je belangeloos iets voor een ander hebt gedaan. Deze vorm van solidariteit kom je vooral tegen bij geven. Geven is vaak verticale solidariteit. Het begint met de gift van ouders aan kinderen, die heel lang dit karakter van verticale solidariteit heeft. Of bij de gift van kinderen, als zij hun oudere ouders bijstaan met mantelzorg. Maar onder verticale solidariteit is ook de economie van de gift terug te vinden, waarbij het geven voort kan komen uit empathie, betrokkenheid, geraakt zijn, morele plicht, appél tot geven, bijvoorbeeld via een nationale media actie, enzovoorts.

Reikwijdte van de solidariteit

De tweede dimensie waarlangs verschillende soorten solidariteit kunnen worden onderscheiden betreft de reikwijdte van de solidariteit. Hoe groot is de kring van personen waarmee men solidair is? De mogelijkheden voor de reikwijdte van de solidariteit zou men als een reeks concentrische cirkels kunnen voorstellen, die steeds groter wordt: kerngezin; clan en familie; mensen in de buurt of wijk; mensen in de stad of gemeente; mensen in een land; verbond van landen (bijv. de EU, NATO, OECD); de wereld (Verenigde Naties).
Deze lijst is niet uitputtend. Het hoeft bij de kringen waarmee men solidair is namelijk niet per se om geografische gebieden te gaan. Zo kan men ook solidair zijn met mensen waarmee afspraken gemaakt zijn, zoals een vriendenkring; een organisatie (bedrijf, school, vereniging, zoals sportclub, politieke partij of vakbond) waartoe men behoort; een maatschappelijke groep (bijv. geloofsgenoten, sociale klasse). Vervolgens kan onderscheid worden gemaakt naar de groepen waartussen overdrachten plaatsvinden. Overdrachten binnen groepen noemen we intrasolidariteit en overdrachten van oud naar jong of van de vorige naar de huidige generatie wordt intergenerationele solidariteit (ofwel solidariteit binnen en tussen generaties) genoemd. En bezien vanuit landen is er sprake van binnenlandse en internationale solidariteit.

Mate van de solidariteit: warm of koud

Vaak is de mate van solidariteit sterker naarmate de kring waarmee men solidair is kleiner is: het gevoel van solidariteit met gezinsleden is meestal intenser of ‘warmer’ dan dat met vrienden of met buurtgenoten. Naarmate de - geografische, culturele of psychologische – afstand groter wordt, worden de solidariteitsgevoelens meestal zwakker of ‘kouder’. Daardoor krijgen oproepen tot ‘internationale solidariteit’ vaak iets moeilijks over zich: men kan de leuze gemakkelijk roepen, maar het ernaar handelen of gevolg geven aan de oproep gebeurt meestal maar zwakjes.

Solidariteit als handeling

Bij de gevonden definities merken we ook dat solidariteit verwijst naar een handeling van mensen. Solidariteit als handeling, oftewel solidair gedrag, kenmerkt zich door het feit dat er geen sprake is van evenredigheid of evenwicht tussen wat iemand geeft of bijdraagt en wat hij/zij ontvangt. Degenen die het financieel beter of het beste getroffen hebben, geven, terwijl degenen die minder gunstig door het lot bedeeld worden, ontvangen. Solidariteit vermindert dus het verschil tussen ‘geluksvogels’ en ‘pechvogels’. Dit zegt overigens nog niets over de motieven om solidair te zijn. Zoals hiervoor is aangegeven kan aan solidariteit zowel welbegrepen eigenbelang als altruïsme ten grondslag liggen. Bovendien kan een solidaire handeling vrij zijn, maar ook afgedwongen zijn.
Bij solidariteit als handeling kunnen ook de twee dimensies van richting en reikwijdte worden onderscheiden. Daarnaast zijn er nog drie andere dimensies te onderscheiden, waarlangs solidair handelen of gedrag gestalte krijgt, namelijk de organisatie, de mate van (on)vrijwilligheid en de vorm. In totaal zijn er dus (minimaal) vijf dimensies van handelen: de richting; de organisatie; de (on)vrijwilligheid; de reikwijdte; en de vorm.

Private of vrijwillige en publieke of verplichte solidariteit

Solidariteit als houding en solidariteit als handeling heeft in Nederland vaak vorm gekregen via het model van verzekeren. Een groep van mensen of verschillende groepen van mensen maken met elkaar afspraken over het indekken tegen bepaalde risico’s, zoals ziekte, gehandicapt worden, verlies van een partner, overlijden. Elke deelnemer aan de afspraak betaalt per maand een bepaald bedrag aan inleg of premie. Zo ontstaat een geldpot. Wie nu door het lot een bepaald risico, dat is afgesproken, ondergaat, kan een beroep doen op een uitkering uit de pot. Voor de hoogte van dat uit te keren bedrag zijn vooraf ook weer afspraken gemaakt, evenals over de duur van de uitkering (eenmalig, gedurende een bepaalde periode, tot aan het overlijden). Zo’n afspraak of verzekering door een groep mensen of groepen van mensen noemen we private solidariteit. En de afspraak is als ander kenmerk, vrijwillig aangegaan door de mensen die er aan meedoen. Aan vrijwillige solidariteit ligt een gevoel van solidariteit ten grondslag. Uit de afspraak komt groepssolidariteit voort, maar alleen met diegenen die meedoen met de afspraak of verzekering. Voorbeelden zijn bijvoorbeeld een onderlinge ziektekostenverzekering, een pensioenverzekering, een levensverzekering, een brandverzekering, een verzekering tegen handicap, een verzekering tegen inbraak en diefstal, enzovoorts.
Solidariteit als houding en solidariteit als handeling heeft in Nederland ook vorm gekregen via het model van verzekeren, waarbij naast een groep mensen of groepen van mensen ook de overheid meedoet. Dit model van verzekering heeft een bij wet vastgelegde basis en kan alle mensen in een bepaald beroep, alle mensen in een bepaalde situatie, of zelfs alle mensen betreffen. Door die verankering met wetgeving speken we van publieke solidariteit of ook over verplichte solidariteit. De solidariteit vindt plaats als je een bepaald beroep gaat uitoefenen, in een bepaalde situatie terecht komt, of burger bent van Nederland. De publieke solidariteit geldt bijvoorbeeld voor alle wetten die te maken hebben met werkgevers- en werknemerssolidariteit of met pensioenfondsen. Er is een verplichting om mee te doen. En de publieke solidariteit geldt ook voor wetgeving, die geldend is voor alle burgers van Nederland. Het gaat dan bijvoorbeeld om belastingheffing en belastingbetaling, en de algemene wetten in de sociale zekerheid, zoals bijvoorbeeld de Wet Participatie en Inkomen of de Algemene Ouderdomswet.

Ex post (kanssolidariteit) en ex ante (subsidiërende) solidariteit

De wederkerige solidariteit is vooral van belang bij verzekeringen. Door middel van verzekeringen worden risico’s gedeeld. Dat gaat gepaard met inkomensoverdrachten. Alle verzekeringen kennen solidariteit in de zin van ex post. Daarbij gaat het om overdrachten van degenen die geen schade hebben geleden naar degenen die wel schade hebben geleden. De uitkering geschiedt na het feit van geleden schade. Hierbij wordt gesproken van kanssolidariteit.
In de sociale verzekeringen gaat het vooral om overdrachten ex ante (dus vóór het intreden van het risico) van degenen die meer betalen dan de premie die hoort bij hun risicoprofiel naar degenen die minder betalen dan overeenkomt met hun risico. Dit wordt subsidiërende solidariteit genoemd.
Bij subsidiërende solidariteit kan weer onderscheid worden gemaakt tussen risicosolidariteit en inkomenssolidariteit. Deze twee vormen komen overigens veelal naast elkaar voor. Bij
risicosolidariteit dragen mensen met lage risico’s mede de lasten van mensen met hoge risico’s. In een ziektekostenverzekering met doorsneepremies is er bijvoorbeeld solidariteit van jongeren met lage risico’s met ouderen met hoge risico’s. Bij inkomenssolidariteit is de premie (of financiële bijdrage in een andere vorm) afhankelijk van de hoogte van het inkomen. Mensen met een hoger inkomen kunnen mede de lasten dragen van mensen met een lager inkomen.

Informele of ‘warme’ en formele of ‘koude’ solidariteit

Langs de tweede dimensie van organisatie kan gekeken worden naar de mate van spontaneïteit in de organisatie. Men kan hierbij onderscheid maken tussen informele solidariteit en formele solidariteit (vgl. De Beer 1992).
Informele of ‘warme’ solidariteit komt voort uit directe betrokkenheid met mensen, voor wie je ‘warme’ gevoelens koestert. Er is sprake van een directe relatie tussen personen. De meest sterke vorm van informele solidariteit komt meestal voort in het kerngezin of in de familie: de lotsverbondenheid tussen man en vrouw en tussen ouders en kinderen, en andersom. Deze solidariteit kan zo sterk zijn dat men in extreme situaties bereid is zijn of haar leven te geven voor de ander. Denk aan een ouder die met gevaar voor eigen leven zijn of haar kind van de verdrinkingsdood redt of uit een brandend huis. Er zijn ook minder sterke vormen van informele solidariteit, en die vinden we in vriendenkringen, tussen buren en tussen collega’s op het werk. Als je direct getroffen wordt door een concreet mens voor je die in nood is, en je geeft die persoon iets, bijvoorbeeld een gift aan een bedelaar, dan is ook informele solidariteit.
Formele of ‘koude’ solidariteit is betrokkenheid bij anonieme ‘derden’, die je niet persoonlijk kent, maar met wie je toch via een of andere instantie of institutie verbonden bent, zoals een verzekeringsmaatschappij of de overheid. Alle Nederlanders hebben solidariteit met arme medeburgers, wier bijstandsuitkering wordt gefinancierd uit de belasting. Een groep, die een verzekering tegen brandschade heeft afgesloten, is solidair met het misfortuin van de ongelukkige wiens huis is afgebrand en aan wie de verzekeringsmaatschappij een vergoeding uitkeert. Alle Nederlanders zijn formeel solidair met armen in de Derde Wereld, die van de Nederlandse staat ontwikkelingshulp ontvangen.

De vorm van solidariteit: tijd, geld of natura

Er zijn verschillende vormen om solidariteit uit te drukken. De meest bekendste vormen zijn tijd en geld.
De meest voorkomende vorm van solidariteit is de tijd, die men vrij maakt of investeert om een ander behulpzaam te zijn. Denk bijvoorbeeld aan opvoedingswerk, vrijwilligerswerk, mantelzorg. En het gaat ook om onbetaald werk als muziek maken, dichten, troosten, luisteren, aanwezig zijn. Solidariteit vorm gegeven in tijd treffen we ook in allerlei maatjesprojecten voor mensen met schulden, ex-gevangenen, jongeren, ouderen, zieken, gehandicapten, vluchtelingen. Met tijd wordt vooral de informele en vrijwillige solidariteit vorm gegeven.
Formele en verplichte solidariteit neemt bijna altijd de vorm aan van geld. Het gaat meestal om een overdracht van een bedrag aan een instituut, dat vervolgens weer uit de opgebouwde pot een ander toekent aan iemand die dat nodig heeft. Geld kan ook gebeuren bij de informele of vrijwillige solidariteit, zoals bijvoorbeeld bij ouders die hun kinderen leefgeld geven, of mensen die andere mensen een gift geven.
Een derde vorm van solidariteit vindt plaats in de overdracht van natura. Hiervan is het duidelijkst sprake binnen het gezin: voedsel, kleding, huisvesting, enzovoorts. Ook binnen families kan aan overdracht van natura gedaan worden, doordat bijvoorbeeld kleding of huisraad doorgegeven wordt. Solidariteit in natura heeft sinds het jaar 2000 een grote vlucht genomen in Nederland, waardoor de diaconale economie zichtbaar wordt. Denk aan voedselbanken, ruilwinkels, kledingswinkels, speelgoedbanken, maaltijdprojecten, inloophuizen. Een bijzondere vorm van solidariteit in natura is het afstaan van een orgaan of weefsels aan een ander. Meestal gebeurt dit direct na het overlijden, maar soms ook tijdens het leven, bijvoorbeeld een nierdonatie. Een meer voorkomende vorm van solidariteit in natura tijdens het leven is de donatie van bloed bij de bloedbank.

Christelijke traditie en solidariteit

Alhoewel solidariteit van oorsprong geen christelijk begrip is, valt er in de christelijke traditie en in het bijbelse taalveld rond een begrip als gemeenschap duidelijk affiniteit te bespeuren (Uit Jaarverslag DISK 2003). Zo kent de christelijke traditie in dit verband de notie van de door God gegeven ‘gemeenschap der heiligen’. Deze notie brengt te binnen dat het ‘wij’ van de traditie voor de ‘ikken’ het moment van het ‘nu’ draagt en mogelijk maakt. Solidariteit heeft hierbij niet het karakter van een hoog ideaal, maar van een diep besef van een door God gegeven fundamentele verbondenheid in en afhankelijkheid van een gemeenschap.
Ook in de bijbelse bronnen is solidariteit geen hoog moreel ideaal. De solidariteit begint in het door God gegevene, letterlijk in datgene waarmee de aarde aan bestaansmogelijkheden de grond onder onze voeten vormt. Solidariteit wordt van hieruit geboren in de ontdekking dat individuen datgene wat zij zich rechtens menen te mogen toe eigenen, slechts hebben, slechts kúnnen hebben omdat een door God gegeven gemeenschap hen omgeeft zowel in de ruimte als in de tijd.
De bijbelse notie ‘gerechtigheid’ redeneert ook vanuit dit gemeenschapsbesef. In het licht van dit begrip is een verdeling van bestaansmogelijkheden pas ‘recht’ te noemen, wanneer een optimale participatie in die bestaansmogelijkheden voor de hele gemeenschap gerealiseerd is. IJkpunten voor deze ‘rechte’ verdeling zijn degenen die met betrekking tot deze participatie de meest kwetsbare positie innemen in de gemeenschap: de weduwe, de wees en de vreemdeling. Komen dezen iets tekort dan is de gemeenschap en daarmee de gerechtigheid geschonden.

Respect als sleutel tot solidariteit

Het blijven stellen van vragen bij iedere politieke vormgeving van de solidariteit, of het nu de private en vrijwillige of publieke en verplichte solidariteit betreft, lijkt momenteel de belangrijkste opdracht voor de kerken. Het stellen van deze vragen heeft in de christelijke traditie te maken met de basale notie dat God mensen elkaar en de schepping gegeven heeft om van te leven en zorg voor te dragen. Deze gave wekt enerzijds dankbaarheid voor datgene wat zich aan solidariteit aandient in de samenleving, en doet anderzijds verlangen naar het Koninkrijk van God waarin die gave volledig geopenbaard en geleefd zal worden. Het ijkpunt voor de vragen die kerken hebben te stellen is dus niet een of andere bijbelse of kerkelijke blauwdruk voor de solidaire samenleving, maar veeleer de fundamentele vraag of de maatschappelijk georganiseerde solidariteit recht doet aan de notie van wederzijdse afhankelijkheid en of ze volwaardige participatie van allen aan de samenleving mogelijk maakt of deze juist belemmert. Deze fundamentele vraag sluit enerzijds aan bij de solidariteit die in lotsverbondenheid in de samenleving altijd op zijn minst al latent aanwezig is. In die zin wil vanuit de christelijke traditie ook steeds de poging gedaan worden om aan te sluiten bij wat in de samenleving gegeven is. Anderzijds wil vanuit de christelijke traditie de poging ondernomen worden om deze lotsverbondenheid op een bewust en daarmee politiek niveau te tillen. Respect dient zich in deze politieke vormgeving aan als het moment waarop de autonomie van de andere persoon of institutie onderkend wordt als van wezenlijk belang voor onze eigen autonomie. Die onderkenning impliceert oog voor de zelfstandigheid en de afhankelijkheid van de ander in relatie tot onze eigen zelfstandigheid en afhankelijkheid. Op deze wijze ontvouwt de solidariteit in de samenleving zich als een web van wederkerigheid. Het respectvol onderkennen en honoreren van deze wederkerigheid ontsluit de samenleving pas als een solidair maatschappelijk verband.

Hub Crijns is oud directeur van Landelijk bureau Dienst in de Industriële Samenleving vanwege de Kerken (DISK).

Klik hier om naar de startpagina van het themadossier 'Eerlijk delen' te gaan.

 

Raf janssen plaatste in het kader van de gemeenteraadsverkiezingen een video-boodschap waarin hij kort uitlegt wat de verandering van loonkostensubsidie naar loondispensatie betekent en waarin hij oproept er verzet tegen aan te tekenen. Kijk hier naar dit filmpje:

 

Kitty Jong nieuwe voorzitter Sociale Alliantie

kitty jongKitty Jong, FNV-bestuurder, is de komende twee jaar de voorzitter van de Sociale Alliantie. Zij vertelt wat haar hoog zit en wat zij met de alliantie wil aanpakken de komende tijd.

Lees meer

Armoede en sociale uitsluiting 2018

Nieuw rapport CBS: armoede is niet verminderd

armoede en sociale uitsluiting 2018Het CBS heeft op 17 januari 2018 nieuwe cijfers naar buiten gebracht over armoede in Nederland. De cijfers hebben betrekking op het jaar 2016. Ten opzichte van de vorige metingen is de armoede niet verminderd. Waar het de langdurige armoede betreft is zelfs sprake van een toename. Onder zzp'ers is het percentage mensen hoger dan het gemiddelde. Dat geldt ook voor mensen met een migratieachtergrond en zeker voor vluchtelingen.

Lees meer

De sociale staat van Nederland 2017

de sociale staat van nederland 2017Het Sociaal en Cultureel Panbureau (SCP) geeft om de twee jaar een dikke cijferbijbel uit: De Sociale Staat van Nederland. In de editie van 2017 analyseert het SCP aan de hand van kerncijfers de ontwikkelingen op de terreinen arbeid, inkomen, gezondheid, onderwijs, participatie, veiligheid, vrijetijd en wonen. Verder besteden de onderzoekers aandacht aan de demografische ontwikkeling van de bevolking, de ontwikkeling van de publieke opinie en het politieke klimaat en de leefsituatie van de Nederlanders. In de editie van 2017 kijkt het SCP als nieuw element terug op ontwikkelingen van de afgelopen 25 jaar. 

Wie de cijferknots ter hand neemt heeft moeite om een goed antwoord te vinden op de volgende kritische vraag. Welke cijfers volgens welke definities heeft het CPB vergeleken in de loop van die 25 jaar? Want wie een beetje meekijkt in de keuken van de definities weet dat er in de loop van die vijfentwintig jaar heel wat definities veranderd zijn, vooral in het sociaal-economische terrein. Dus wat er allemaal met elkaar vergeleken wordt en of dat volgens dezelfde meetwaarden te vergelijken is, dat wordt niet erg duidelijk gemaakt.
Een tweede kritische vraag gaat over de vooronderstellingen en keuzes die ten grondslag liggen aan dit boek. Cijfers verwerven is een ding, cijfers verwerken een tweede en cijfers vergelijken een derde. Er komen dan drie keer vooronderstellingen in het geding, en gemaakte keuzes, die richting geven aan de cijfers. Want hoe kijk je, vanuit welke keuzes, in welke richting? Het SCP staat er om bekend om de heersende sociaal-economische politieke paradigma’s te ondersteunen en dus ook te voorspellen. Dus kun je in deze cijferbijbel weinig kritische zinnen terugvinden rond de uitkomsten van het gevoerde sociaal-economische macro-beleid in de afgelopen 25 jaar. Terwijl ‘foute’ uitkomsten toegeschreven worden aan de keuzes of het gedrag van individuen.
Evengoed zijn die vergelijkingen interessant en in de weergave volgen we de samenvatting van het SCP.

Nederland is rond 2017 voller, grijzer en diverser geworden dan in 1990

De omvang en de samenstelling van de bevolking zijn in de afgelopen 25 jaar veranderd. Inmiddels wonen er meer dan 17 miljoen mensen in Nederland; een bevolkingstoename van 13% ten opzichte van 1990. Opvallend is dat het aantal huishoudens sterker steeg dan het aantal personen, naar 7,7 miljoen huishoudens in 2015 (26% meer dan in 1990). Deze stijging komt vooral door het toegenomen aantal echtscheidingen en het langer zelfstandig (kunnen) wonen van ouderen. Het aandeel 65-plussers in de bevolking is gestegen van 13% in 1990 naar 18% in 2017. Daarnaast is de culturele diversiteit toegenomen: op 1 januari 2016 had 12% van de inwoners (2,1 miljoen mensen) van Nederland een niet-westerse achtergrond, twintig jaar eerder was dat nog 9% (1,1 miljoen).

De stemming is overwegend stabiel

Ten opzichte van 1990 is het beeld dat de Nederlanders van hun eigen situatie en van de samenleving als geheel hebben, niet erg veranderd. Nog steeds vindt rond de 85% dat het eigen gezin in welvaart leeft, en is meer dan 80% er trots op om een Nederlander te zijn. De zorgen over normen en waarden en hoe we met elkaar omgaan waren in 1993 zelfs groter dan nu. Over immigranten is men nu iets positiever dan aan het begin van de jaren negentig. Vond in 1994 nog 49% dat er te veel mensen van een andere nationaliteit in Nederland wonen, in 2017 is dat 31%.
De Nederlandse economie krijgt in 2017 van de meeste mensen weer een voldoende – na een langdurige daling in de periode van economische crises na 2008. In de afgelopen 25 jaar zijn rond de 74% van de mensen gaan vinden dat de inkomensverschillen in Nederland kleiner moeten worden; in 1990 vond 55% dit.
Bijna de helft van de Nederlanders vindt dat anderen in het algemeen wel te vertrouwen zijn. Ook al is het vertrouwen in de politiek weliswaar veranderlijk, het politiek cynisme nam de laatste 25 jaar niet toe. De tevredenheid met de democratie ligt in 2017 hoger dan in 1990.
De steun voor de keuzevrijheid van vrouwen ten aanzien van abortus is toegenomen van 50% tot 74%. Het homohuwelijk wordt inmiddels door 94% geaccepteerd en de acceptatie van hulp bij euthanasie blijft onveranderd hoog met 92%. De steun voor de vrijheid van meningsuiting daalde echter: 25 jaar geleden vond nog 81% van de mensen dat iedereen vrij moet zijn om in het openbaar te zeggen wat hij of zij wil, nu is dat 66%. Degenen die de vrijheid van meningsuiting steunen waren rond 1990 vooral links georiënteerd, vanaf 2008 vinden ook mensen die zichzelf rechts noemen, deze vrijheid van groot belang. Dat lijkt onder andere een gevolg van de ontwikkeling dat de discussie over deze vrijheid steeds vaker wordt gevoerd in de context van de multiculturele samenleving.
Nederlanders zijn rond 2017 iets meer tevreden met hun leven dan in 2004, het eerste jaar waarin de vraag naar levenstevredenheid is gesteld. Het gemiddelde ging licht omhoog (van een rapportcijfer 7,6 naar een 7,8). De economische crisis heeft voor de meeste mensen geen invloed gehad op de tevredenheid met het leven.

De kwaliteit van leven is op veel terreinen toegenomen

De afgelopen 25 jaar kenmerken zich door een sterke economische groei en stijgende inkomens. Het bruto binnenlands product (BBP) nam tussen 1990 en 2016 toe met 68%. Vooral tussen 1990 en 2000 bloeide de economie: vrijwel alle groepen gingen er in die periode in koopkracht op vooruit (die van de 65-plussers steeg het meest). Na het hoogtepunt in 2007 volgt de economische crisis. Vrijwel alle groepen moesten ten opzichte van 2007 koopkracht inleveren, vooral zelfstandigen en eenverdieners zonder kinderen (-14%). Een koopkrachtstijging was er in die periode echter wel voor uitkeringsgerechtigden (+6%) en gepensioneerden jonger dan 65 jaar (+8%).
Sinds 1990 is de arbeidsparticipatie fors toegenomen, vooral onder ouderen en vrouwen. De arbeidsparticipatie onder ouderen is tegenwoordig bijna 2,3 keer zo groot als in 1990 (toen die nog erg laag was) en bedraagt nu bijna 14% van de 65-69 jarigen en bijna 7% van de 70-74 jarigen. Ook voor vrouwen is de arbeidsparticipatie, met een toename van meer dan 26 procentpunten, sinds 1990 sterk toegenomen tot 71%: veel vrouwen werken echter in deeltijd.
Het opleidingsniveau in Nederland is gestegen in de afgelopen 25 jaar. Het aandeel mensen met een hogere opleiding is verdubbeld van 18% naar 36%. De positieve ontwikkeling is vooral bij vrouwen opvallend. Dat het goed gaat met het opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking blijkt ook uit de doorgaande afname van het aantal voortijdig schoolverlaters.
In 2016 is de levensverwachting bij de geboorte voor mannen bijna 80 jaar en voor vrouwen ruim 83 jaar. In 25 jaar is de levensverwachting met gemiddeld 4,5 jaar gestegen (voor vrouwen met 3 jaar, voor mannen met 5,9 jaar). Omgerekend betekent dit dat elk jaar de levensverwachting voor vrouwen gemiddeld met 1,5 maand (44 dagen) is gestegen, en voor mannen zelfs met bijna 3 maanden (86 dagen). In De sociale staat van Nederland 2015 wees het SCP op het feit dat al jarenlang de levensverwachting van hoogopgeleiden bij de geboorte bijna 7 jaar hoger is dan bij laagopgeleiden; het verschil in de levensverwachting in goede gezondheid is zelfs bijna 20 jaar.
De criminaliteit in Nederland is sinds 2000 afgenomen, terwijl dat was in de jaren ’90 nog niet het geval is. De daling betreft de volgende delict typen: geweld, vermogen en vernieling. Hoewel gevoelens van veiligheid zich volgens een eigen dynamiek ontwikkelen, los van de werkelijke mate van criminaliteit, zijn ook de gerapporteerde onveiligheidsgevoelens in de afgelopen tien jaar gedaald. Ook zijn er steeds minder mensen die denken dat de criminaliteit in Nederland toeneemt, of die de criminaliteit in Nederland een groot probleem vinden; dat aandeel is gedaald van 90% in de eerste helft van de jaren negentig naar zo’n 60% respectievelijk 65% nu.
De manier van wonen is sterk gewijzigd. Op de woningmarkt is in de afgelopen 25 jaar het aantal mensen met een koopwoning toegenomen van 45% tot 59%. Vooral onder de hogere en middeninkomens is het eigenwoningbezit toegenomen. In de huursector nam het aandeel woningcorporatiehuurders afkomstig uit de laagste 20% inkomens in de afgelopen 25 jaar toe (van 12% tot ruim 45%). In de jaren negentig verliep dit proces snel en de laatste paar jaar versnelde deze ontwikkeling opnieuw. De zogeheten woonquotes (het aandeel van de netto woonlasten binnen het besteedbare huishoudensinkomen) stegen tot 2009; vanaf dat moment zijn ze redelijk constant. In 1994 was de gemiddelde woonquote 24%, en in 2015 27%.
Inmiddels sport ongeveer de helft van de Nederlanders wekelijks (in 1990 was dat nog ongeveer 40%). Het aandeel 65-plussers dat wekelijks sport is tussen 2001 en 2016 toegenomen, van 26% tot 37%. Bij jongeren van 12-19 jaar is het aandeel sporters in diezelfde periode gedaald, van 77% naar 70%. Het aandeel mensen dat lid is van een sportvereniging daalde tussen 1990 en 2000 en bleef daarna stabiel. Er is tegenwoordig een grote behoefte om op flexibele momenten te sporten.

Participatie in Nederland

Er zijn weinig aanwijzingen dat de maatschappelijke inzet en betrokkenheid van Nederlanders de afgelopen 25 jaar is veranderd. Het percentage Nederlanders dat vrijwilligerswerk doet is sinds 1990 redelijk constant gebleven (tussen de 25% en 30%). Ook het aantal leden van de vijf grootste kerken en het Nederlands Bijbelgenootschap is geleidelijk gedaald (van 8,6 miljoen in 1994 naar bijna 6 miljoen in 2015). Betrouwbare tijdreeksen over het aantal moskeegangers - een steeds grotere geloofsgroep - ontbreken. Op dit moment wonen er, naar schatting, ongeveer een miljoen moslims in Nederland. In 1990 waren dit er, eveneens naar schatting, een kleine half miljoen.
Het aantal leden van een politieke partij neemt af, van 325.000 in 1990 tot 265.000 in 2017. De belangstelling voor de politiek blijft gelijk: sinds 1990 is de opkomst bij algemene verkiezingen redelijk constant. Er zijn veranderingen in de wijze waarop mensen zich politiek en maatschappelijk vrijwillig inzetten: minder in verbanden, meer individueel en meer gericht op concrete en afgebakende acties en onderwerpen.
Bij lidmaatschappen van vakverenigingen is er een piek in 2000, toen bijna 1,8 miljoen mensen lid waren van de drie grootste vakverenigingen, daarna is dat aantal sindsdien geleidelijk gedaald naar bijna 1,5 miljoen in 2016. Een belangrijke oorzaak is de vergrijzing van het ledenbestand.
De hoeveelheid vrije tijd blijft stabiel: die is in 2016 iets meer dan 47 uur per week en is daarmee niet veel veranderd in de afgelopen 25 jaar. Bijna driekwart van de Nederlanders vindt dat hij of zij voldoende vrije tijd heeft. Ook de inrichting van de vrije tijd verschilt in 2016 maar weinig van die in 1990: de meeste tijd gaat naar het gebruik van media en ict (bijna 19 uur) en naar het onderhouden van sociale contacten (bijna 10 uur in 1990 en ruim 8 uur in 2016). Hoewel de nieuwe mediavormen (onder andere social media) inmiddels een belangrijk aandeel in het mediagebruik hebben, worden ook klassieke vormen van media (televisie, radio, kranten) nog altijd veel gebruikt.
Een grote verandering is de groei van het computerbezit: in 1990 bezat nog geen derde van de Nederlanders een computer, in 2013 heeft bijna iedereen er een (93%). In de tussentijd kreeg ook bijna iedereen toegang tot internet: in 1995 had 4% van de Nederlanders toegang tot internet, in 2013 is dat 97%. Door de digitalisering zijn de gebruiksmogelijkheden en keuzevrijheid bij het informeren, amuseren en communiceren enorm toegenomen.
De trends in het bereik van cultuur zijn wisselend. De populariteit van klassieke muziek daalt gestaag, maar popmuziek heeft een groter bereik gekregen. Na een aanvankelijke daling in de jaren negentig stijgt het aandeel van de bevolking dat minstens een keer in een jaar een museum bezoekt (in 2016 rond de 8% meer dan in 2012).

Groeiende scheidslijnen in de samenleving

Hoewel voor iedereen de leefsituatie in de afgelopen 25 jaar is verbeterd, namen de verschillen in leefsituatie naar opleidingsniveau en gezondheid toe (doordat de hoogopgeleiden en mensen zonder handicap of ziekte er meer op vooruit gingen dan laagopgeleiden en mensen met een handicap of ziekte). In de afgelopen twee jaar werden de verschillen in leefsituatie echter niet alleen groter tussen deze groepen, maar ook tussen werkenden en niet-werkenden, en tussen hoge en lage inkomens.
Verder valt op dat sinds 2004 levenstevredenheid bij mensen met een slechte leefsituatie eerst steeg, maar daarna afnam (van een 7,2 in 2008 tot een 6,6 in 2016), terwijl die van mensen met een goede leefsituatie gelijk bleef (rapportcijfer 8,2). De combinatie van een minder goede leefsituatie en niet-gelukkig zijn komt samen bij een groep waarbij sprake is van een stapeling van problemen in combinatie met weinig eigen mogelijkheden om de situatie te verbeteren. Bovendien zijn ze vaker sociaal geïsoleerd en zeggen ze minder vaak te gaan stemmen. Wat de zorgen over deze groep groter maakt, is dat meer dan de helft van hen aangeeft weinig regie te hebben over het eigen leven en ook geen kansen te zien om vooruit te komen in het leven. In omvang betreft het een groep van ongeveer 5% van de volwassen bevolking. Deze groep is tussen 1990 en 2017 als percentage van de bevolking nauwelijks kleiner geworden, maar in absolute aantallen nam ze toe van 500.000 tot bijna 700.000.

Armoede en flexibilisering op de arbeidsmarkt

De periode 2000-2014 valt uiteen in twee tijdvakken: de jaren voor het begin van de crisis (2008 en de jaren daarna. In het tijdvak 2000-2007 gingen bijna alle groepen er op vooruit en in het tijdvak 2008-2014 er op achteruit. De welvaart in Nederland is toegenomen, en eveneens de armoede. De ontwikkeling van het aandeel mensen dat in armoede leeft (volgens het niet-veel-maar-toereikend criterium) kent golfbewegingen, maar is de laatste paar jaar opgelopen en ligt in 2017, met 6,6%, hoger dan in 1990 (toen was 5,7% arm). Uitkeringsgerechtigden (31% in 2017) en eenoudergezinnen (22% in 2017) zijn de afgelopen 25 jaar de groepen met veruit het hoogste armoederisico. Van de niet-westerse migranten leeft een op de vijf in armoede; dat getal is al 25 jaar min of meer constant.
De cijfers rond inkomen en sociale zekerheid geven aan dat de koopkracht van de meeste groepen Nederlanders in 2014 nog niet helemaal hersteld is na de crisis. Wel was zij hoger dan in 2000. De sterke toename van de negatieve vermogens in de huishoudens is in 2014 tot staan gekomen. Het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen is vanaf het hoogtepunt in 2002 (993.000) gedaald en bevindt zich thans, in de jaren na 2010, op een tamelijk stabiel niveau (ruim 800.000). Deze daling lag vooral aan de gestage afname van het aantal WAO/WIA-uitkeringen (van 803.000 in 2002 naar 546.000 in 2016). Het beroep op de werkloosheidsuitkeringen weerspiegelt de crisis en laat tussen 2008 en 2015 een flinke stijging zien van 307.000 in 2008 naar 446.000 in 2015. Een op de negen zelfstandigen (11%) bevindt zich in 2014 onder de armoedegrens. De tevredenheid met het eigen inkomen is, na een kleine daling bij de meesten weer terug op het niveau van 2010. Maar steeds meer mensen vinden wel dat de inkomensverschillen kleiner moeten worden.
Een belangrijke verandering op de arbeidsmarkt is de flexibilisering. Kijken we over een periode van twintig jaar, dan is het aandeel werknemers met een vaste arbeidsrelatie sterk afgenomen, van 71% in 1996 tot 61% in 2016. Dat hier niet alleen individuele, maar ook maatschappelijke risico’s aan verbonden zijn, blijkt onder meer uit het feit dat er, vanwege de hoge kosten ervan, nogal wat zzp’ers onverzekerd zijn tegen arbeidsongeschiktheid en geen adequate pensioenvoorziening hebben.
Het opleidingsniveau is gemiddeld gestegen, en tegelijkertijd zijn de prestaties van de huidige generatie scholieren in het basis- en voortgezet onderwijs slechter voor met name wiskunde en rekenen dan vijftien tot twintig jaar geleden. 

We worden ouder, maar ook (chronisch) zieker

Tegelijk met de gestegen levensverwachting nam ook het percentage mensen dat een chronische ziekte(s) heeft toe. Wel zijn de iets minder oude mensen gezonder dan eerdere generaties van dezelfde leeftijd. Een van de opvallendste ontwikkelingen is dat het aantal mensen met overgewicht in de loop der tijd gestaag is toegenomen van 30% in 1990 tot ruim 43% nu. Ook de sterfte aan psychische stoornissen en de sterfte aan aandoeningen van het zenuwstelsel is toegenomen. Dat komt met name door de toename van de sterfte aan dementie.

Opgave voor de toekomst

Regie hebben over het eigen leven is belangrijk voor mensen om hun kwaliteit van leven te kunnen verbeteren. Dat geldt ook voor het bezitten van vaardigheden om met internet om te gaan of anderszins te communiceren via sociale media. Er zijn grote groepen mensen in de Nederlandse samenleving - bijvoorbeeld degenen die laaggeletterd zijn of die een (lichte) verstandelijke beperking hebben - voor wie dit moeilijk of zelfs onmogelijk is. Communicatie met de overheid kan voor hen hierdoor een onmogelijke opgave worden.
Ook in een snel veranderende arbeidsmarkt veranderen de noodzakelijke vaardigheden waarover mensen moeten beschikken. Technologische ontwikkelingen en flexibilisering van de arbeidsrelaties gaan snel, waardoor mensen zelfredzamer en ondernemender moeten worden. Ook dat is niet voor iedereen mogelijk. De vraag voor de komende jaren zal zijn hoe zoveel mogelijk mensen in staat gesteld kunnen worden volwaardig mee te doen in die veeleisender wordende samenleving; hoe voorkomen kan worden dat mensen achterblijven en hoe burgers gesteund kunnen worden bij het verwerven van die noodzakelijke vaardigheden.

Rob Bijl, Jeroen Boelhouwer, Annemarie Wennekers, (red.), e.a., ‘De sociale staat van Nederland 2017’, SCP Den Haag, 2017, ISBN 9789037708479, 436 pag., € 49,90
Klik hier om het boek, in zijn geheel of per hoofdstuk, te downloaden.

Hub Crijns, bestuurder Landelijk Katholiek Diaconaal Beraad en lid van de Stuurgroep Knooppunt Kerken en Armoede, met dank aan de samenvatting van het SCP.

Deel deze pagina via sociale media

logo armoede live 10jaarlater

logo initiatief nu

logo expeditie sociale cooperatie

Adres

Stimulansz
t.a.v. Ger Ramaekers / Sociale Alliantie
Postbus 2758
3500 GT Utrecht

mailadres2

Volg ons op sociale media