logo-sociale-alliantie6

Overdaad aan voedsel en schaarste aan voedsel

Door Hub Crijns

groente en fruitDe Wageningse Universiteit toont op haar website de onderzoeksresultaten van het project Voedsel-Economisch Bericht. Dit project wordt door Wageningen Economic Research uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
Het Voedsel-Economisch Bericht biedt informatie over diverse aspecten van de voedselproductie in Nederland. Wie produceren de grondstoffen in Nederland voor ons voedsel? Welke omzetten zijn er in de voedselproductieketen? Wat doet de agrarische grondprijs per hectare? Wat doet de pachtsector? Wat is de balanswaarde van land- en tuinbouwsector? Hoeveel armoede is er in agrarische huishoudens? Hoeveel besteden huishoudens aan voedsel? Is er ook voedselschaarste?

Wie produceren voedsel?

In 2017 kochten Nederlandse consumenten voor ruim 58 miljard euro aan eten en drinken. Dat deden ze met name in de supermarkten, al dan niet online. Voordat het voedsel bij de consument is, is er een hele keten die zorgt voor productie, verwerking en distributie van het voedsel. Zo waren er in 2017 ruim 54.000 landbouwbedrijven en zijn in de agrohandel een kleine 15.000 bedrijven actief. De voedingsindustrie telt ruim 5.400 bedrijven. Die hele keten – van grond tot mond – draagt zo’n 7% bij aan het nationale inkomen en 9% aan de werkgelegenheid in Nederland. Een belangrijk deel van de toegevoegde waarde is te danken aan de export van producten.

Omzetten in de voedselproductieketen

De groothandel in agroproducten bestaat uit de groothandel in landbouwproducten en levende dieren, en de groothandel in voedingsmiddelen. Met een netto-omzet van ruim 132 miljard euro in 2016 maakt de groothandel in agroproducten een substantieel deel uit van de totale omzet in de Nederlandse groothandel en handelsbemiddeling (439 miljard euro). Dit aandeel is gelijk aan dat in 2015, namelijk 30%. De groothandel in agroproducten is van oudsher sterk op het buitenland gericht. Zo wordt de exportwaarde van de producten uit de sierteelt, zoals bloemen, planten, boomkwekerijproducten en bloembollen, voor 2016 geraamd op 7,72 miljard euro. Daarmee is de sierteelt de belangrijkste exporteur van de agrosectoren (CBS/Wageningen Economic Research, 2017). Groei is nog steeds mogelijk; met name buiten Europa en in hoogwaardig uitgangsmateriaal, technologie, kennis en diensten (Rabobank, 2017).
Eind 2016 zijn er een kleine 15.000 bedrijven actief in de handel van agroproducten en zij bieden werkgelegenheid aan bijna 159.000 personen. Dat is 26% van de totale werkgelegenheid in de groothandel en handelsbemiddeling, in 2015 was het 25%.
De netto-omzet in de agroproducten is met gemiddeld 4% gegroeid in 2016. De verschillende sectoren laten echter een wisselend beeld zien. Bovengemiddeld groeide de handel in bloemen en planten, terwijl de handel in dranken (exclusief zuivel) juist kromp (zie de tabel).
De omzet per werknemer is verschillend per sector en sub-sector. De omzet per persoon in de groothandel voor voedingsmiddelen is in 2016 gedaald van 739 naar 724 duizend euro, terwijl de gemiddelde omzet per persoon in de groothandel in landbouwproducten en levende dieren gegroeid is van 1.106 duizend euro naar 1.113 duizend euro. De omzet per persoon in de bloemen en planten handel is laag (390 duizend euro) vergeleken met de handel in akkerbouwproducten (3.030 duizend), omdat de handel in bloemen en planten arbeidsintensiever is.

Kengetallen groothandel in agroproducten (2016) a)

 

Aantal bedrijven (4e kwartaal)

Aantal banen d)

Netto-omzet (mln. euro)

Groei omzet t.o.v. 2015 (%)

Groothandel in landbouwproducten en levende dieren b)

5.470

44.300

49.295

4

    akkerbouwproducten

1.410

11.300

34.134

3

    bloemen en planten

2.585

27.700

10.821

6

Groothandel in voedingsmiddelen c)

9.485

114.600

82.964

4

    aardappelen, groenten en fruit

1.445

24.200

18.840

1

    dranken, geen zuivel

1.005

8.400

7.174

-2

De groothandel voegt geen bewerking toe.
a Deze kengetallen lopen in de CBS-statistiek twee jaar achter op het lopende jaar.
b Het gaat het om landbouwproducten die niet voor menselijke consumptie bestemd zijn.
c Hier gaat het juist wel om producten voor menselijke consumptie. Andere categorieën in deze groep zijn handel in vlees en vleeswaren en handel in zuivelproducten, spijsoliën en -vetten. Van deze categorieën geeft Statline-CBS geen bedrijfseconomische gegevens.
d Banen: werkzame personen.
Bron: CBS, bewerking Wageningen Economic Research.

Agrarische grondprijs in eerste kwartaal 2018 2% lager

Over heel 2017 ligt de gemiddelde landelijke grondprijs op 59.500 euro per ha, bijna 3% hoger dan in 2016 (57.900 euro per ha). De prijs van grasland is in het vierde kwartaal van 2017 met 4% omhooggegaan (ten opzichte van het derde kwartaal) tot 57.900 euro per ha. Over heel 2017 noteert grasland een gemiddelde prijs van 55.500 euro, tegen 52.800 euro per ha in 2016: een plus van 5%. De prijs van bouwland is gestegen van 62.000 euro in de eerste helft van 2017 tot 65.500 euro per ha in het vierde kwartaal van 2017. Over heel 2017 bedraagt de gemiddelde prijs van bouwland 65.500 euro per ha, vrijwel gelijk aan die in 2016. De gemiddelde agrarische grondprijs in Nederland is in het eerste kwartaal van 2018 uitgekomen op 59.900 euro per ha. Dat is vrijwel gelijk aan de gemiddelde prijs over heel 2017 (59.500 euro per ha), maar 2% lager dan de prijs in het vierde kwartaal van 2017 (61.200 euro per ha). De prijsdaling is bepaald door grasland. Zo is de gemiddelde prijs van grasland in het eerste kwartaal van 2018 met 3,5% afgenomen (ten opzichte van het vierde kwartaal van 2017) tot 55.900 euro per ha. Daarentegen is de gemiddelde prijs van bouwland met 65.800 euro per ha in het eerste kwartaal praktisch gelijk gebleven aan die in het vierde kwartaal van 2017. In het eerste kwartaal van 2018 is 11% meer grond verhandeld dan in hetzelfde kwartaal het jaar daarvoor, respectievelijk 9.900 ha en 8.900. In de laatste vier kwartalen (2017Q2-2018Q1) is in totaal 35.300 ha verhandeld, wat vrijwel gelijk is aan de mobiliteit in dezelfde periode een jaar eerder (2016Q2-2017Q1). De relatieve grondmobiliteit – het verhandeld areaal afgezet tegen het totaal areaal landbouwgrond – komt uit op 2,0%.
Bij dergelijke prijzen voor grond valt op te merken dat alleen industriële groot-landbouw mogelijk is. Er wordt nu veel gesproken over familiebedrijven in de agrarische sector, maar de vraag is of die er in de toekomst nog zijn.

Regulier pachtareaal blijft afnemen

Het areaal regulier gepachte landbouwgrond is in 2017 met bijna 16.000 ha gedaald (-6%) tot 251.000 ha. Al jarenlang neemt het reguliere pachtareaal af; vanaf 2007 met in totaal meer dan 120.000 ha. In dat jaar (2007) is de geliberaliseerde pacht ingevoerd. De kortlopende vorm daarvan (contractduur van zes jaar of minder) heeft zich sterk ontwikkeld: in tien jaar tijd is het areaal in 2017 uitgekomen op ruim 100.000 ha.

Balanswaarde land- en tuinbouw nadert de 3 miljoen euro in 2016

De kapitaalsintensiteit in de land- en tuinbouw is verder gestegen. De gemiddelde balanswaarde van de Nederlandse land- en tuinbouwbedrijven is in 2016 toegenomen tot 2,9 miljoen euro. De toename is vooral veroorzaakt door de groei van de gemiddelde bedrijfsomvang en door de hogere prijs van landbouwgrond. Ruim twee derde van het balanstotaal is gefinancierd met eigen vermogen. De langlopende schulden stabiliseren zich op gemiddeld 800.000 euro per bedrijf. De solvabiliteit verschilt sterk tussen bedrijven en bedrijfstypen. Vooral dankzij de betere economische resultaten in de glastuinbouw is de solvabiliteit in de periode 2014-2016 met bijna 20 procentpunten verbeterd tot een gemiddeld niveau van boven de 50%. Vooral de grote bedrijven in de land- en tuinbouw zijn relatief zwaar gefinancierd met vreemd vermogen maar hebben ook een hogere moderniteit.

Veertig procent agrarische huishoudens onder armoedegrens

In 2016 moest 44% van de agrarische huishoudens rondkomen van een inkomen onder de lage inkomensgrens van 23.870 euro. Opvallend hierbij is dat dit hoge aandeel werd bereikt in het jaar waarin het gemiddelde inkomen per huishouden steeg naar het hoogste niveau sinds 2001 door goede resultaten in de glastuinbouw en varkenshouderij. In 2002 en 2009 lag het percentage agrarische huishoudens onder de lage-inkomensgrens ook boven de 40%, maar dat ging gepaard met gemiddeld lage inkomens. De qua aantal bedrijven grootste sector, de melkveehouderij, zag het inkomen per huishouden in 2016 flink dalen door een gemiddeld lage melkprijs. Hierdoor steeg het aandeel huishoudens onder de lage inkomensgrens bij dat bedrijfstype tot boven de 50%. In 2017 is er wel weer een sterk herstel van de resultaten geweest.

Bestedingen huishoudens aan voeding gestegen

Huishoudens besteden steeds meer geld aan voedings- en genotmiddelen in supermarkten en andere detailhandel. Het aandeel van deze bestedingen in de totale consumptieve bestedingen is stabiel. Nederlandse huishoudens gaven in 2017 circa 310 miljard euro uit aan voedings- en genotmiddelen, duurzame consumptiegoederen, energie, water, brandstoffen en diensten, waaronder horeca en catering. Aan voedings- en genotmiddelen werd bijna 46 miljard euro besteed. Dit betreft de bestedingen van consumenten in de detailhandel (onder andere supermarkten, speciaalzaken, markten en internetwinkels en non-foodwinkels). Er is 3,5 miljard euro meer besteed dan in 2013. Ruim 29 miljard euro ging op aan voedingsmiddelen als zuivel, vlees en vis, aardappelen, groenten en fruit, en brood. De rest aan genotmiddelen als consumptie-ijs, zoetwaren, dranken en tabak. De uitgaven aan voedings- en genotmiddelen bedroegen 14,7% van de totale consumptieve bestedingen aan goederen en diensten in 2017; dit aandeel is al een aantal jaar tamelijk stabiel. Uitgaven aan voeding in de horeca en recreatie worden in de uitgaven aan diensten meegerekend en komen in dit aandeel niet tot uitdrukking. Volgens de brancheorganisatie voor de tabaksdetailhandel waren de uitgaven aan tabak in 2016 ruim 4,2 miljard euro.

Consumptieve bestedingen van huishoudens (mld. euro), a 2013-2017

 

2013

2014

2015

2016 b

2017 b

Voedingsmiddelen

26,8

27

27,8

28,5

29,3

Genotmiddelen c

15,5

15,7

15,9

16,1

16,4

Totaal voedings- en genotmiddelen d

42,3

42,7

43,7

44,6

45,8

Totaal consumptieve bestedingen aan goederen en diensten

284,4

287,5

294,1

300,4

310,3

Aandeel (%) voedings- en genotmiddelen

14,8

14,9

14,9

14,8

14,7

a Tegen werkelijke prijzen.
b De bestedingen in euro zijn berekend op basis van gepubliceerde indexcijfers en waardemutaties.
c Inclusief tabak.
d Betreft bestedingen van consumenten via de handel of direct. Uitgaven in horeca en catering worden niet meegenomen.
Bron: CBS. Berekening: Wageningen Economic Research.

De verspilling van voedsel

In Nederland wordt ook veel voedsel verspild, zowel door producenten, detailhandel als consumenten. Overal is er afval of wordt er afval gemaakt. Bij producenten door afkeuring van producten (niet goed, niet mooi, te rijp, productieschade, etc), bij detailhandel door afkeuring van producten (schade, over de gestelde uiterste gebruiksdatum), en bij consumenten vaak door niet-gebruik en weggooien. In 2014 wordt al het verspilde voedsel geschat op 1,9 tot 2,6 miljoen ton met een gezamenlijke waarde van ongeveer vijf miljard. De verspilling door consumenten bedraagt in 2014 gemiddeld 114-157 kilo per persoon met een waarde van 287 euro per persoon. Het percentage voedsel dat voedselbanken uit de verspilcyclus weten te onttrekken bedraag 0.8 tot 1,6%.

Is er ook voedselschaarste?

Bij zoveel productiviteit rond voedsel is er in Nederland alleen maar sprake van overdaad, alsmaar meer groei en het meerdere wordt geëxporteerd naar het buitenland. We verdienen macro-economisch goed op de productie van voedsel. Micro-economisch valt het weer tegen. We leerden al dat veertig procent van de agrarische huishoudens onder de armoedegrens uitkomt in 2017. Productie van voedsel is dus voor velen geen vetpot. Consumenten hebben voedsel nodig en er is gemiddeld meer dan voldoende aanbod in Nederland. In 2017 is ook de consumptie gestegen, mede omdat mensen in de huishoudens iets meer te besteden hebben. Wie beschikt over voldoende financiële middelen, hoeft op de markt van voedsel niets te kort te komen. En ook niet op de markt van aangeboden diensten rond voedsel (de horeca en recreatie sector). Tegelijk leren armoedecijfers al jarenlang dat er een groep huishoudens is, dat onvoldoende inkomen heeft om al die overdaad aan voedsel te kunnen kopen. De laatste tien jaar schommelen de cijfers over de groep arme huishoudens rond de tien procent van de 7,2 miljoen huishoudens. Bij deze cijfers is geen rekening gehouden met huishoudens met achterstallige betalingen en schulden, buiten de hypotheek om. De meest recente schuldencijfers spreken over 1,2 miljoen huishoudens, waarvan 750.000 worden omschreven als huishoudens met problematische schulden. Er is van deze huishoudens een bepaalde overlap met arme huishoudens. En ook weer niet. Wie alle cijferbrij doorneemt van verschillende bronnen, kan komen tot een aanname van 15-20% huishoudens in armoede. Dat is in 2016 de lage inkomensgrens van 23.870 euro. In deze huishoudens zijn er onvoldoende financiële middelen om mee te doen aan de voedselconsumptie. En in die huishoudens is dus voedselschaarste.

Voedselbanken en hun omzet

De lage inkomens en hun financiële onvermogen om naar behoefte mee te kunnen doen aan de voedselconsumptie heeft vanaf 2002 geleid tot het ontstaan van voedselbanken. Het systeem is eenvoudig. Waar er te veel van is, en dat is er vaak van voedsel, wordt een manier van inzamelen ontwikkeld om wat teveel is of wat dreigt weggegooid te worden in te zamelen. Dat komt binnen bij de voedselbankorganisatie, die met verdeelstations in heel Nederland het verzamelde voedsel uitdeelt aan huishoudens die te weinig hebben.
Aan de site van voedselbanken Nederland ontlenen we ook cijfers.
https://voedselbankennederland.nl/wp-content/uploads/2018/08/Feiten-en-Cijfers-per-31-12-2017-DEF.pdf
Er zijn eind 2017 in Nederland 8 distributiecentra, 168 voedselbanken met 630 uitgiftepunten. Voedselbanken zijn in 2017 in 96% van de burgerlijke gemeenten aanwezig.
In Nederland leeft meer dan anderhalf miljoen mensen onder de armoedegrens. De voedselbanken helpen de armsten door ze tijdelijk te voorzien van voedselpakketten. De voedselbanken werken samen met bedrijven, instellingen, overheden en particulieren. Zo zorgen we er samen voor dat armoede wordt bestreden, voedseloverschotten verdwijnen en het milieu minder wordt belast. Met als motto: “Oog voor voedsel, hart voor mensen”.
In 2017 werden door de inzet van 11.000 vrijwilligers wekelijks bijna 40.000 voedselpakketten vanuit 168 lokale voedselbanken uitgedeeld en waren ongeveer 132.500 Nederlanders afhankelijk van de voedselbank. De circa 40 miljoen uitgedeelde producten vertegenwoordigen een waarde van 60-80 miljoen euro. De operationele kosten van het samenstellen van een voedselpakket (inzamelen, distribueren, klaarzetten, uitdelen) bedragen 5 euro per pakket. De prijs is laag omdat er met zoveel vrijwilligers gewerkt wordt.

Hub Crijns, oud directeur van landelijk bureau Dienst in de Industriële Samenleving vanwege de Kerken (DISK)
Met veel dank aan de Universiteit Wageningen en Voedselbanken Nederland

Klik hier om naar de startpagina van het themadossier 'Voedsel en armoede' te gaan.

Het doorbreken van het niks-aan-te-doen-gevoel

Enkele denkbeelden over armoede in relatie tot werk, voedsel en energie

parapluArmoede is geen natuurgegeven. De samenleving kan zo ingericht worden dat er geen armen meer zijn. Dat besef ontstaat vanaf de tweede helft van de 19e eeuw. Als onderdeel van de sociale strijd van de arbeiders wordt uiteindelijk het ‘niks-aan-te-doen-gevoel’ over armoede doorbroken. Een rijke samenleving die haar leden in zorg en angst voor hun bestaan laat leven… Dat wordt niet langer normaal gevonden. Die irrationele situatie wordt na een langdurige sociale strijd opgeheven met de vorming van de naoorlogse verzorgingsstaat. Daarmee lijkt een toestand van eeuwigdurende welvaart aan te breken. Deze duurt echter slechts dertig jaar. Vanaf de jaren tachtig van de 20e eeuw wordt een afbraakbeleid in gang gezet. De individualisering die dankzij de verworvenheden van de verzorgingsstaat steeds meer voet aan de grond krijgt, verzwakt de sociale structuren van diezelfde verzorgingsstaat. Armoede neemt weer toe, maar het maatschappelijk karakter ervan versplintert in individuele levens van mensen. Maatschappelijke ontwikkelingen rond werk, voedsel en energie maken dat mensen met weinig geld opnieuw in permanente zorg en angst voor hun bestaan moeten leven en wegzinken in een machteloos gevoel dat er niks aan te doen is. Steeds meer breekt een ‘niks-aan-te-doen-gevoel’ door. Daarmee staat de anti-armoedebeweging opnieuw voor de vraag hoe dit gevoel te doorbréken.

Een belangrijke sociale uitvinding

De 19e eeuw wordt vaak beschreven als de eeuw van de uitvindingen. Op internet zijn pagina’s te vinden met beschrijvingen van uitvindingen die in deze eeuw zijn gedaan: van telegraaf, telefoon en radio tot stoomturbine en zeppelin; van benzine- en elektromotoren tot gloeilamp, fiets en kauwgom. Het zijn inderdaad allemaal grote uitvindingen die de wereld veranderd hebben. Een heel grote en belangrijke uitvinding op sociaal gebied wordt echter nergens vermeld, namelijk de sociale uitvinding dat armoede oplosbaar is. Tot in de 19e eeuw werd armoede gezien als een soort natuurverschijnsel: bestrijden kan niet; hooguit lenigen.
Ter illustratie van de vanzelfsprekendheid dat er nu eenmaal hogere en lagere groepen waren in de samenleving werd vaak verwezen naar de volgende uitspraak van Jezus: “De armen hebt gij immers altijd bij u en gij kunt hun weldoen, wanneer gij maar wilt.” (Marcus 14:7). Meestal werd deze uitspraak in verband gebracht met een voorschrift uit het bijbelboek Deuteronomium 14:11 “Want armen zullen nooit in het land ontbreken; daarom gebied ik u aldus: Gij zult uw hand wijd openen voor uw broeder, voor de ellendige en de arme in uw land.” De sociale ontdekking van de 19e eeuw dat armoede oplosbaar was, ging wezenlijk verder dan de verplichting ten zien van de armen zoals omschreven in het wettenboek Deuteronomium 15:1-11: geef aan de armen in de vorm van leningen en wat zij niet kunnen terugbetalen moet je elk zevende jaar, het sabbatjaar, kwijtschelden. Dat voorschrift gold overigens alleen voor de eigen familie, het eigen volk. Want “een buitenlander moogt gij tot betaling dwingen, maar hetgeen gij van uw broeder te goed hebt, zult gij hem kwijtschelden.” (Deuteronomium 15:3).
De sociale uitvinding die in de 19e eeuw werd gedaan, was verstrekkender: men kwam tot het inzicht dat armoede geen van God gegeven situatie was, maar dat het een verschijnsel was dat samenhing met de manier waarop de samenlevende mensen hun samenleving hebben ingericht. Bij een andere inrichting van de samenleving zou armoede helemaal niet meer voorkomen. In de loop van de 19e eeuw kwamen de armen, en dan met name de arbeiders onder hen, in verzet tegen de bestaande sociale verhoudingen en de daarbij horende maatschappelijke orde met hogere en lagere standen van respectievelijk rijken en armen, meesters en onderdanen. De armen namen niet langer genoegen met de rol van onderdanige dienaar, van bedeelde, van knecht of gezel. Het besef groeide dat zij hun lot in eigen hand konden nemen en zich niet hoefden te schikken in de hen toebedeelde mindere plek in de samenleving.
Het duurde overigens tot het midden van de 20e eeuw voordat een armoedevrije inrichting van de samenleving, op een paar achterblijvende groepen na, daadwerkelijk binnen bereik kwam. Uit meer dan een eeuw sociale strijd ontwikkelde zich de verzorgingsstaat. Dat was een samenleving waarin mensen niet meer in angst hoefden te leven voor hun dagelijkse bestaan. Collectieve verzekeringen en voorzieningen hadden die permanente bestaansonzekerheid weggenomen. Met slaande argumenten hadden groepen in de samenleving elkaar weten te overtuigen van de noodzaak en wenselijkheid dat de overheid namens hen allen voortaan garant zou staan voor de levenskwaliteit van alle burgers en ervoor kon zorgen dat iedereen zich kon ontplooien tot volwaardig burger. In 1983 werd deze garantstelling vastgelegd in de Grondwet als opdracht aan de overheid. Dat gebeurde in de vorm van sociale grondrechten. Deze dragen de overheid op zorg te dragen voor: werkgelegenheid (art. 19), bestaanszekerheid (art. 20), bescherming van leefmilieu (art. 21), volksgezondheid, woongelegenheid en ontplooiing (art. 22) en onderwijs (art. 23).
Bij het bekrachtigen van deze sociale rechten in de Grondwet (1983) is echter al een maatschappelijk proces gaande van anders denken en doen. In de eerste plaats anders denken en doen over de rol van de overheid in relatie tot de werking van de markt: het medicijn ‘meer markt en minder overheid’ wordt ingezet tegen de ‘onbetaalbaarheidsziekte’ van de verzorgingsstaat. In de tweede plaats anders denken en doen over de positie van het individu in relatie tot het collectief: het collectieve karakter van voorzieningen moet wijken voor het veronderstelde vermogen van mensen om zelfstandig betere keuzes te maken. Dat leidt tot een verschraalde en minimale uitvoering van de sociale grondrechten en een versmalling van de solidariteit in de samenleving. De privatisering doet ook haar intrede op het terrein van de sociale grondrechten. Daarmee plaatst de overheid zich buiten spel en geeft de zorg voor sociale grondrechten uit handen. Steeds meer mensen in de samenleving hebben last van deze overheidskeuze: armoede en ongelijkheid in de samenleving nemen toe, maar worden niet beleefd als collectief verschijnsel. In zijn studie over de risicosamenleving wijst de Duitse socioloog Ulrich Beck er al in 1986 op dat de toenemende ‘moderne’ armoede niet meer opgevangen wordt in sociale structuren en politieke verbanden van bijvoorbeeld de arbeidersklasse. Armoede komt daar los van te staan. Ze verdwijnt in individuele personen. Armoede zinkt weg in verstomming. Armoedebestrijding valt weer terug in caritas, in hulp aan arme mensen. Dat is een tendens die in de jaren tachtig van de vorige eeuw opkomt en sindsdien steeds sterker en algemener is geworden. Een recent onderzoek naar werkende armen maakt dat nog eens pijnlijk duidelijk.

Werkende armen

Onlangs bracht het Sociaal en Cultureel Planbureau een onderzoek uit naar werkende armen in vijf Europese landen en twintig Nederlandse gemeenten. De titel van het rapport luidt Als werk weinig opbrengt. Het armoedepercentage onder werkenden in Nederland blijkt tussen 1990 en 2013 gestegen te zijn naar het hoogste niveau van de afgelopen 25 jaar. In 2014 verkeerde 4,6% van de werkenden onder de armoedegrens; dat zijn bijna 320.000 werkenden in de leeftijd van 20-64 jaar. Maar liefst 40% van alle volwassen armen heeft werk als belangrijkste persoonlijke inkomstenbron. Dat er zoveel werkende armen zijn komt omdat de verhoudingen op de arbeidsmarkt zijn veranderd: steeds meer onzekere banen en achterblijvende lonen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Slechts een klein gedeelte van de werkende armen heeft een vaste voltijdbaan als werknemer (8%). De meeste werkende armen zijn actief als zelfstandige (45%), deeltijdwerknemer (27%) of oproepkracht (12%). Het SCP stelt vast dat armoede vooral voorkomt onder mensen die geen ondergrens hebben aan hun uurloon in de vorm van cao-afspraken of het minimumloon (zelfstandigen) en onder mensen die een beperkt aantal uren op jaarbasis werken (deeltijders, oproepkrachten).
Ondanks dat het economisch weer goed gaat maakt het SCP de inschatting dat deze tendens niet echt zal veranderen: het armoedepercentage onder werkenden zal hoog blijven. De vraag dringt zich op of daar iets aan gedaan aan worden. Wat blijkt? De rijksoverheid heeft het armoedebeleid grotendeels overgedragen aan gemeenten en die beperken zich tot het helpen van de armen, zonder de oorzaken van armoede aan te pakken. Citaat: “Volgens veel gemeenten is het in ieder geval onbegonnen werk om de oorzaken van armoede weg te nemen; zij zetten vooral in op het verzachten van de gevolgen van armoede en het voorkómen van erger.” (p. 77) Daarmee herleeft het ‘niks-aan-te-doen-gevoel’ en valt het armoedebeleid weer terug in de opvatting van het begin van de 19e eeuw: armoede is er nu eenmaal; het is een onoplosbaar probleem; caritas, het helpen van arme mensen, is het enige wat eraan gedaan kan worden. Het SCP geeft enkele suggesties aan gemeenten om mogelijk meer voor hun arme inwoners te doen dan nu het geval is: het aanpakken van bestedingsproblemen en het bevorderen van maatschappelijke participatie; meer zicht krijgen op wie de werkende armen zijn en hoe ze bereikt kunnen worden; zelf het goed voorbeeld geven door eigen werknemers genoeg uren te laten maken en te zorgen dat ze redelijke uurinkomsten hebben.
De verwachtingen over de effectiviteit van deze beleidssuggesties zijn niet groot. Datzelfde geldt voor de vrij vage beleidssuggesties aan het adres van de landelijke overheid, waarvan toezien op de adequaatheid van de minimuminkomensbescherming voor werkenden en zorgen dat mensen meer uren maken nog het duidelijkst zijn geformuleerd, alhoewel daarbij ook enkele slagen om de arm worden gehouden. Dergelijke overvoorzichtige beleidssuggesties versterken het gevoel bij veel mensen dat er toch niks aan gedaan kan worden. Wil armoede onder werkenden doorbroken worden, dan moet er op twee niveaus iets gebeuren. Op het niveau van de landelijke politiek moet actie worden gevoerd tegen de doorgeslagen flexibilisering en voor vaste contracten met bijbehorende bescherming. Het minimumloon moet omhoog naar 130% van het huidige niveau! Daar moet met name de vakbeweging actie voor voeren. Op het niveau van de alledaagse werkelijkheid moeten mensen die geen werk hebben of slecht betaald onzeker werk zich samenpakken in burgercollectieven om op praktische wijze – ik was jouw auto en jij knipt mijn haar – gaten op te vangen in maatschappelijke voorzieningen. Op die wijze kunnen mensen mogelijk hun wankele bestaanszekerheid iets stabieler maken. Maar belangrijker is dat deze activiteiten van het dagelijkse (over)leven mogelijke wegen banen naar een tijdgeest waarin een economie kan opkomen die niet gestuurd wordt door de logica van concurrentie, versnelling, het creëren van winnaars en verliezers, maar een economie waarin mensen omzien naar elkaar en rijkdommen delen.

Voedsel en armoede

Voedselzekerheid is een van de grote maatschappelijke vraagstukken van de komende tijd. Voedselzekerheid wil zeggen dat iedere persoon op elk moment economisch, sociaal en fysiek toegang heeft tot voldoende, veilig en voedzaam voedsel om actief en gezond te kunnen leven. De wereldbevolking neemt sterk toe. In 2050 leven ongeveer 10 miljard mensen op de aarde. Hoe zit het met de voedselzekerheid van al deze mensen? Als het nu al een probleem is om de arme delen van de wereld te voeden, hoe moet dat dan over een paar decennia? Dit is een vraagstuk dat in deze wereldwijde benadering nauwelijks aan de orde komt in relatie tot het armoedevraagstuk in Nederland. We beperken ons doorgaans tot de initiatieven die voedselbanken leveren om voedselverspilling tegen te gaan en daarmee tegelijkertijd arme huishoudens in Nederland te voorzien van goed voedsel. Volgens het jaarverslag 2017 van de Landelijke Vereniging van Voedselbanken zijn in Nederland inmiddels 168 voedselbanken, 530 punten waar voedselpakketten worden uitgedeeld en 8 distributiecentra. In 2017 redden de voedselbanken 40 miljoen producten van vernietiging. De 11.000 vrijwilligers hielpen 132.500 mensen aan veilig voedsel.
Naast de vele stichtingen Leergeld, sportfondsen en kledingbanken zijn de voedselbanken een goed voorbeeld van de hulp die allerwegen geboden wordt aan arme mensen. Zijn de mensen die deze hulp geven en de mensen die deze hulp ontvangen ook aanspreekbaar op het vraagstuk van de voedselzekerheid? In zekere zin wel. De voedselbanken zorgen dat minder voedsel weggegooid wordt in Nederland. Maar over de oorzaken van het voedselvraagstuk, over de voedselverspilling hier en de voedselschaarste elders op de wereld zal het merendeel van de mensen die betrokken zijn bij voedselbanken het gevoel hebben dat ze daar niks aan kunnen doen. De hulpverleners hebben hun handen vol aan het verzamelen en uitdelen van voedsel en de hulpontvangers hebben waarschijnlijk wel wat anders aan hun hoofd, ze zijn bezig om te overleven. Toch zou het goed zijn als mensen in en rond voedselbanken zich ook in politieke zin bezig gaan houden met de beschikbaarheid van voedsel, de toegang tot voedsel en het gebruik van voedsel.
politik des essensInspirerende denkbeelden daarover zijn te vinden in een boek dat de Duitse filosoof Harald Lemke enige jaren geleden schreef over ‘de politiek van het eten’. Op de omslag van het boek staan twee foto’s: onder de titel van het boek een groep mensen die met spandoeken op straat demonstreert voor eigen zeggenschap over voedsel en boven de titel een groep mensen die midden in de stad bezig is met het verbouwen van groenten. De ene groep roept politieke leiders op om het landbouw- en voedselbeleid te veranderen, omdat dit beleid op een doodlopende weg zit en een van de voornaamste oorzaken is van de klimaatverandering, van het uitsterven van plant- en diersoorten, van de milieucrisis, van de energiecrisis, van de wereldwijde armoede en ongelijkheid. De andere groep verwoordt met hun concreet alledaagse doen dat eten politiek is, dat de manier waarop wij elke dag omgaan met voedsel het leven bepaalt van talrijke mensen, dieren en andere wezens. Ze wenden zich niet tot de politiek, ze wenden zich mogelijk zelfs af van de politiek, maar hun doen en laten is politiek ten voeten uit.
In zijn omvangrijke boek werkt Lemke deze gedachte uit. Hij maakt duidelijk dat maatschappelijke veranderingen niet alleen van ‘de politiek daarboven’ komen. In zijn ogen is dat een ondemocratische opvatting van de politiek die niet meer bij de huidige tijd past. Aan de hand van ons denken en doen omtrent voedsel laat Lemke zien dat een ‘politiek van onderop’ aan het groeien is die hoort bij de actieve, participatieve en radicale democratie van de moderne tijd. In die beweging van onderop, waaraan ieder als individu en als lid van een collectief kan meedoen, is het positieve weerwoord te vinden op het ‘niks-aan-te-doen-gevoel’. Lemke onderkent dat met dergelijke kleinschalige activiteiten uit het dagelijkse leven niet meteen de Europese landbouwpolitiek zal veranderen. Het wereldwijde systeem van voedselproductie en -consumptie kan alleen veranderen als het dagelijkse doen van individuele mensen en van collectieven een ander denkklimaat creëren, een andere tijdgeest doen ontstaan. De vraag is of armen een bijdrage kunnen leveren aan het creëren van die nieuwe tijdgeest door anders te denken en te doen met voedsel. Velen zullen daar sceptisch over zijn. Niet zonder reden, want mensen die bezig zijn met overleven zijn doorgaans niet bezig met de politiek, noch met de politiek van boven, noch met de politiek van onderop. Noodgedwongen eten ze niet alle dagen vlees en daarmee onthouden ze zich van meedoen aan de industriële bio-industrie die heel nadelige gevolgen heeft voor mens en milieu. En op sommige plaatsen zijn mensen met een (te) kleine portemonnee actief in de stadslandbouw waar ze voedsel verbouwen voor eigen gebruik of voor de voedselbank. 

Energie en armoede

We moeten bezuinigen op energie en we moeten andere, minder vervuilende, energiebronnen aanboren. De energietransitie is een van de grote maatschappelijke uitdagingen van de komende tijd. Er worden plannen voor gemaakt; er worden campagnes voor gestart. De vraag is of daarbij voldoende aandacht is voor mensen met een kleine portemonnee. Er wordt gewaarschuwd voor een ‘duurzaamheidskloof’: mensen met voldoende geld kunnen maatregelen treffen waarmee ze in kunnen spelen op de energietransitie; mensen zonder geld hebben die mogelijkheden niet. De overgang naar duurzame energie kan alleen succesvol verlopen als die gepaard gaat met sociale maatregelen. Anders lopen we het risico dat klimaat de nieuwe splijtzwam in de samenleving wordt. (zie artikel Michiel Hulshof & Koen Straver in de Volkskrant van 8 juni 2018: Verdeel de lusten en de lasten van de groene revolutie eerlijk).
In 10% van de Nederlandse huishoudens is nu al sprake van energiearmoede. Dat zijn ongeveer 780.000 huishoudens. De klemsituatie rond energie dreigt zich de komende jaren te intensiveren, omdat de prijzen van energie zullen stijgen en omdat de kosten van de overschakeling van gas op stroom onvolledig gecompenseerd worden. Over de energietransitie wordt veel geschreven en gesproken, maar voor de te verwachten uitbreiding en intensivering van de energiearmoede is minder aandacht. Als mensen meer moeten betalen om het huis te verwarmen, om warm water en licht te hebben en om de koelkast en de televisie te laten draaien, hebben ze minder geld voor andere dingen die noodzakelijk zijn, zoals voedsel en kleding. Ten aanzien van het energievraagstuk zal in menig arm huishouden het ‘niks-aan-te-doen-gevoel’ overheersen.
De geringe aandacht die er is voor energiearmoede beperkt zich tot nu toe vooral tot het geven van adviezen aan arme mensen hoe ze zuiniger kunnen zijn met energie. Een goed voorbeeld van die benadering is de ‘Rapportage Energiearmoede’ die in 2017 is uitgebracht door het ECN, het Energieonderzoek Centrum Nederland, het belangrijkste Nederlandse onderzoeksinstituut op het gebied van energie. Deze rapportage beschrijft interventies om het efficiënt gebruik van energie te vergroten en de energiearmoede te verlagen: besparingsadviezen door energiecoaches en bemoedigingsgesprekken met vrijwilligers om het gedrag te veranderen en deze verandering ook vol te houden. Als dit advies- en ondersteuningswerk nog beter wordt uitgevoerd, aldus het rapport, kan een huishouden met een laag inkomen tussen de 70 en 130 euro per jaar besparen en tevens ‘een bescheiden bijdrage’ leveren aan de beoogde nationale energiebesparingsdoelen. Het volgende is slechts één van de tips aan energiecoaches, maar het is wel een tekenend voorbeeld van de strekking en toon van het rapport: “Vertaal besparingstips zoveel mogelijk in euro's (kosten/baten). Waar mogelijk koppel de bespaartips aan behoeften van het huishouden. Vind de haakjes voor motivatie: 30 minuten per week minder douchen betekent dat je volgend jaar misschien op vakantie kunt. Moet uw zoon volgend jaar een laptop voor zijn nieuwe opleiding? Als u de verwarming zoveel graden lager zet, is dat al een deel van de investering.” (p. 8) 
Ook op andere sites zijn dergelijke handige besparingstips te lezen: “Vervang oude apparatuur op tijd, hoe ouder ze zijn hoe meer energie ze slurpen. Ga in plaats van in bad onder de douche. Douche daarbij zo kort mogelijk en maak gebruik van een waterbesparende douchekop. Kook met de deksels op de pan, dat scheelt je namelijk ongeveer de helft van de kooktijd. Een airco slurpt veel energie! Je kunt ook kiezen om een ventilator te gebruiken, deze verbruikt namelijk veel minder energie en is goedkoper om aan te schaffen. Sluit de gordijnen in de winter vroeg, de warmte kan dan namelijk minder goed weg wat je weer stookkosten scheelt.” (www.consumind.nl/energie/algemene-informatie/energiekosten).
Het is allemaal goed bedoeld en de bereikte huishoudens zijn mogelijk blij met de gegeven adviezen en ondervonden steun. Maar is dit de manier om arme huishoudens los te maken van ‘het-niks-aan-te-doen-gevoel’ wat betreft de steeds noodzakelijker wordende energietransitie? Er moet meer gebeuren dan gedragsverandering en kleine besparingsingrepen om energiearmoede te voorkomen of op te lossen. Armen wonen vaak in slecht geïsoleerde woningen. Deze huizen moeten drastisch verduurzaamd en verbeterd worden. Om te voorkomen dat mensen daardoor nog dieper in de armoede wegzakken moet dat woonlastenneutraal gebeuren. Een aantal woningcorporaties is daar al mee bezig. Dat betreft huurwoningen. Voor huishoudens met een eigen woning moeten nieuwe financieringsmogelijkheden ontwikkeld worden die haalbaar zijn voor mensen met een kleine portemonnee en die hen niet in de problemen brengen als ze verhuizen. In bepaalde regio’s – bijvoorbeeld in het Noorden van Nederland – zijn afspraken gemaakt tussen een groot aantal partijen om samen op te trekken bij de energietransitie en de armoedebestrijding. (zie https://vng.nl/files/vng/20171110_afspraken_energiearmoede_9_nov.pdf).
Dergelijke brede aanpakken zijn nodig om het ontstaan van een ‘duurzaamheidskloof’ tegen te gaan. Het gaat daarbij niet alleen om de samenwerking tussen gemeenten en maatschappelijke instellingen. Op steeds meer plaatsen pakken burgers zich samen om hun eigen groene stroom op te wekken. Het is daarbij van belang te bevorderen dat alle inwoners van een wijk of dorp bij zo’n energiecoöperatie betrokken worden en dat er vormen van solidariteit ingebouwd worden. Gemeenten moeten bij lokale energiesystemen een vinger aan de pols houden en bevorderen dat ook mensen met een smalle beurs mee kunnen doen en profijt hebben van duurzame vormen van energieopwekking. (zie rapport van ECN, Tertium, Milieudefensie en Alliander, De winnaars en verliezers van de energietransitie. Verkenning van problemen, visies en oplossingen. December 2017). Zo’n kleinschalige, solidaire, door burgers zelf in gang gezette energietransitie kan ertoe bijdragen dat bij armen het ‘niks-aan-te-doen-gevoel’ wordt weggenomen of beter gezegd door henzelf wordt weggewerkt.

Sociale coöperaties: medicijn tegen het niks-aan-te-doen-gevoel

De verzorgingsstaat die na de Tweede Wereldoorlog wordt opgebouwd, vormt tientallen jaren het kader voor het aanpakken van sociale vraagstukken rond arbeid en inkomen. Die vraagstukken worden door mensen beleefd als samenlevingsvraagstukken, als collectieve problemen. Deze worden aangepakt met collectieve voorzieningen. Dankzij die voorzieningen kunnen verschillende groepen in de samenleving jaarlijks aanwijsbare vooruitgang bewerkstelligen, voor zichzelf en voor de samenleving als geheel. Gaandeweg komen deze collectieve voorzieningen echter onder druk te staan. Vanwege verandering in de samenstellingen van de bevolking (vergrijzing doet beroep op voorzieningen toenemen en ontgroening versmalt het draagvlak), vanwege individualisering (collectief gevoel neemt af en steeds meer levensrisico’s worden persoonlijke aangelegenheden), vanwege veranderingen in de economie (landeneconomie wordt wereldeconomie en overheid verliest haar greep op de markt), vanwege verandering in de aard van de loonarbeid (vaste arbeidsplaatsen worden minder en flexarbeid neemt toe). Het bezuinigingsbeleid van de overheid dat begin jaren 80 van de vorige eeuw wordt ingezet (Bestek ’81), versterkt de maatschappelijke ontwikkeling van dubbele ontsolidarisering: de sterkere groepen houden de zekerheden van de vaste baan en reserveren tevens de betere werking van de sociale zekerheid voor zichzelf; voor de overige groepen in de samenleving resteert een sociale politiek met een alsmaar geringer wordende sociale zekerheid. De ongelijkheid in de samenleving neemt toe. In hun dagelijkse leven ervaren steeds meer mensen dat de overheid niet langer de omstandigheden kan scheppen en behouden die mensen in staat stellen om als volwaardige burgers deel te nemen aan de samenleving. Dat resulteert in een toename van armoede, die als maatschappelijk verschijnsel versplinterd wordt en verdwijnt in de levensomstandigheden van individuele personen. 
paraplusHer en der staan mensen op die zich daar niet bij neerleggen. Zij slaan de handen ineen en creëren in hun directe leefomgeving condities die nodig zijn om mensen in staat te stellen hun capaciteiten te ontwikkelen en kwaliteit van leven te bewerkstelligen. Ze doen dat door het opzetten van sociale coöperaties die maatschappelijke taken oppakken die de overheid laat liggen. Deze initiatieven vanuit de samenleving maken dat de gangbare indeling van die samenleving in twee domeinen, namelijk het domein van de markt met z’n privaat recht en het domein van de overheid met zijn publiek recht, niet langer klopt. Vanuit de alledaagse werkelijkheid van mensen ontstaat een nieuw domein, het domein van het gemeengoed, het collectief, de commons. In dit domein organiseren mensen eigen activiteiten, bouwen ze aan eigen vermogens, aan sociaal kapitaal. Dat gebeurt onder meer op de terreinen van werk, voedsel en energie. Deze sociale coöperaties vormen een werkzaam medicijn tegen het niks-aan-te-doen-gevoel, waaraan mensen in armoedesituaties zijn blootgesteld.

Panningen, 9 oktober 2018
Raf Janssen

Klik hier om naar de startpagina van het themadossier 'Voedsel en armoede' te gaan.

 

Thema: Milieu en armoede

kolen stroom

Het milieu is één van de grootste kwesties van deze tijd. Er staat ons een tour de force te wachten om ... Maar welke kant gaat het daarbij op met de economie, wie gaat het betalen, welke consequenties heeft de strijd voor milieubehoud voor de verdeling tussen arm en rijk?
Raf Janssen plaatst het milieuvraagstuk in een breder perspectief van een andere richting voor onze economie en pleit voor een economie van 'volle soberheid'.
Trinus Hoekstra verkent de mogelijkheden van betere verdeling van klimaatlasten, onder meer door middel van een klimaatfonds en een klimaatbonus.
Hij gaat ook in op vragen rond duurzaamheid en ongelijkheid.
Een derde bijdrage aan dit dossier betreft een artikel over het rapport dat CE Delft in januari 2018 publiceerde over de verdeling van milieulasten over inkomensgroepen en bedrijfsleven.
Tenslotte zijn enkele standpunten van vakcentrales CNV en FNV verzameld.

Duurzaamheid en ongelijkheid

Draagvlak verduurzaming is gebaat bij verbinding met armoedebestrijding!

Onlangs maakte Trouw (7-9-18) melding van de presentatie van ‘De Balans van de Leefomgeving’. Het gaat hierbij om de tweejaarlijkse rapportage van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) over de staat van het milieu, de natuur en de ruimte. De toon van het rapport is op het eerste gezicht positief: duurzaamheid leeft. In de maatschappij en bij het beleid krijgt verduurzaming volgens het rapport veel aandacht. Vooral waar het gaat om klimaatverandering zijn burgers, bedrijven, ngo’s en overheden duurzaamheidsinitiatieven gestart. Voorbeelden zijn: het klimaatakkoord, de brief van staatssecretaris Stientje van Veldhoven over de circulaire economie en het visiedocument ‘Waardevol en verbonden’ van minister Carola Schouten over kringlooplandbouw. Maar er klinkt ook een indringende waarschuwing: de lusten en de lasten moeten eerlijk verdeeld worden. Als er ongelijkheid ontstaat, is er op een gegeven moment geen draagvlak meer voor verandering.

Juist het oogmerk in het debat om het draagvlak voor verduurzaming te versterken door vergroening te verbinden met armoedebestrijding, raakt aan de kerkelijke inzet om stem te geven aan en op te komen voor dat wat kwetsbaar is.

Groen kapitalisme

Deze waarschuwing wordt aangescherpt door de sociale wetenschapper Shivant Jhagroe. Hij promoveerde aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam op de politieke betekenis van stedelijke verduurzaming. Volkgens Jhagroe dreigt de huidige verduurzaming wereldwijd te leiden tot een nog ongelijkere verdeling van schone en leefbare ruimte dan die er nu al is.
Sinds het jaar 2000 zijn er meer klimaatvluchtelingen dan oorlogsvluchtelingen en naar schatting zijn er daar in 2050 meer dan 150 miljoen van. In Europa overlijden jaarlijks een half miljoen mensen als gevolg van verontreinigde lucht. De cijfers laten niet alleen aantallen slachtoffers zien, maar ook dat ze vallen onder mensen die minder kansen hebben. Ze wonen op slechtere plekken, zijn armer en minder goed opgeleid.
Duurzaamheid heeft volgens Jhagroe de bestaande ongelijkheid vergroend. Dat groene leven is een lifestyle van de happy few, van de rijke eco-elite, met kansen op allerlei gebied. Er is met producten en diensten voor deze elite een soort van groen kapitalisme gecreëerd. Terwijl om echte grote veranderingen teweeg te brengen, de massa bereikt moet worden, het draagvlak dus vergroot moet worden.
Als vergroening vanuit de neoliberale politiek aan de vrije markt wordt overgelaten, vergroot deze volgens Jhagroe de ongelijkheid eerder. Langs een andere weg, via allerlei burgerinitatieven, wordt de ongelijkheid ook vergroot. Alleen mensen met een goed netwerk en een stevige achtergrond doen mee met de stadstuin of de energiecoöperatie. Dergelijke strategieën van vergroening vergroten niet alleen de ongelijkheid, maar dreigen daarmee ook breed in de samenleving het draagvlak voor vergroening te ondermijnen.

Ongelijke verdeling

Onderzoeksbureau CE Delft berekende dat in 2017 750 miljoen aan subsidies en belastingvoordelen is verdeeld in het kader van het klimaatbeleid. Slechts eenvijfde daarvan is besteed aan armere huishoudens. Bij ongewijzigd beleid dreigen volgens datzelfde CE Delft armere huishoudens in 2050 3,5 keer zoveel aan kosten in verband met klimaat te moeten ophoesten dan rijke. Ze betalen relatief gezien meer belasting en hun energierekening is in hun minder goed aangepaste woning hoger.
Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) liet in de publicatie ‘Kiezen bij de kassa’ (2016) zien dat bewust consumeren vooral een hobby van de hoogopgeleiden is. Biologische groenten en vlees zijn voor de laagopgeleiden niet te betalen. Een elektrische auto is dat al helemaal niet. Een overzicht van de laadpalen toont dat die vooral in de rijkere buurten staan.
Van veel duurzame producten of diensten is het volgens Jhagroe ook de vraag of het wel echte oplossingen zijn, als ze maar door een klein deel van de bevolking kunnen worden gekocht. Als bijvoorbeeld elektrische auto’s, nog afgezien van de onduurzame herkomst van de grondstoffen voor de benodigde accu’s, maar door een beperkt aantal mensen aangeschaft kunnen worden, kun je dan niet beter inzetten op verbetering van het openbaar vervoer zodat iedereen elektrisch kan rijden?

Overheid

De overheid zou hierbij volgens Jhagroe een veel grotere rol moeten spelen dan ze nu doet. Schone lucht en de gezondheid van burgers zijn toch bij uitstek publieke verantwoordelijkheden waar de overheid zorg voor heeft te dragen. De overheid heeft met subsidies, belastingen en beloningen allerlei instrumenten tot haar beschikking waarmee duurzame ontwikkeling kan worden gestuurd. Met die instrumenten zou je sociale ongelijkheid ook kunnen verminderen door middel van vergroening.
Een mooi concreet voorbeeld dat Jhagroe hierbij aanraakt is dat van de subsidie aan particulieren voor de aanschaf van zonnepanelen. Jhagroe stelt de vraag of rijkere huishoudens die panelen niet zelf kunnen betalen. Je zou met die subsidie immers ook woningcorporaties kunnen stimuleren de sociale woningbouw te verduurzamen. Daardoor wordt niet alleen minder fossiele brandstof gebruikt, maar krijgen deze huurders ook een lagere energierekening. Verder doordenkend op dit voorbeeld, zou wellicht ook een mogelijkheid zijn dat je subsidies meer inkomensafhankelijk maakt, waarbij een lager inkomen in aanmerking doet komen voor een hogere subsidie. Op deze wijze zou je duurzaamheid én de verkleining van sociale verschillen hand in hand kunnen laten gaan, waarmee je dan ook nog een keer het draagvlak voor verduurzaming breed in de samenleving versterkt.

Kerken

Voor kerken kan het een interessante uitdaging zijn om de gerichtheid op duurzaamheid en armoede zo met elkaar te verbinden, dat vergroening én armoedebestrijding elkaar versterken. Tal van kerken zijn via noodhulp en betrokkenheid bij voedselbanken gericht op de thematiek van verarming. Daarnaast is er sprake van een toenemend aantal ‘groene kerken’, kerken die de uitdaging aangaan om steeds verdere stappen te zetten op het pad van verduurzaming. Het lijkt boeiend om de vraag voor ogen te houden waar in een kerkelijke aanpak de overlap kan zitten tussen vergroening én armoedebestrijding? In ieder geval kan het daarbij inspirerend zijn om het maatschappelijk debat daarover, zoals hierboven geschetst, nauwlettend te volgen en wanneer de gelegenheid zich voordoet aan dat debat deel te nemen. Juist het oogmerk in dat debat om het draagvlak voor verduurzaming te versterken door vergroening te verbinden met armoedebestrijding, raakt aan de kerkelijke inzet om stem te geven aan en op te komen voor dat wat kwetsbaar is.

Door Trinus Hoekstra, via Kerk in Actie betrokken bij groenekerken.nl

Als werk weinig opbrengt

SCP-onderzoek naar werkende armen

Aandeel werkende armen in Nederland gegroeid en overtreft dat van Denemarken en België

als werk weinig opbrengtIn Nederland stijgt het aandeel werkende armen sinds 1990. De toename in de periode 2001-2014 is vermoedelijk vooral ontstaan door achterblijvende lonen, dalende winsten en toenemende werkloosheid. Werkende zzp’ers, alleenstaanden en mensen met een migratie-achtergrond behoren vaak tot de armen. Werknemers zijn vooral arm door weinig gewerkte uren, zelfstandigen door een laag uurinkomen.
Nederland telt verhoudingsgewijs meer werkende armen dan Denemarken en België, maar een stuk minder dan Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Dat hangt samen met uiteenlopende wetten en regelingen, maar ook met culturele verschillen.
Nederlandse gemeenten besteden in hun beleid weinig specifieke aandacht aan werkende armen en weten niet goed hoe ze deze groep moeten bereiken.
Dit zijn enkele conclusies uit de SCP-studie 'Als werk weinig opbrengt; Werkende armen in vijf Europese landen en twintig Nederlandse gemeenten'.

Lees meer

Deel deze pagina via sociale media

logo armoede live 10jaarlater

logo initiatief nu

logo expeditie sociale cooperatie

Adres

Stimulansz
t.a.v. Ger Ramaekers / Sociale Alliantie
Postbus 2758
3500 GT Utrecht

mailadres2

Volg ons op sociale media