logo-sociale-alliantie6

Met flexibilisering ‘van de wal in de sloot’

flexibiliseringVVD-leider Mark Rutte stelde tijdens verkiezingsdebatten voor om uitkeringen te korten, omdat er volgens hem bij een aantrekkende economie genoeg (betaald) werk is. Een verlaging van uitkeringen bedoelde hij als een spreekwoordelijk ‘duwtje in de rug’. Voor velen voelt het evenwel vanwege de onzekerheid op de arbeidsmarkt als een duw ‘van de wal in de sloot’.
Begin dit jaar stond de werkloosheid genoteerd op een percentage van 5,4% van de beroepsbevolking. Dat is aanzienlijk beter dan de 7,9 % in 2014, maar eind 2008 lag het op slechts 3,6%. De verwachting is dat het huidige relatief hoge percentage in verband met een beperkte economische groei maar langzaam zal afnemen.
Het kenmerk van de huidige werkloosheid is dat deze anders dan tijdens een eerdere periode van hoge werkloosheid zoals in de jaren ’80, gepaard gaat met toenemende onzekerheid op de arbeidsmarkt. Deze onzekerheid wordt veroorzaakt enerzijds door een afgenomen recht op een WW-uitkering, waardoor men sneller in de bijstand terecht komt. Anderzijds is er de flexibilisering van arbeidsrelaties. Want in toenemende mate nemen mensen als flexkracht of als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) deel aan de arbeidsmarkt. Afhankelijk van de precieze definitie gaat het in totaal om 35 tot 40% van alle werkenden. De gevolgen van de onzekerheid die ermee samenhangt zijn te bespeuren in een toename: van het aantal werkende armen; van mensen in situaties met hoge schulden; en van mensen die een beroep moeten doen op voedselbank en noodhulp.
Een belangrijke verklaring voor de huidige arbeidsmarktsituatie ligt in het arbeidsmarktbeleid dat in 2008 vlak voor de kredietcrisis en de daarop volgende economische crisis werd ingezet. In dat jaar presenteerde de commissie Bakker het rapport ‘Naar een toekomst die werkt’. De voorzitter van de commissie, de TNT-topman Peter Bakker, sprak toen de gevleugelde woorden: “Er is werk voor iedereen”. De kern van het rapport was de waarschuwing voor een komende structurele schaarste op de arbeidsmarkt. Men verwachtte op grond van het met pensioen gaan van de babyboomgeneratie en bevolkingsafname een begin van een structureel tekort aan werknemers op de arbeidsmarkt in 2011, oplopend tot een tekort van 1 miljoen werknemers in 2040.
Iedereen, ook mensen met een beperking en mensen in de bijstand, moest op een verhoogd flexibele wijze beschikbaar komen voor de reguliere arbeidsmarkt. Met de Participatiewet die in 2015 is ingevoerd heeft het geleid tot bezuinigingen op sociale werkplaatsen, overigens veelal met als gevolg dat mensen met een beperking helemaal kwijt raakten wat men aan werk nog had.
Ouderen moesten langer doorwerken. Het heeft geresulteerd in de huidige verhoging van de AOW- en pensioengerechtigde leeftijd. Een verhoging die nu overigens in plaats van als arbeidsmarktmaatregel meer als begrotingsmaatregel, met het oog op de betaalbaarheid van AOW-uitkeringen en pensioenbetalingen, wordt gehanteerd.
In 2008 was de aanname dat mensen bij arbeidsmarkthervormingen misschien wel baanzekerheid zouden verliezen, maar daar tegenover stond werkzekerheid vanwege de verwachte krapte op de arbeidsmarkt. Ten gevolge van een economische crisis zijn de verwachtte te-korten op de arbeidsmarkt evenwel uitgebleven, is de arbeidsmarkt echter wel verder geflexibiliseerd en is de nadruk op participatie in betaald werk eerder toe dan afgenomen.
In het landverslag dat de Europese Commissie in februari over Nederland heeft gepubliceerd, wordt met klem gewezen op wat er mis gaat op de Nederlandse arbeidsmarkt. Het Nederlandse werkloosheidscijfer, één van de laagste in de Europese Unie, heeft volgens het verslag een donkere keerzijde. De toegenomen werkgelegenheid is vooral te danken aan tijdelijke contracten en werk voor zzp’ers. Met het aandeel tijdelijk werk heeft Nederland dan ook één van de hoogste scores gevestigd in de Europese Unie. Het verslag tekent er bij aan dat het percentage onvrijwillig tijdelijk werk van 33,9% in 2010 is opgelopen is naar 54,6% in 2015. Het is een ontwikkeling die volgens de Europese Commissie toenemende tegenstellingen op de arbeidsmarkt en toenemende baanonzekerheid met zich mee brengt. Het ‘van de wal in de sloot’-gevoel van mensen op zoek naar werk vanuit een uitkeringssituatie, is dus niet alleen maar een ‘gevoel’ en vraagt volgens de Europese Commissie dringend om actie van een volgend kabinet..

Trinus Hoekstra, diaconaal specialist bij Kerk in Actie binnenland en secretaris van de Beraadgroep Samenlevingsvragen van de Raad van Kerken

Klik hier om naar de startpagina van het themadossier 'Werk, werkloosheid en nieuwe wegen' te gaan.

SER adviseert de regering over sociaal ondernemen

sociaal ondernemenKlik hier om dit artikel te downloaden als pdf-document.

De Sociaal-Economische Raad heeft op 22 mei 2015 het SER-advies ‘Sociale ondernemingen: een verkennend advies’ vastgesteld. Dit rapport is de reactie van de Raad op een adviesvraag van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Hij heeft de SER gevraagd in hoeverre en op welke wijze de (rijks)overheid aansluiting kan vinden bij de ontwikkelingen rondom sociaal ondernemerschap. Deze hoofdvraag bestaat uit vier subvragen:

  • Karakter van sociale ondernemingen: wat is het / wat zou het moeten zijn?
  • Wat kunnen sociale ondernemingen betekenen voor de oplossing van maat-schappelijke problemen?
  • Wat zijn eventuele belemmeringen hierbij?
  • Wat zou er nog moeten gebeuren en wie is hierbij aan zet?

Het advies heeft een verkennend karakter en de invalshoek is de ontwikkeling van sociale ondernemingen in Nederland. Het advies geeft geen antwoord op de vraag op welke wijze een specifiek maatschappelijk probleem het beste kan worden opgelost.

Sociaal ondernemen

De SER kiest een heldere definitie van de sociale onderneming die volledige aansluit bij die van Social Enterprise NL, en welke tevens door de Europese Unie wordt gebruikt: “Sociale ondernemingen hebben in ieder geval gemeen dat het zelfstandige ondernemingen zijn, die een product of dienst leveren en primair en expliciet een maatschappelijk doel nastreven.” Het gaat om ondernemingen die enerzijds economisch zelfstandig zijn en dus niet duurzaam volledig afhankelijk zijn van subsidies, schenkingen en donaties. Anderzijds zijn het organisatorisch zelfstandige ondernemingen die hun beleid onafhankelijk van de overheid of van ‘reguliere’ bedrijven kunnen voeren. Voor sociale ondernemingen staat de financiële doel-stelling ten dienste van het primaire maatschappelijke doel. Dit onderscheidt de sociale onderneming van andere ondernemingen.
Deze definitie geeft duidelijke en werkbare handvatten om sociaal ondernemers te herkennen en hen te ondersteunen. Het Platform Social Enterprise NL is aanjager van de beweging van sociaal ondernemers: ondernemers die kiezen voor maatschappelijke waarde. En ver-schillende partijen zoals aangesloten bij het Platform Social Enterprise NL zijn actief geweest bij het tot stand komen van het advies. Het adviesrapport van de SER, dat 70 pagina’s telt, erkent de waarde van sociaal ondernemers voor de Nederlandse maatschappij en geeft concrete aanbevelingen hoe de sector verder versterkt kan worden.
De belangrijkste actiepunten van de SER om knelpunten van sociale ondernemingen weg te nemen zijn:

  1. Investeer gezamenlijk in impactmeting (par. 5.3)
  2.  Versterk de samenwerking tussen sociale ondernemingen (par. 5.4)
  3. Vergroot de kennis bij overheid en bij sociale ondernemingen (par. 5.5)
  4. Onderzoek de mogelijkheid voor een ‘label’ voor sociale ondernemingen (par.5.6)
  5. Verbeter het financieringsklimaat (par. 5.7)
  6. Creëer meer ruimte bij overheidsinkoop (par. 5.8)

De aanbevelingen van de Raad zijn in een tabel samengevat, die het actiepunt noemt, wie aan zet is, waar bij aangesloten kan worden en welk knelpunt wordt opgelost.

Bijdrage aan de oplossing van maatschappelijke problemen

Om zicht te krijgen op de bijdrage van sociale ondernemingen in Nederland zou men idealiter het maatschappelijk rendement op macroniveau willen vaststellen. Voor een dergelijke analyse van de verhouding tussen maatschappelijke baten en maatschappelijke kosten zijn echter nog onvoldoende gegevens beschikbaar. De raad beperkt zich in hoofdstuk drie tot een kwalitatieve duiding van de maatschappelijke baten van sociale ondernemingen voor-namelijk op basis van casuïstiek. Hierbij is gebruikgemaakt van zelfrapportage door onder-nemingen die zichzelf als sociale ondernemingen zien en dit ook uitdragen (bijvoorbeeld door lid te zijn van het platform Social Enterprise NL).

Waar sociale ondernemingen tegenaan lopen

De raad vat in hoofdstuk vier de belangrijkste belemmeringen samen die het vergroten van het maatschappelijk rendement van sociale ondernemingen in de weg staan.

  1. Knelpunten bij het meten van de impact
    Sociale ondernemingen onderscheiden zich door hun missie; uiteindelijk moeten ze echter ook hun daadwerkelijke bijdrage aan het maatschappelijke doel, hun impact, kunnen laten zien. Op dit punt is duidelijk nog winst te boeken. Het meten van de maatschappelijke impact is complex (en duur).
  2. Beperkte herkenning en erkenning
    Sociale ondernemingen voelen zich onvoldoende erkend en herkend in het onder-scheid met commerciële spelers of goededoelenorganisaties. Het brede publiek is vaak nog niet bekend met het bestaan van sociale ondernemingen. Klanten en investeerders willen er op kunnen vertrouwen dat de sociale onderneming duurzaam de maatschappelijke impact vooropstelt. Het gaat niet alleen om de uitdaging om de ge-realiseerde impact te meten, maar ook om deze voor een breed publiek transparant en toegankelijk te maken.
  3. Knelpunten bij de financiering
    Het aantrekken van financiering is vaak een knelpunt voor sociale ondernemingen. In vergelijking met andere mkb-bedrijven hebben sociale ondernemingen te maken met een aantal aanvullende complicaties op dit gebied. Doordat de maatschappelijke missie kostenverhogend kan werken en het financieel rendement niet vooropstaat, is het financieel rendement vaak minder. Ook weten sociale ondernemingen en potentiele investeerders en financiers elkaar nog niet altijd te vinden en ze spreken vaak niet dezelfde taal.
  4. Belemmeringen door wet- en regelgeving
    De werelden van ondernemers en overheid sluiten niet goed op elkaar aan. Zo is er te weinig experimenteerruimte om tegemoet te komen aan nieuwe ontwikkelingen, dan wel wordt deze ruimte onvoldoende gebruikt. Daarnaast hebben (sociale) onder-nemers vaak te maken met verschillende (beleids)onderdelen van de gemeente en daarmee verschillende loketten die niet goed op elkaar aansluiten.
  5. Knelpunten bij overheidsinkoop
    Indien bij aanbestedingen uitsluitend naar de laagste prijs gekeken wordt, dan kunnen sociale ondernemingen daarvan een concurrentienadeel ondervinden en krijgen innovatie en een ondernemende aanpak van maatschappelijke problemen onvoldoende ruimte. De toepassing van 'social return' benadeelt in de praktijk sociale ondernemingen en andere bedrijven die los van de aanbesteding mensen met een arbeidsbeperking in dienst hebben. Beleidsverschillen tussen gemeenten belemmeren het uitbreiden van activiteiten door sociale ondernemingen.

De actiepunten uit het SER-advies op een rij

Het SER-advies bevat een actielijst met diverse aanbevelingen, waaronder:

  • een impactmeting om de meerwaarde van sociale ondernemingen te kwantificeren;
  • een kenniscentrum sociaal ondernemerschap voor samenwerking, kennisontwikkeling en opschaling bij impactmeting;
  • vergroten van kennis bij beleidsmakers en overheidsinkopers, bijvoorbeeld door een leeratelier sociaal ondernemerschap;
  • meer aandacht voor maatschappelijke uitdagingen in het ondernemerschapsonderwijs;
  • bundelen van relevante (digitale) overheidsinformatie;
  • onderzoek doen naar een label voor sociale ondernemingen;
  • experimenteren met impactfinanciering (op basis van behaalde resultaten);
  • instellen van een duidelijk aanspreekpunt bij gemeenten;
  • afstemming van regels en procedures tussen en binnen gemeenten.

Advies bruikbaar voor burgerlijke gemeenten

De Raad ziet in de aanbevelingen van hoofdstuk vijf een belangrijke rol weggelegd voor de overheid en in het bijzonder voor gemeenten. De SER doet gemeenten onder meer de volgende aanbevelingen:

  1. Vergroot binnen de organisatie de kennis over sociaal ondernemen.
  2. Verbeter het financieringsklimaat voor sociale ondernemingen door te investeren in nieuwe financieringsvormen, zoals 'social impact bonds'.
  3. Creëer meer ruimte voor sociale ondernemingen bij overheidsinkoop , onder meer door de ruimte te benutten die de aanbestedingswetgeving biedt.
  4. Wijs binnen de gemeente een duidelijk aanspreekpunt aan voor sociale ondernemingen.

Voor de sociale werkvoorzieningsbedrijven in gemeenten liggen er specifieke kansen. In de praktijk werken sw-bedrijven al steeds vaker samen met sociale ondernemingen. Veel ge-meenten verwachten dat sociale ondernemingen ook een belangrijke rol kunnen gaan spelen bij de realisatie van de banenafspraak.
Daarnaast ziet het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in reactie op het Advies mogelijkheden voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Het ministerie heeft de SER onlangs dan ook verzocht om een vervolgadvies te formuleren over maatregelen die de samenwerking tussen werkbedrijven, sociale ondernemingen en overige organisaties kunnen stimuleren.
Een aantal gemeenten is in de praktijk al bezig om sociaal ondernemerschap te bevorderen, binnen hun eigen gemeente of in de regio. Daarbij zijn uiteenlopende maatregelen en initiatieven te onderscheiden, allemaal specifiek gericht op sociale ondernemingen:

  • Een startersfonds
  • Specifieke begeleiding voor starters
  • Een kennisplatform
  • Een bedrijfsverzamelgebouw creëren
  • Veranderde inrichting van 'social return'
  • Delen van het sw-bedrijf verzelfstandigen tot een sociale onderneming

Er is voor burgerlijke gemeenten veel mogelijk, en er is altijd sprake van maatwerk. Belangrijk is dat een gemeente helder is over haar rol. Kernwoorden zijn samenwerken, faciliteren en stimuleren.

Reactie kabinet op SER-advies: positie sociale ondernemingen verbeteren

Het kabinet heeft op 5 juli 2016 een Reactie op het Advies gegeven en naar de Tweede Ka-mer gestuurd. Het kabinet erkent het belang van bedrijven met een maatschappelijke missie en wil de maatschappelijke impact ervan helpen vergroten. Deze sociale ondernemingen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan maatschappelijke participatie, integratie en leefbaarheid. Sociale ondernemingen hebben nu vaak moeite om hun maatschappelijke meerwaarde aan te tonen. Daarom komt er een onderzoek naar hoe de maatschappelijke impact van het brede scala van sociale ondernemingen het best gemeten kan worden.
In het Advies signaleert de SER een aantal knelpunten en formuleert een reeks aanbevelingen. Naar aanleiding van het advies wil het kabinet een aantal acties ondernemen. Onder meer om de kennis bij overheden te vergroten en overheidsinformatie voor sociale ondernemers op één plek te bundelen; om het financieringsklimaat te verbeteren; en om de ruimte die de aanbestedingswetgeving biedt met het oog op maatschappelijke doelstellingen beter te benutten.
Het SER-advies omschrijft sociale ondernemingen als ondernemingen die primair een maat-schappelijk doel hebben, maar plaatst deze in een continuüm. Het kabinet sluit zich hierbij aan: ‘Alle bedrijven hebben sociale impact, bijvoorbeeld in de vorm van banen en in toenemende mate door Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen, maar sociale ondernemingen kunnen een voorbeeldfunctie vervullen.’ Doel van het kabinet is niet het creëren en vergroten van een aparte ‘sector’ van sociale ondernemingen, maar het vergroten van de positieve maatschappelijke baten. Het kabinet deelt de conclusie van de SER dat het niet wenselijk is om een aparte rechtsvorm voor sociale ondernemingen in het leven te roepen. Mochten bedrijven met een maatschappelijke missie zelf het initiatief nemen voor een speciaal ‘label’ voor sociale ondernemingen, dan zal de overheid dit initiatief met positieve blik bekijken.
Het kabinet gaat tevens met de sociale ondernemingen over het vorig jaar uitgebrachte SER-advies in gesprek. Het kabinet nodigt de SER van harte uit om betrokken te blijven bij vervolgstappen. Het gaat de SER ook om een vervolgadvies vragen. Daarin zal onder meer worden gevraagd hoe de overheid en sociale ondernemingen samen kunnen optrekken om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt te re-integreren.

Hub Crijns, bestuurder Landelijk Katholiek Diaconaal Beraad

Klik hier voor informatie over Social enterprise NL
Klik hier om het rapport te downloaden.
Klik hier voor een persbericht over het rapport.

Klik hier om naar de startpagina van het themadossier 'Werk, werkloosheid en nieuwe wegen' te gaan.

De strijd tegen armoede behoeft een nieuwe noemer

Samenvatting artikel 'Kan arbeid de groeiende kloof in de samenleving overbruggen?'

De strijd tegen armoede is vastgelopen. Vastgelopen enerzijds in een overheidsoffensief om mensen terug een arbeidsmarkt op te sturen die hen eerst buiten spel heeft gezet en die hen nu afscheept met een loon waarvan niet valt te leven. Vastgelopen anderzijds in een maat-schappelijk offensief om met charitatieve activiteiten de ergste nood van mensen te lenigen zonder de structurele oorzaken van deze nood op te sporen en aan te pakken. Drie ontwikkelingen hebben bijgedragen aan het ontstaan van deze verlammende situatie. Op de eerste plaats het verdwijnen van het vermogen bij het gros van de mensen om zich de samenleving anders voor te stellen dan deze nu is. Dat vermogen was al niet zo goed ontwikkeld en bij de val van de Berlijnse Muur in 1989 is het nagenoeg geheel verloren gegaan. Daardoor kunnen mensen, organisaties, partijen, overheden zich geen samenleving meer voorstellen die anders is dan de huidige.
Dat onvermogen versterkt een tweede ontwikkeling die altijd al in de kiem aanwezig was, namelijk het reduceren van maatschappelijke vraagstukken tot persoonlijke problemen. Het armoedevraagstuk wordt gedefinieerd en dus ook behandeld als een probleem van/met arme mensen. Een derde ontwikkeling die in de hand werkt dat de strijd tegen armoede versnippert in een reeks van individuele aanpassings- en hulptrajecten, is het zich terugtrekken van maatschappelijke organisaties op hun eigen kerntaak. Dat belemmert de vorming van dwarsverbanden en coalities die nodig zijn om uit het gangbare denken en doen te breken. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw vormden zich basisgroepen van achtergestelden, waaronder werklozen, arbeidsongeschikten, buitenlandse werknemers en andere migranten, bijstandsmensen en minimumloners. Ze werden ondersteund door kritische welzijnswerkers die vooral actief waren in achterstandswijken. Vanuit concrete hulpverleningssituaties probeerden deze werkers maatschappelijk achtergestelden aan te zetten tot en te helpen bij het ontwikkelen van een sociale politiek. Dat gebeurde met het doel om in alle sectoren van de samenleving te komen tot een rechtvaardiger verdeling van de welvaart. Het na de oorlog opgebouwde stelsel van sociale zekerheid voldeed in hun ogen niet meer: het was te zeer vervlochten met een economisch bestel dat ongelijkheid creëert en de aarde uitput.
Om concrete hulp en maatschappelijke verandering aan elkaar te koppelen en om verschillende bewegingen met elkaar te verbinden werd vanaf het midden van de jaren zeventig de strijd tegen armoede als gezamenlijke noemer gelanceerd. Deze noemer heeft decennialang een samenbindende en mobiliserende werking gehad. Zeker in het begin toen de landelijke politiek en overheid tegen de feiten in bleven ontkennen dat in het rijke Nederland sprake was van armoede. Uiteindelijk werd bij de overheid toch de erkenning afgedwongen dat er inderdaad ook in Nederland sprake was van armoede. Dat betekende aanvankelijk een ver-sterking van de brede strijd tégen verarming en vóór vernieuwing van de samenleving. Maar in het eerste decennium van deze eeuw kreeg de geïndividualiseerde armoedevisie van de overheid steeds meer aanhang en werd armoede meer en meer verengd tot een probleem van achterblijvers, die eerst en vooral geholpen moesten worden om weer aan het werk te komen. Daardoor is de mobiliserende werking van de noemer ‘armoede’ steeds meer teloor gegaan. De kloof tussen arm en rijk is toegenomen; mensen zijn daar bezorgd en boos over. Armoede is niet langer een geschikte term om deze groeiende boosheid uit te laten groeien tot een positieve beweging voor vernieuwing van de samenleving. Daar is een andere noemer voor nodig met een verbindende en mobiliserende werking die vergelijkbaar is met de functie die destijds termen als ‘sociale zekerheid’ en ‘armoede’ hadden. De term ‘bestaanszekerheid’ lijkt zich daar voor aan te dienen.
De beweging die deze vernieuwing in gang zet, is al gaande. Vanuit de basis van de samenleving. Op diverse terreinen. Ze komt concreet tot uiting in een bonte verzameling van burgerinitiatieven, die allemaal kenmerken van sociale coöperaties in zich dragen. Er moet voor gewaakt worden dat overheden en organisaties – al dan niet met goede bedoelingen – deze beweging overnemen en ze daarmee beroven van haar veranderkracht. Daarom is het maken van goede afspraken over de onderlinge relatie van belang: dat kan de bewegingen ondersteunen in hun verkenningstochten naar nieuwe verhoudingen in de samenleving en het kan de overheden weer meer terugbrengen naar haar rol van temmer van een doorgeschoten markteconomie. Dat vernieuwingsproces speelt zich af in een nieuw sociaal domein, dat naast het private en het publieke domein ontstaat. Het is het domein van het gemeenschappelijke, het gemeengoed, het domein waar particuliere initiatieven inhoud en vorm geven aan collectieve belangen, aan grondrechten rond bestaanszekerheden waarvoor voorheen de overheid garant stond. Dat heeft ook een vernieuwende werking ten aanzien van de inhoud en vorm van deze bestaanszekerheden, waaronder met name werkgelegenheid. In plaats van arbeid die mens en aarde opsoupeert, ontwikkelen mensen in sociale coöperaties vormen van bewarende arbeid, arbeid die mens en natuur in stand houdt, bewaart. Zo’n arbeid kan wel een brug slaan over de dieper geworden kloof in de samenleving.

Klik hier om het hele artikel te lezen.

Klik hier om naar de startpagina van het themadossier 'Werk, werkloosheid en nieuwe wegen' te gaan.

UWV Arbeidsmarktanalyse 2017

arbeidsmarktanalyseKlik hier om dit artikel te downloaden als pdf-document.

De arbeidsmarkt verandert snel. Er ontstaan nieuwe beroepen en nieuwe banen, maar er verdwijnt ook werkgelegenheid. Daarbij zijn er groepen op de arbeidsmarkt die het risico lopen blijvend buitenspel te staan. UWV heeft de arbeidsmarktanalyse 2017 gepubliceerd met als doel om met deze analyse een bijdrage te leveren aan de arbeidsmarktpositie van groepen met afstand tot de arbeidsmarkt, en input te leveren voor een goede werking van de arbeidsmarkt. In onderstaande bijdrage enkele interessante en opmerkelijke onderdelen. Die komen vaak overeen met zaken die de Sociale Alliantie al langer bepleit. Misschien worden de geesten (te) langzaam rijp?

Uit de analyse blijkt dat ondanks de ‘goede tijden’ er onvoldoende banen zijn / komen voor iedereen die wil en kan werken. Banen aan de onderkant van het middensegment gaan verdwijnen. Om de wens van het zijn van een participatiesamenleving (zo goed mogelijk) te realiseren, zullen we moeten investeren in mensen, is het devies. Investeren in scholing en ‘employability’ loont en rendeert ook maatschappelijk.

Werkgelegenheid en werkloosheid

Werkgelegenheid en werkloosheid worden niet gelijk verdeeld over de bevolking. Er zijn groepen met een structureel slechte positie op de arbeidsmarkt: laagopgeleide mannen en vrouwen die vaak geen startkwalificatie hebben; vrouwen op middelbaar beroepsniveau; niet-westerse migranten; oudere langdurig werklozen. Tot zover niets nieuws.
Betreurenswaard is dat Nederland de minst inclusieve arbeidsmarkt kent. Het verschil in participatie tussen niet-arbeidsbeperkten en arbeidsbeperkten is in ons land groter dan in andere Europese landen. En dat is maar voor een deel te verklaren uit definitieverschillen. De werkloosheid is 2,5 maal zo hoog onder arbeidsbeperkten!
De 50 experts die onderzoeksbureau Panteia heeft geraadpleegd, komen soms met onorthodoxe oplossingen. Voorstellen die het / een Kabinet misschien niet zo graag leest. Zoals het scheppen van additionele werkgelegenheid of het handhaven van de SW-banen. En ook is er aandacht voor het inzetten van uitkeringsgelden om werk te scheppen.

Vrijwilligerswerk

De deskundigen kennen een interessante rol toe aan vrijwilligerswerk. Ze vragen aandacht voor het realiseren van werk door vrijwilligerswerk om te bouwen naar betaalde banen. Volgens de deskundigen is het nog maar de vraag zich daarbij stellen is of betaald werk in plaats van vrijwilligerswerk ook daadwerkelijk meer geld kost. Hun inschatting is dat de maatschappelijke kosten voor buiten het betaalde arbeidsproces staan, veelal hoger zijn dan die voor het scheppen van werk!

Technologie

Ook in arbeidsbemiddeling en reïntegratie liggen mogelijkheden om gebruik te maken van nieuwe technologie om vraag en aanbod beter aan elkaar te koppelen. Een voorbeeld is de analyse van 'big data'. Daardoor kan meer tijd beschikbaar komen voor persoonlijke ondersteuning van werkzoekenden. Dus ook hier weer meer aandacht voor de mens!

Mismatch

Oplossingen voor het niet aansluiten van het aanbod van op de vraag naar arbeid (soms is het Engels iets korter) zijn niet zo makkelijk. De deskundigen komen niet zo ver en zijn ook niet (meer) unaniem. Het gaat vooral over kennis en arbeidsmarktinformatie; wat zijn kansrijke en wat zijn krimpberoepen? Alsof er niet al (meer dan) genoeg wordt onderzocht? Een gemiste kans vind ik hier het ontbreken van aandacht voor scholing, opleidingen en ‘employability’ (brede en flexibele inzetbaarheid van werknemers). Eerder is geconstateerd dat ICT- en sociale vaardigheden de allereerste vereisten zijn om kansrijk te zijn op de arbeidsmarkt. Als daar in algemene zin op wordt ingezet, biedt je mensen waarschijnlijk een aardige basis voor een bredere inzetbaarheid. Dan wordt het switchen van baan ook veel gemakkelijker, zonder dat je een heel nieuw beroep moet leren.

Arbeidsmobiliteit en individualiseren van leerrechten

Gelukkig komt die aandacht wel weer terug bij dit onderwerp. De oproep die de deskundigen hier doen: Investeer duurzaam en structureel in het vergroten van de employability en weerbaarheid van mensen op de arbeidsmarkt. Zorg ervoor dat zij over hun toekomst gaan na-denken. Stimuleer dat zij hun eigen verantwoordelijkheid (kunnen) nemen. Ook is van belang dat mensen worden gefaciliteerd om hun keuze uit te kunnen voeren. Het individualiseren van leerrechten in de vorm van bijvoorbeeld scholingsvouchers is volgens veel deskundigen een goede optie.

Scholing is urgent

Wat betreft die scholing heeft Nederland ook nog wat in te halen. We nemen in Europa op het gebied van Leven Lang Leren slechts een middenpositie in. Daarnaast is de scholingsintensiteit afgenomen: het gemiddeld aantal opleidingsuren per werknemer of werkzoekende is sinds 2004 gedaald. Waarbij werknemers uit kwetsbare groepen de minste scholing ontvangen. Hoogste tijd om serieus aan de slag te gaan. Hier hoeven we toch geen nader onderzoek op los te laten!? Ouderen volgen minder vaak scholing dan jongeren. Van de werkenden met een flexibel contract is het aandeel dat scholing volgt ook sterk gedaald.
Het onderwerp scholing en Leven Lang Leren is het meest van alle thema’s voorbijgekomen. Dat tekent het belang dat de deskundigen hieraan hechten. In de eerste plaats is er de oproep om meer te doen aan vergroting van structurele mogelijkheden van om-, her- en bijscholing. Ook een structureel stelsel van leerrechten of een nationaal scholingsfonds kan volgens de deskundigen een beleidsrichting zijn.

Concluderend

De arbeidsmarktanalyse maakt enkele urgente zaken bij het realiseren van de ‘participatie-samenleving’ duidelijk. Jammer is dat er diverse experts zijn geraadpleegd, maar niet de mensen waarover het in belangrijke mate gaat. De grote vraag is wat er met alle voorstellen wordt gedaan. In de analyse worden ze steeds ‘beleidsuitdagingen’ genoemd. Daarmee worden ze op het bord van de overheid gelegd. En dan blijft het natuurlijk de vraag of en wanneer er iets mee gedaan wordt. De urgentie is erg duidelijk verwoord. Maar is er ook een wil om de belangen van kwetsbare mensen – werkonzekerheid + inkomensonzekerheid + gezondheidsrisico’s + gebrekkige scholing – echt te behartigen? Of trapt de politiek het balletje en de verantwoordelijkheid weer terug naar de werkgevers? De verkiezingen waren al een tijdje geleden en de zomer moet nog beginnen: dat wordt zweten!

Klik hier voor de samenvatting van het rapport (8 pagina’s). 
Klik hier voor de hele analyse. 

Ger Ramaekers

Klik hier om naar de startpagina van het themadossier 'Werk, werkloosheid en nieuwe wegen' te gaan.

Pleidooi SER voor structurele aanpak van armoede

Op verzoek van het kabinet heeft de SER (Sociaal-Economische Raad) een advies uitgebracht over de aanpak van armoede onder kinderen. De titel van het advies luidt 'Opgroeien zonder armoede'.
Klik hier voor meer informatie over de inhoud van dit advies.

Wij willen in deze bijdrage inzoomen op een toegevoegd advies, namelijk dat de compensatieregelingen voor arme kinderen aangevuld moeten worden met een meer structurele en systematische aanpak van de oorzaken van armoede. Dus niet alleen hulp aan arme mensen – kinderen in dit geval – maar ook een beleid dat het ontstaan en voortbestaan van armoede bestrijdt. De SER noemt de volgende maatregelen in het kader van het wegnemen van structurele oorzaken van armoede:

  • Meer banen met groter aantal uren, die voldoende inkomen en inkomenszekerheid bieden.
  • Minder algemene en meer gerichte inkomensondersteuning: per persoon kijken wat de inkomsten zijn in relatie tot (vaste) lasten, toeslagen en schulden.
  • Het bevorderen van (financiële) redzaamheid met toepassing van inzichten uit de gedragswetenschappen (direct contact; budgetcoaching; belonen i.p.v. straffen).
  • Preventie van armoede en schulden, alsmede beleid gericht op het voorkómen van terugval.
  • Integrale aanpak met duidelijke afspraken over wie op welk niveau welke actie moet ondernemen. Dat geldt voor samenwerking tussen Rijk en gemeenten; binnen de gemeentelijke organisatie; met scholen en organisaties uit het maatschappelijke middenveld, met bedrijven. Gemeenten kunnen een armoederegisseur aanstellen om dit te bevorderen.
  • Toeslagenstelsel herzien met als inzet een stelsel dat minder algemeen is en meer toegespitst op groepen die deze steun het hardste nodig hebben. En de huidige aanvraagsystematiek vervangen door een vorm van directe financiering van instellingen die een voorziening leveren.

Het zijn zonder meer zinnige maatregelen die de SER aanbeveelt. Als ze toegepast worden verbetert het armoedebeleid zonder meer. Maar zijn dit nu de maatregelen die de structurele oorzaken van armoede kunnen wegnemen? Wij vrezen van niet. De voorgestelde maatregelen blijven daarvoor te dicht bij het beleid van caritas en compensatie. Het belangrijkste signaal dat de SER afgeeft zijn niet deze ‘structurele’ maatregelen, maar is de boodschap dat compensatie en caritas niet volstaan en dat de structurele oorzaken van armoede moeten worden aangepakt. De SER was gevraagd een advies uit te brengen over de aanpak van armoede onder kinderen. Het verdient lof dat de commissie van de SER deze opdracht heeft aangegrepen om erop te wijzen dat het bestrijden van armoede meer is dan het verzachten van de gevolgen ervan.
Om de vinger te leggen op de meer fundamentele oorzaken van armoede, moet een laag dieper gegraven worden dan de SER nu doet. De SER zou niet zozeer te rade moeten gaan bij onderzoekers die over armoede schrijven, maar bij onder-zoekers die de rijkdom analyseren. De onderzoekers van de rijkdom laten zien hoe wereldwijd en dicht bij huis rijkdom wordt vergaard en rijkdom wordt verdeeld; welke houdingen en verhoudingen aangaande dit vergaren en verdelen zijn gegroeid; welke effecten dit heeft op de sociale en economische ordening van de samenleving; welke groepen hierbij bevoordeeld of benadeeld worden; welke legitimeringen en vanzelfsprekendheden dienaangaande worden gehanteerd; welke belemmeringen het gangbare vergaren en verdelen van rijkdom heeft voor de oplossing van maatschappelijke problemen zoals de toenemende ongelijkheid tussen (groepen) mensen en landen. Een studie van de rijkdom zou een beter zicht kunnen geven op de relatie die er bestaat tussen rijkdom en armoede. Ze kan inzichtelijk maken dat de economie waarop onze huidige welvaartsstaat rust, wereldwijd ongelijkheid nodig heeft om vooruit te komen en dat de kloof tussen arm en rijk groei, internationaal en nationaal.
Pas als de SER zo’n studie van de rijkdom maakt, zullen de meer fundamentele oorzaken van de armoede aan het licht komen. Daarbij hoort ook een bezinning op de veranderde positie die de overheid heeft ingenomen ten aanzien van de markteconomie. Voorheen deed de overheid haar best om de scherpe kantjes van deze economie af te slijpen; de laatste decennia is de overheid meer dienstknecht dan regisseur van de markteconomie geworden. De Duitse socioloog Stephan Lessenich heeft onlangs een studie gepubliceerd die een goede bijdrage zou kunnen leveren aan een SER-onderzoek naar rijkdom. De titel van deze studie luidt Neben uns die Sintflut. De zondvloed vindt niet na ons, maar naast ons plaats. Lessenich laat zien dat de samenhang tussen rijkdom en armoede steeds duidelijker aan de dag treedt, veraf en dichtbij. We leven boven onze verhoudingen en boven de verhoudingen van anderen. En tegelijk leven we beneden onze mogelijkheden daarin verandering te brengen.

Helden, 10 april 2017
Raf Janssen

logo armoede live

logo initiatief nu

logo expeditie sociale cooperatie

Adres

Stimulansz
t.a.v. Ger Ramaekers / Sociale Alliantie
Postbus 2758
3500 GT Utrecht

mailadres2

Volg ons op sociale media