logo-sociale-alliantie6

Robots en de kunst van het nietsdoen

robotjesKlik hier om dit artikel te downloaden als pfd-document.

De dreiging van het verlies van banen door automatisering en robotisering is weer eens actueel. Het blijkt nog steeds een spookbeeld dat mensen minder zouden hoeven te werken. Het kan toch niet bezwaarlijk zijn dat mensen meer tijd zouden hebben om echt zinnige dingen te doen? Het wegwerken van tekorten op terreinen waar echt sprake is van schaarste, denk aan mantelzorg of vrijwilligerswerk, moet economen toch fantastisch in de oren klinken? Maar de aanhangers van het geloof in een ongebreidelde groei van de economie als het enig ware op aarde zien een ander spook opdoemen: Dat de loonafhankelijken tot het besef komen dat er meer is dan een volledige werkweek. Of dat het ook wel prettig is als je fatsoenlijk betaald wordt en het werk ook een beetje leuk blijft. Neem Ryanair. Daar zijn de piloten zodanig uitgebuit dat ze vertrekken en er duizenden vluchten uitvallen. Bazen, aandeelhouders en financiers zien niet zo graag dat het keurslijf van de betaalde arbeid niet meer zo knelt. Dat gaat ten koste van de winst, dividend en andere douceurtjes voor de kapitaalkrachtigen. Dan lijkt het wel of arbeid het gaat winnen van kapitaal.

Werk voor jezelf

Ook bedreigend is natuurlijk dat mensen kiezen voor andere soorten arbeid. André Gorz, Frans sociaal filosoof, 1923 –2007, schreef in de jaren ’80 en ’90 veel over de waarde en een gelijke verdeling van (loon)arbeid. Hij sprak over drie soorten arbeid. Naast betaald werk is er ook werk-voor-jezelf. Dat is het werk dat mensen direct uitvoeren voor zichzelf of hun omgeving. Denk aan huishoudelijk werk, het onderhouden van sociale relaties, mantelzorg of het opvoeden van kinderen. Werk-voor-jezelf kan uitbesteed worden aan mensen of aan robots. De calvinistische voorstanders van een (meer dan) 40-urige werkweek kunnen zich niet voorstellen dat mensen zelf (voor een groot gedeelte) hun kinderen willen opvoeden. Door dit soort werk niet uit te besteden, onttrekken mensen zich aan de markttucht. Dit is waar Ivan Illich in 1978 op doelde toen hij schreef: “… om dit maatschappelijk alternatief te kunnen verwezenlijken zal de gewone man in staat moeten zijn zich op een nieuwe, rationele en cynische wijze te weer te stellen tegen de professionele manipulatie van de behoeften .“

Nuttige werkloosheid

Illich bekritiseerde de industriële samenleving op het moment dat de maakbaarheid van de samenleving nog op instemming kon rekenen. Destijds heette hij een radicaal-linkse criticus te zijn. Vanuit de huidige tijd kun je stellen dat hij één van de vroege stemmen was die waarschuwden voor ongebreideld vertrouwen in marktwerking.
Hij zag de grote waarde (voor mens en samenleving) van onbetaald werk. Een mens is van meer markten thuis en beweegt zich ook op meerdere markten. Werkloosheid is niets dra-matisch, integendeel. Voor het voldoen aan essentiële behoeftes - vrijheid, creativiteit en werkelijke bevrediging – hoef je geen baan te hebben. Om even terug te keren naar het begin: je zou het dus ook als een zegen kunnen zien, die robotisering. Of als het ultieme bewijs van beschaving: mensen zo min mogelijk vermoeien met banen. Maar dan stuit je op onbegrip.

Autonome arbeid

Daarmee komen we ook weer even terug bij André Gorz. De derde vorm van werk die hij benoemt is autonoom werk. Dat is werken omwille van het werk zelf en de vervulling die het je geeft. Het eindproduct of resultaat is minder belangrijk dan de werkzaamheden zelf. Denk bijvoorbeeld aan mensen die een instrument bespelen of ergens anders goed in zijn, zonder dat ze ervoor betaald worden. “Werk dat men buiten betaalde arbeid om doet, wordt gemin-acht, zo niet genegeerd. Autonome activiteiten bedreigen de werkgelegenheid, doen afwijkend gedrag ontstaan en verminderen het Bruto Nationaal Product; wat onder deze noemer valt, beschouwt men dan ook niet als werk in de eigenlijke zin des woords.(…) Van belang is in een marktgeoriënteerde samenleving niet het streven naar waardering of plezier dat uit dat streven voortkomt, maar de koppeling van arbeid en kapitaal .”

Eerlijke verdeling

Ook over eerlijke verdeling schreef Illich. Tegenwoordig worden we zoet gehouden met cijfers die aantonen dat de verschillen in inkomens niet (meer) toenemen. Over het principe, dat de verschillen in inkomens veel te groot zijn, daar gaat het niet meer om. Illich eindigt zijn boek als volgt: “Een maatschappij die zich toelegt op de bescherming van eerlijk verdeelde, moderne en doelmatige werktuigen voor de uitoefening van productieve vrijheden, kan alleen verwe-zenlijkt worden als de goederen en de hulpbronnen waarop de uitoefening van deze vrijheden berust, billijk onder allen verdeeld worden.”

En hiermee zijn we midden in onze huidige tijd aanbeland. Van steeds meer kanten wordt gesteld dat het aandeel van arbeid en kapitaal in de economie niet meer in balans zijn. Het aandeel van lonen in de westerse economieën wordt steeds kleiner. Aan de andere kant stijgt de winstgevendheid van bedrijven steeds verder. Het moge duidelijk zijn dat werknemers of mensen met een daaraan gerelateerd inkomen daar niet van profiteren. Iets deftiger: de beloning van de factor arbeid blijft sterk achter bij die van de factor kapitaal. Interessant is dat zelfs de werkgevers van mening zijn dat loonsverhoging in Nederland broodnodig is. Ook komt er wat aandacht voor de (eerlijke) verdeling van opbrengsten. Bill Gates doet dan een ouderwets voorstel met zijn idee van belastingheffing op robots. Een veel fundamentelere oplossing is als consumenten meedelen in de winst van de grote technologiebedrijven.

Voor de goede orde

Zijn we uiteindelijk steeds minder gaan werken? Integendeel. Onderzoek laat zien dat we steeds meer werken. En dat hebben we niet eens in de gaten. Erger nog, we krijgen er niet eens voor betaald. Elke zoekopdracht in google is geld waard. Van al dat zoeken wordt google alsmaar rijker. Het bedrijf monitort gedrag, stelt profielen samen en verkoopt die. De meeste mensen zijn de hele dag bezig met gratis werken want ze kunnen niet meer zonder hun ‘smartphone’. Wie verdient hier slim geld? Of zoals hoogleraar Eric Bartelsman het met een mooi voorbeeld verduidelijkt: “Als de robotstofzuiger over de staart van mijn kat rijdt, kan er een signaal uitgaan naar de robotcentrale: vermijd dit. Mijn kat heeft dan gratis economi-sche productiewaarde geleverd.” (Financieel Dagblad, 11 maart 2017)
En om uiteindelijk toch het laatste woord te geven aan Ivan Illich. Zijn alternatief was conviviality. Dat is een begrip dat een betere vertaling vraagt dan wat in eerste instantie voorbij komt als je op internet zoekt. Met vrolijkheid doe je het begrip tekort. Hoewel het zeer waarschijnlijk wel het gevolg zal zijn. Als we naar het Latijn kijken dan komen we bij 'samen-leven'. Dat is een samenleving waarin mensen een zelfbepaald leven in vrijheid leven, waarbij de afhankelijkheid van technologische ontwikkelingen is ingeperkt.

Ger Ramaekers

Klik hier om naar de overzichtspagina te gaan van het themadossier 'De toekomst van werk en zekerheid'.

Arbeid, deugd en economie

Drs. Hub J.G.M. Crijns is directeur van landelijk bureau Dienst in de Industriële Samenleving vanwege de Kerken (DISK)

In dit essay behandel ik de volgende punten:

  1. Wat is arbeid?
  2. Wat is deugd, ethos, ethiek?
  3. Verbinding tussen arbeid en deugd: arbeidsethos
  4. Verbinding tussen arbeid, arbeidsethos en economie
  5. Arbeidsethos en deugden
  6. Franciscaanse spiritualiteit van bidden en werken

Klik hier om dit artikel te downloaden als pdf-document.

1. Wat is arbeid?

We gebruiken de woorden ‘arbeid’ en ‘werk’ heel vaak. En toch vind je maar weinig studies, waarin ‘arbeid’ en ‘werk’ goed omschreven zijn. Dat komt omdat ons arbeidsbegrip erg gecompliceerd en gelaagd is. Wat bedoelen we er precies mee?

1.a. Vier groepen van activiteiten

Ik heb eerder literatuuronderzoek rond de betekenissen van arbeid en werk verricht (Crijns, 2006) en vat de belangrijkste aspecten daarvan samen. Ik volg daarbij voor een deel het werk van de filosofe Hannah Arendt, die in haar boek Vita Activa, een belangrijke aanzet heeft gegeven. Zij opent haar studie als volgt: “Met de term vita activa wil ik drie fundamenteel menselijke activi­teiten aanduiden: arbeiden, werken en handelen. Ze zijn funda­menteel, omdat elk van deze activiteiten correspondeert met een van de fundamentele voorwaarden, waaronder aan de mens het le­ven op aarde is gegeven” (pag. 19). Aan de drie menselijke activiteiten, die volgens Hannah Arendt de menselijke conditie bepalen, voeg ik die van spreken of communicatie toe. Vooral de filosoof Jürgen Habermas heeft in zijn hoofdwerk over het communicatieve handelen gewezen op het belang van deze activiteit, die groter is en omvattender, dan het politieke handelen, zoals Arendt dat aangeeft. Wie enigszins bekend is met het verschijnsel van praatgroepen, chatboxen of in het openbaar vervoer luistert naar mobiele telefoongesprekken weet wat ik bedoel.

Zo kom ik tot een indeling van vier groepen van activiteiten:

  • Arbeiden in de betekenis van fysiek moeite doen, sloven, redderen gaat voorop. In arbeiden zit volgens Hannah Arendt (1994, 86) een repeterend en onderhoudend karakter: ze komt in de noodzakelijke strijd om bestaan telkens terug.
  • Werken volgt volgens Arendt in de betekenis van maken, bouwen, leidend tot een product dat klaar is (zie ook Achterhuis 1984, 227).
  • Spreken of communicatie is de derde activiteit in de relatie van mens tot medemens: het maken van de culturele wereld.
  • Handelen volgt als laatste activiteit in de betekenis van politiek ordenen (Arendt en Habermas), regelen, besturen.

Deze verschillende activiteiten hangen samen. Met de eerste twee ontwerpen mensen een ruimte of een milieu, waarin zij kunnen overleven en leven. Met de derde ontstaat de menselijke cultuur, die een voortzetting krijgt in de vierde manier, waarmee mensen hun milieu en hun cultuur ordenen. De vier groepen activiteiten zijn in principe gelijkwaardig en leiden tot gelijke waardering in het vervullen van behoeften, voortbestaan, belonen en straffen, verkrijgen van invloed en macht, voortzetten van de menselijke soort.

1.b. Vier soorten van arbeid

Er zijn volgens de meeste filosofen ook meerdere hoofdgroepen of soorten van arbeid te onderscheiden. Iedere soort kan de genoemde activiteiten van arbeiden, werken, spreken en handelen omvatten. De meeste auteurs gaan deze soorten onderscheiden aan de hand van duo-criteria: bezette tijd/vrije tijd; geschoold/ongeschoold; hoofdarbeid/handenarbeid; productief/niet-productief; plezierig/onplezierig; inspannend/gemakkelijk; betaald/onbetaald en fulltime/parttime. Elk tweespan geeft een belangrijk aspect rond de soort van arbeid aan. Tegelijk geven al die auteurs aan, dat je meer criteria nodig hebt om arbeid als geheel te omschrijven.
Na een rondgang langs allerlei auteurs noem ik vier hoofdgroepen of soorten van arbeid waarbij ik kijk naar de maatschappelijke organisatie van arbeid.

De grootste hoofdgroep bestaat volgens Illich (1985, 92-113) uit schaduwarbeid. Hij bedoelt daarmee letterlijk de arbeid, die in de schaduw, in het niet zichtbare plaatsvindt. Denk bijvoorbeeld aan alle arbeid die gedaan is, voordat gasten het huis betreden. Er zijn verdere onderverdelingen te maken, zoals huishoudelijke arbeid (zie bijvoorbeeld Raad van Kerken, 1980), vrijwilligerswerk (Raad van Kerken, 1980), zorgarbeid (Landelijk bureau DISK, 1984 en 1997), en bewarende arbeid (Janssen, 1992, 100 e.v.). Analoog aan de levensloop van mensen zijn bij zorgarbeid nog vier vormen te onderscheiden die samenhangen met de relatie tussen zorggever en zorgontvanger: voortbrengings- en opvoedingszorg; zelfzorg van volwassenen (alleen of als paar); ouderenzorg; en zieken- en gehandicaptenzorg.

Een tweede grote hoofdgroep vormt de loonarbeid (Achterhuis 1984), die op grond van ‘economische rationaliteit’ geschiedt in banen in een ‘arbeidsbestel’ (Kwant, 1956) of ‘baanbestel’ (Kwant, 1983, 12 e.v.) en heeft als kenmerk het uiteenvallen van productie en consumptie. Loonarbeid kan zowel betaalde schaduwarbeid, als de volgende twee soorten: eigenarbeid, als autonome arbeid (zie Illich, 1985) zijn. Loonarbeid komt in drie vormen voor en alle drie kunnen fulltime en parttime zijn: als kernwerk of vast werk met een contract voor onbepaalde tijd, als flexibel werk met een contract voor bepaalde tijd en als thuiswerk , al of niet met een vast contract (Crijns, 1989, 88).

De derde hoofdgroep eigenarbeid is ontleend aan Gorz (1982) en heeft als kenmerk de eenheid tussen productie en consumptie. Eigenarbeid valt in deze onderverdeling uiteen in een deel schaduwarbeid (huishoudelijk werk, zelfzorg, vrijwilligerswerk) en een deel eigenarbeid (eenheid van productie en consumptie). De scheiding tussen producent en consument bestaat daarbij niet meer, of veel minder. Voorbeelden zijn onder andere kleine zelfstandige (tuinder, boer, winkelier) en de vrije beroepen (notaris, adviseur of arts).

Een vierde groep omvat volgens Gorz autonome arbeid, welke een doel in zichzelf is en niet aan externe noodzaak onderworpen is (Gorz, 1982). Christelijke auteurs verwijzen hier naar de relatie tussen mens en God; humanistische denkers naar de zin van leven en bestaan. Veel creatieve, musische, epische en spirituele activiteiten vallen hieronder.

Opvallend is dat de arbeid van ondernemers of werkgevers bij de genoemde filosofen weinig plek krijgt. Blijkbaar is deze vorm van arbeid het lastigst te plaatsen. Ze hangt samen met die van de eigenarbeid en is tegelijk verantwoordelijk voor de loonarbeid. Ook deze onderscheiden soorten van arbeid hangen met elkaar samen. Met de eerste drie soorten ontwerpen mensen een ruimte, een milieu, waarin zij kunnen overleven. Met de vierde ontstaat de menselijke cultuur, waarin zij het milieu met leven vullen. De vier soorten arbeid zijn volgens de auteurs in principe gelijkwaardig en leiden tot gelijke waardering in het vervullen van behoeften, voortbestaan, belonen en straffen, verkrijgen van invloed en macht, voortzetten van de menselijke soort.

1.c. Een schema van activiteiten en soorten

De aangegeven vier groepen van activiteiten en onderscheiden vier soorten van arbeid zijn in een schema met elkaar in verbinding te brengen. Met behulp van dit schema kunnen in de aangegeven omschrijvingen relaties onderzocht worden. Samen geven ze een beeld van wat achter het begrip arbeid schuil gaat.

sooren activiteiten

Suggestie: gebruik het schema om de eigen dagelijkse arbeid te duiden. Welke soort van arbeid en activiteit verricht u het meest?

2. Wat is deugd, ethos, ethiek?

Ik zal in dit onderdeel beduidend korter zijn. Met de woorden deugd en ethos komen we op het terrein van de normatieve ethiek ofwel de filosofisch-ethische theorievorming die antwoord geeft op de vraag: hoe moet ik leven?
Er zijn benaderingen die telelogisch zijn, uitgaan van het doel van het leven, het hoogste goed, de belangrijkste waarde: doel-ethiek. De doel-ethiek kan monistisch zijn: er is maar één hoogste doel, zoals geluk (eudaimonisme) of genot (hedonisme) of nut (utilisme). Of de doel-ethiek is pluralistisch: er zijn meer doelen, die onderling gelaagd zijn. Tenslotte hebben ethische scholen monisme en pluralisme weer verbonden door te stellen dat in de zelfrealisatie van de mens waarden en ordening van waarden een grote rol spelen.
Andere benaderingen zijn deontologisch en gaan uit van de plicht of datgene wat gedaan moet worden en welke norm en gezindheid daarvoor nodig is: plicht-ethiek. In deze ethiek is een belangrijke vraag op grond waarvan normen gestoeld zijn, om zo de plicht die erbij hoort te kunnen formuleren. De filosoof Kant en zijn school noemt bijvoorbeeld:

  • Normen van trouw: vrijwillig gegeven beloften moet men houden;
  • Normen van herstel: de plicht om onrecht goed te maken, materiële en morele schulden in te lossen;
  • Normen van wederkerigheid. Hier kan men denken aan de gulden regel in positieve en negatieve zin: behandel anderen (niet) zoals je zelf (niet) behandeld wil worden
  • Normen van gerechtigheid: gelijke behandeling in gelijke gevallen. Rechtvaardige verdeling van lusten en lasten in een gemeenschap.
  • Normen van solidariteit: medemensen in nood helpen, ongeacht hun prestaties of nuttigheid voor de gemeenschap of voor de enkeling, op wiens solidariteit een beroep wordt gedaan;
  • Normen van respect voor de ander: geen aantasting van de psychische, morele, fysieke integriteit van de ander door geweld. (De Graaf, 1974, 30)

Er is dus een heel kader van inzichten beschikbaar als het gaat om deugd, ethos en ethiek.

3. Verbinding tussen arbeid en deugd: arbeidsethos

In de hele geschiedenis zijn er altijd verbindingen gemaakt tussen arbeid en deugd. Als we Hannah Arendt volgen dan maken we met arbeiden de menselijke leefruimte, die we aankleden met werken, volgens Habermas vullen met spreken en volgens beide op orde brengen met handelen. Dat maken en inrichten van de menselijke leefruimte doen we natuurlijk met een doel en bij het nastreven daarvan laten we ons leiden door plicht. In de Middeleeuwen werkt men die verbindingen tussen arbeid en deugd via het motto Ora et labora uit in de Via Activa, waar Hannah Arendt op wijst en in de Vita Contemplativa. Met dat laatste komen we op het terrein van geloof, cultuur, kunst. Arendt werkt de niet-fysieke activiteiten van menselijke arbeid ook uit in een trio: denken, willen en (be)oordelen. Bij dat trio zou ik het praten en communiceren van Habermas weer willen toevoegen. Arendt is in haar beschrijvingen bewust neutraal. Dat was men in de Middeleeuwen niet. Daar vond men het terrein van geloof, cultuur en kunst pro Deo belangrijker dan het terrein van het maatschappelijk leven. Je ziet in die periode dan ook een grote waardering ontstaan van de Vita Contempativa ofwel het Ora tegenover de Vita Activa ofwel het Labora. Die waardering slaat in de latere geschiedenis om ten gunste van de grotere waardering voor de Vita Activa.

4. Verbinding tussen arbeid, arbeidsethos en economie

Er zijn rond arbeid en ethos verbindingen te maken en flinke stellingen te betrekken. Dat is ook door de geschiedenis heen uitvoerig gedaan. Ik beperk me tot twee moderne studies.

4.a. Arbeidsethos en kapitalisme

De meest voorname is het belangrijke onderzoek van de socioloog Max Weber, die in 1904 stelt dat het Calvinistisch arbeidsethos (een theologisch gefundeerd mens- en arbeidsbeeld gekoppeld aan deugdenethiek) heeft bijgedragen aan het ontstaan van het kapitalisme. De mens is enerzijds door God vervloekt tot arbeiden (zie Genesis) en anderzijds door God geroepen tot werken aan de gemeenschap en vanuit de vruchten van de arbeid is af te lezen of er redding of heil na het leven kan bestaan. IJverig en langdurig werken (arbeidzaamheid), sober leven, zedelijkheid, spaarzaamheid, en de opbrengsten (terug)stoppen in de economie (denk aan het motto ‘tijd is geld’) hebben volgens Weber juist de Calvinistische landen in Noord-Europa welvarend gemaakt.
Even voornaam is het opponerende onderzoek van Richard Tawney, die in 1922 stelt dat het kapitalisme ofwel de opkomende moderne economie en de veranderende zienswijze op mensen en arbeiden heeft bijgedragen aan het ontstaan van het Calvinistisch arbeidsethos. De economie gaat uit van een meer individuele mensvisie, ethiek en handelwijze (de homo economicus) en verandert de meer collectieve mensvisie, ethiek en handelwijze van de Middeleeuwen. Daar legde de theorie van de Vita Contemplativa juist de nadruk op vroomheid, uit het leven stappen, de tijd besteden aan de ere Gods. Het protestantisme, waarin het individu met zijn sola fide, sola gratia, sola scriptura (alleen door geloof, door genade, door de Bijbel) kennis van God kan hebben, en de daarbij horende persoonlijke ethiek vormen de uitdrukking van deze veranderende zienswijze.
Hoe het ook zij, beide auteurs en de vele auteurs daarna leggen een verband tussen arbeid, economie en geloof. Iets wat ook niet vreemd is aan het rooms-katholieke sociale denken dat sinds 1891 in ontwikkeling is. In het kerkelijk sociaal denken worden voortdurend verbindingen gemaakt tussen mensbeeld, maatschappijbeeld, waarden en de richting waarmee je sociaal-economisch kunt handelen. Het instrument waarmee dat handelen wordt gestuurd is de ethiek en zijn de deugden. Ik verwijs naar encyclieken als Rerum Novarum (1891) over het recht tot vereniging van arbeiders, Laborem Exercens (1980) over de waarde van arbeid in relatie tot de wording van mens, samenleving en kerk en Caritas in Veritate (2009) over de waarde van ethiek in de geglobaliseerde economie.

4.b. Arbeidsethos en kapitalisme na 1945 tot heden

Na de Tweede Wereldoorlog moet de samenleving weer worden opgebouwd en de economische malaise moet met een hoog arbeidsethos worden overwonnen. Iedereen moet de schouders eronder zetten. Aan loonarbeid wordt een zeer hoge waarde toegekend, zowel maatschappelijk als persoonlijk. Aan de arbeid in huis wordt eveneens een heel hoge waarde toegekend: de vrouw als opvoeder, zorger, hoeder van het huishouden. Deze periode betekent voor zowel mannen als vrouwen een aanscherping van het arbeidsethos.
Als er in de jaren zestig weer een bepaalde mate van welvaart wordt bereikt, die zich doorzet in de jaren zeventig, zien we het arbeidsethos veranderen en lager worden. Dan ontstaat het vrijetijdsethos. De gedachte komt op dat betaalde arbeid zijn langste tijd gehad heeft en dat, dankzij de ontwikkeling van de moderne technologie, een zo hoge arbeidsproductiviteit wordt gehaald dat de vrijetijdsmaatschappij de toekomst heeft. De noodzakelijke hoeveelheid arbeid kan in zo’n korte tijd gedaan worden, dat de resterende tijd gebruikt kan worden voor educatie, opvoeding, zorg, cultuur, sport, recreatie, reizen en religie.
De jaren tachtig brengen een grote economische crisis en het vrijetijdsethos loopt flinke deuken op. Tegelijk hebben miljoenen werklozen en arbeidsongeschikten een probleem met het hen opgelegde arbeidsethos. De fricties tussen arbeidsethos en vrijetijdsethos worden uitgebreid onderzocht. Die fricties uiten zich in de drie verschillende visies, die mogelijk zijn op arbeid en inkomen.

  • Arbeid gaat boven inkomen. Dit is de positie die thans dominant is: de werkmaatschappij en loonarbeid gaan boven een inkomen, verkregen uit herverdeling.
  • Arbeid staat naast inkomen. Dit model is aan te wijzen in onze huidige samenleving, alhoewel niet gelijkwaardig. Inkomen wordt ook omschreven als zorgbestel. Het meest wordt gesproken over de toevoer vanuit zorgbestel naar arbeidsbestel (via vooral arbeidsreïntegratie) en de uitvoer uit arbeidsbestel naar zorgbestel (via zo streng mogelijke criteria).
  • Inkomen staat boven arbeid. Hier komt het debat rond vrijetijdsmaatschappij en basisinkomen in beeld en het spitst zich toe op de haalbaarheid enerzijds en de effecten in het gedrag van mensen anderzijds.

Uit het debat is volgens mij een bepaalde ontwikkeling af te leiden (Crijns, 2003, 21-48). De (over)waardering voor de loonarbeid is ten koste gegaan van de andere soorten arbeid, zoals schaduwarbeid, autonome arbeid en eigenarbeid. Parallel lopend aan deze ontwikkeling heeft binnen de economische orde het deelcircuit van de ruil - met daaruit voortkomend dat van de (geld)beurs - een hogere (over)waardering verworven ten opzichte van de deelcircuits van herverdeling en gift. Het deelcircuit van grijs, zwart en crimineel werken is altijd zoveel mogelijk bestreden. De economische en maatschappelijke macht, die hier van uitgaat, is ten koste gegaan van de positie van vrouwen en jongeren, die veelal werkzaam zijn in de circuits van herverdeling en gift.

4.c. Van combinatie-ethos naar zinethos

Begin jaren negentig ontstaat er een kentering in deze gedachte. Het vrijetijdsethos is volgens de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WWR) een eenzijdig toekomstperspectief. Het WRR-rapport Een werkend perspectief uit 1990, gaat ervan uit dat betaalde arbeid de toegangspoort vormt tot maatschappelijke participatie. Wie geen betaald werk heeft, riskeert volgens deze opvatting sociale uitsluiting. Met het grotendeels wegvallen van de sociale instituties, waar religie er een van is, moet betaald werk nu de bindende factor worden. Dit rapport heeft een enorme invloed gehad op de economische en sociale beleidsvorming in Nederland (Van der Wal, 1998, 12).
Na het arbeidsethos en het vrijetijdsethos, komt medio jaren negentig het combinatie-ethos op, een combinatie van vrijetijds- en arbeidsethos, dat drie lagen van arbeid gaat combineren. De morele verplichting tot betaalde arbeid is hoog, maar het gaat niet alleen om geld verdienen. Er is ook een hoge verplichting om aan zorgwerk te doen (voor jezelf, je gezin, je familie), opvoedwerk (je kinderen) en het managen of runnen van het huishouden. En de expressieve functies van menselijke ontplooiing zijn belangrijk, evenals goede sociale contacten. Vooral vrouwen zijn sterke ontwikkelaars van het combinatie-ethos. Er lijkt sprake te zijn van ‘hedonisering van de arbeid’ (Noordegraaf en Wolters, 1997, 60), dat wil zeggen dat in de arbeid een mate van geluk gevonden moet worden.
Betaalde arbeid wordt in de laatste tien jaar langzamerhand een zingevingskader. Volgens Meerten ter Borg bestaat het hedendaagse arbeidsethos ook uit een zineconomie en een zinethos. “Mensen werken niet meer ter meerder eer en glorie van God. Zij werken nu ter meerdere eer en glorie van hun eigen schepping: de zineconomie. (…) Omdat ze niet meer werken ter meerdere eer en glorie van God, is behalve hun energie ook nog hun geloofsijver op de arbeid gericht” (Ter Borg, 2003, 156). Arbeid verschaft identiteit en voorziet in een sociaal netwerk. Omdat arbeid de voornaamste zingever is geworden en de lege ruimte van religie heeft opgevuld, is het daarom ook een ramp als je niet slaagt in je werk of vastloopt. “Sterker nog", zegt ter Borg, "juist (…) daardoor is het mogelijk vast te lopen in je werk. Je loopt niet vast in iets wat je mechanisch doet, omdat het je niet interesseert. Geen mens loopt vast in het doen van de afwas” (Ter Borg, 2003, 157). Het is zo belangrijk om te slagen, dat de faalangst toeneemt.

5. Arbeidsethos en deugden

Het is interessant om terug te kijken hoe plichtsethiek en deugden altijd een grote rol spelen in het arbeidsethos. De deugden van trouw en loyaliteit, matigheid en soberheid, solidariteit en rechtvaardig zijn altijd gerelateerd aan betaald werken. Volgens Max Weber hebben ze geleid tot de opkomst van het kapitalisme. Volgens Bob Goudzwaard en Harry de Lange hebben we die deugden dringend nodig in de economie van het genoeg: genoeg van het teveel en genoeg van het te weinig. In deze tijden van financiële en economische crises wordt daar weer vaak naar verwezen. Uit het debat over de bovenkant van het inkomensgebouw en het gedrag rond financieel beleid op de beurs blijkt dat zonder interne ethiek en gedragscode er geen grenzen meer zijn. De deugden van matigheid en solidariteit leveren belangrijke bijdragen aan het stellen van grenzen.
Ik breng de deugd van solidariteit nog even in beeld. De reacties op het recente boek van Marcel van Dam Niemandsland en zijn van daaruit gemaakte documentaire De onrendabelen zijn daarin sprekend. Van Dam combineert in het boek zijn eigen geschiedenis met de stelling dat er de laatste dertig jaar met de keuze voor het kapitalisme en het loslaten van de solidariteit eigenlijk te weinig gedaan is aan bescherming van de zwaksten onder ons. Als tweede stelling toont hij met veel cijferwerk aan en dat zij per saldo – als er iets gedaan is – de rekening van de oplossingen in de crisis betaald hebben, ten eerste door hun werkloosheid of arbeidsongeschiktheid en ten tweede door de bezuinigingen op de sociale zekerheid. Aan de andere kant zijn tegelijkertijd solidaire herverdelingsmechanismen losgelaten en is de rijke kant rijker geworden. Terwijl er juist alle aanleiding zou zijn geweest om solidair met de armen te zijn en vooral de mechanismen van progressieve solidariteit, voortkomend uit het motto ‘de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten’ te versterken. Het boek toont een vorm van bekerend inzicht: we hebben de solidariteit omgekeerd door de armen de crisis te laten betalen en de rijken rijker te laten worden.
Op dit boek en de twee stellingen komen twee reacties los. De eerste richt zich op de biografie van Marcel van Dam en zet hem vooral neer als een socialistische egotripper die ook gekozen heeft voor kapitalisme en rijk worden en daarom niet serieus te nemen is. Daarmee is meteen de analyse van het boek weggegooid.
De tweede reactie richt zich op de economische stellingen (arm heeft rijk betaalt en rijk is los gegroeid van arm zonder nog om te kijken) en stelt dat we niets meer kunnen met die ‘oudbakken jaren zeventig solidariteit van Van Dam’. Daarmee is ook de analyse van het boek weggegooid. Terwijl het boek zowel wat betreft de interne sturing als de opgeleverde effecten bewijst dat we niet zonder solidariteit en herverdeling kunnen. En als we wel zonder die deugd menen te kunnen leven, blijken we het recht van de sterksten te laten gelden.

6. Franciscaanse spiritualiteit van bidden en werken

Ik ben geen kenner van Franciscaanse spiritualiteit. Ik beluister vaak dat vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping kernwaarden zijn; naast bidden, bij elkaar komen en vieren. Arbeid en werk staan in dit rijtje niet direct op de voorgrond, noch de zorg voor het inkomen of het geld. Wel is er veel te lezen over armoede.
Het zou me evenwel weinig verbazen als in de Franciscaanse spiritualiteit of in de geschiedenis van Franciscus de woorden Ora et labora, bid en werk, te vinden zijn. Trouw en toewijding zijn daar kernwoorden van en het zijn eveneens deugden die, zoals we gezien hebben, in het arbeidsethos een grote rol spelen. Vanuit de aandacht voor armoede mogen we daar soberheid en solidariteit aan toevoegen.
Met enig associëren vind je die gedachte terug in de 'Leidraad van de Franciscaanse Beweging' (Den Bosch 2010). Je kunt er in ieder geval uit aflezen dat de Franciscaanse spiritualiteit dichtbij de kerngedachten van de economie van het genoeg staat. En die maakt, zoals al gezegd, veel verbindingen tussen economie, geloof en arbeidsethos.

Klik hier om naar de overzichtspagina te gaan van het themadossier 'De toekomst van werk en zekerheid'.

Gebruikte literatuur

Hub Crijns, ‘Wat steekt er achter het begrip arbeid?’, in: Hub Crijns, Trinus Hoekstra, Jan Jonkers, Jet Schouten en Marije van Dodeweerd (eindred.), Arbeid, zin en geloof. Handboek Arbeid en Kerk, Uitgeverij Kok en Landelijk bureau DISK, Kampen, 2006, pag. 34-47.
H. Arendt, Vita Activa, Amsterdam1994
J. Habermas, Theorie des kommunikatieven Handelns, (2 Bnd), Frankfurt 1982
H. Achterhuis, Arbeid, een eigenaardig medicijn, Baarn 1984
I. Illich, Schaduwarbeid, Weesp 1985
Raad van Kerken in Nederland, Over arbeid en inkomen. Arbeiden moet meer zijn dan inkomen verwerven, Amersfoort 1980
H.J.G.M. Crijns en J. Zwart e.a., Oproep tot solidariteit tussen mensen met en zonder baan, (uitnodiging tot bezinning, viering, aktie; een jaarthema aangereikt op 6 mei 1984 als een ‘Zondag van de Arbeid’, landelijk bureau DISK), Amsterdam 1984
H.J.G.M. Crijns en E. van der Panne (red.), Zorg - waardig - werk, (Themabrochure van de Zondag van de Arbeid 1997 of de Biddag voor Gewas en Arbeid 1997, landelijk bureau DISK), Amsterdam 1997
R. Janssen, Arbeid, tijd en geld ontschaarsen, Utrecht 1992
H. Achterhuis, Arbeid, een eigenaardig medicijn, Baarn 1984
R.C. Kwant, Het arbeidsbestel, Utrecht 1956
R.C. Kwant, Werkloosheid als uitdaging, Amersfoort 1983
H.J.G.M. Crijns, Opstandig Pastoraat, Een bundel teksten ter viering van mijn 12,5-jarig jubileum als pastor/theoloog in een industriële samenleving, Amsterdam 1989
A. Gorz, Afscheid van het proletariaat, Amsterdam 1982
J. de Graaf, Elementair begrip van de ethiek, Amsterdam, 1974-2
M. Weber, Die protestantische Ethik I, Eine Aufsatzsammlung, Herausgegeben von Johannes Winckelmann, Hamburg, 1973-3. Zie ook: M. Weber, The protestant ethic and the spirit of Capitalism, London en New York, 2004. In het Nederlands vertaald door Lieven Vandekerckhove (red), De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme, Leuven, 1990.
R. Tawney, Religie en de opkomst van het kapitalisme. Een historische studie, Hilversum, 1964
H.J.G.M. Crijns, ‘Visies op participatie in arbeid, zorg en inkomen’, Tijdschrift voor Arbeid en Participatie 25,1/2(2003), 21-48
H.J.G.M. Crijns, ‘Is geld de ziel van de zaak?’, Franciscaans Leven 84,5(2001), 211-216
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Een werkend perspectief. Arbeidsparticipatie in de jaren ‘90, (Rapporten aan de Regering 38), Den Haag 1990. Zie ook het vervolgrapport Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Tweedeling in perspectief, (Rapporten aan de Regering 50), Den Haag 1995
J. van der Wal, Gaat ook gij naar mijn wijngaard en ik zal u geven wat billijk is. Een theologische verkenning van het debat over de verhouding tussen arbeid en inkomen in de kerkelijke tradities 1997-1997, DISK Studiereeks 27, Amsterdam 1998.
H. Noordegraaf, H. Wolters (red.) e.a., Arbeid op de drempel van een nieuwe tijd?. Discussies en verhalen over de toekomst van arbeid en participatie, Kampen 1997
M.B. ter Borg, Zineconomie. De samenleving van de overtreffende trap, Schiedam, 2003.
B. Goudzwaard en H.M. de Lange, Genoeg van te veel. Genoeg van te weinig. Wissels omzetten in de economie, Baarn 1995-4 (herzien en uitgebreid)
M. van Dam, Niemandsland. Biografie van een ideaal, Amsterdam 2009. De documentaire De Onrendabelen is door de Vara uitgezonden op 20 november 2009.
Franciscaanse Beweging, Leidraad van de Franciscaanse Beweging (Den Bosch 2010)

Thema: De toekomst van werk en zekerheid

werk en zekerheidDe betekenis en invulling van het begrip arbeid blijven de gemoederen bezighouden. De visies op wat arbeid wel en niet is, welke plaats arbeid in onze samenleving heeft en wat de samenhang is of zou moeten zijn met inkomen, is al decennia onderwerp van debat. Met de huidige ontwiklkeingen in bevolkingsopbouw, digtalisering en robotisering, worden die vragen en de relatie tussen werk en zekerheid steeds prangender.
In een vijftal artikelen wordt het begrip arbeid in dit themadossier grondig verkend. Stevige, maar boeiende kost.

Wisselende visies op arbeid en menselijke waardigheid

Drs. Hub J.G.M. Crijns is directeur van landelijk bureau Dienst in de Industriële Samenleving vanwege de Kerken (DISK)

  1. In dit artikel zal ik ingaan op de volgende onderdelen:
  2. Drie posities rond arbeid en inkomen
  3. Wisselende visies op arbeid
  4. Wisselende visies op arbeid door economie en globalisering
  5. Afronding

Klik hier om dit artikel te downloaden als pdf-document.

Over de betekenis van ‘arbeid’, betaald en onbetaald, kunnen dikke boeken geschreven worden. Als voorbeelden zij verwezen naar de studie van Paul de Beer in opdracht van het Sociaal en Cultureel Planbureau 'Over werken in de postindustriële samenleving' (Paul de Beer 2001) of 'Arbeid op de drempel van een nieuwe tijd? Discussies en verhalen over de toekomst van arbeid en participatie' (Noordegraaf en Wolters, e.a., Kampen 1997).
Vooral betaalde arbeid is in Nederland al decennia lang kernwaarde en kernmiddel van het economisch en maatschappelijk handelen. Het woord ‘arbeid’ is waarschijnlijk een van de meest gebruikte in de politieke en economische beleidstaal. Het woord ‘arbeid’ is niet weg te denken uit het dagelijks leven. Bij zoveel dagelijks gebruik zou men kunnen veronderstellen dat de betekenis van arbeid duidelijk en vaststaand is. Niets is minder waar. Laten we daarom eerst stilstaan bij de woorden ‘betaald’ en ‘onbetaald’ ofwel de relatie tussen arbeid en inkomen. Vervolgens ga ik nader in op de betekenis van arbeid zoals mensen die aanreiken. In het derde deel kom ik op de invloed van economie en globalisering terecht. Waarna we onze verkenning afronden met een korte conclusie.

1. Drie posities rond arbeid en inkomen

Een eerste belangrijk onderscheid rond arbeid ontstaat al bij de beloning: betaald of onbetaald. Het maakt veel uit of er sprake is van beloning in de arbeid of niet. Betaalde arbeid levert een inkomen op, waarmee degene die werk doet kan participeren in de samenleving. Wie onbetaalde arbeid verricht is afhankelijk van anderen, die wel een inkomen hebben, of van de overdrachtssystemen (belastingen, uitkeringen, subsidies) waarmee we mensen zonder baan van inkomen voorzien.
Achter de woorden ‘betaald’ of ‘onbetaald’ gaat het maatschappelijk debat over arbeid of inkomen schuil. Veronderstellen we economische zelfstandigheid als uitgangspunt van het leven, in die zin dat elke volwassen burger met betaalde arbeid voldoende inkomen voor zichzelf en het gezin kan verdienen? Of gaan we ervan uit dat uit gezamenlijke solidariteit met elkaar aan elke burger ook een inkomen zonder de ruil met betaalde arbeid gegeven kan worden, waarmee impliciet wordt erkend dat de onbetaalde arbeid belangrijk is, en dus een inkomen veronderstelt?

In de literatuur over arbeid en inkomen (Crijns, 2003) komen er grotendeels drie posities voor:

  1. arbeid gaat boven inkomen: keuze voor de banenmaatschappij;
  2. arbeid staat naast inkomen: keuze voor zowel een zorgbestel als een arbeidsbestel, met allerlei criteria over het verloop tussen beide;
  3. inkomen staat boven arbeid: keuze voor de basisinkomenmaatschappij, waarbij elk mens vrije keuzes heeft om onbetaald of betaald te werken.

De derde positie van ‘inkomen gaat boven betaalde arbeid’ heeft in de crisis van de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw een grote rol gespeeld, ook in het denken van de kerken, als mogelijke oplossing. Enerzijds was er de veronderstelling dat de verbeterde techniek massaproductie mogelijk zou maken, waardoor mensen door arbeidsverdeling meer vrije tijd ter beschikking zouden krijgen. Anderzijds werden door de economische crisis van de jaren tachtig miljoenen mensen afhankelijk van een overdrachtsinkomen. Sinds het begin van de 21ste eeuw is deze positie in het maatschappelijk hoofddebat grotendeels verlaten (zie J. van der Wal, 1998). Een kleine opleving van de discussie eind jaren negentig onder de naam 'negatieve inkomensheffing' heeft ertoe geleid dat sinds 2001 kleine porties basisinkomen ingebouwd zijn in het reguliere belastingstelsel door middel van de zogeheten heffingskortingen (algemeen of categoriaal).
De eerste positie van ‘betaalde arbeid gaat boven inkomen’ is na de jaren tachtig van de vorige eeuw dominant gebleven en er is hard gewerkt aan voldoende werkgelegenheid voor iedereen. Voor een deel is daarbij de arbeidsmarkt sterk geflexibiliseerd. Er is een kleine kern met vaste banen ontstaan, een grotere schil daaromheen met toeleveringsfuncties (die wel vaste banen bij andere ondernemingen kunnen zijn) en daaromheen een nog grotere schil met allerlei vormen van tijdelijke en flexibele functies. Daaraan parallel is het zorgbestel gereorganiseerd met grote aandacht voor reductie op aantallen rechthebbenden, veel criteria rond duur en hoogte van het uitkeringsinkomen, en allerlei trajecten voor uitstroom richting arbeidsbestel. Met name de grote crisis na de wereldwijde financiële crisis van 2008 heeft de banenmarkt van de kern sterk doen slinken en de schil met flexibele banen sterk doen toenemen,
In de uitwerking in de loop van de 21ste eeuw is vooral duidelijk geworden, dat de tweede positie van ‘arbeid staat naast inkomen’ nooit gelijkwaardig is ontwikkeld. De mensen die inkomen verwerven uit overdrachtsmiddelen of uitkeringen kunnen uit eigen ervaring vertellen hoe hard het maatschappelijk zorgbestel is geworden. Velen noemen het een tweederangs burgerschap, waarin het ontbreken van betaalde arbeid hoofdkenmerk is. In hun verhalen is goed te horen hoe menselijke waardigheid ontleend wordt aan betaalde arbeid, en hoe sociale uitsluiting en armoede ontleend wordt aan geen betaalde arbeid hebben.

Betaald werk is belangrijk, maar niet alleen zaligmakend

Landelijk bureau DISK heeft op 29 september 2010 het boek 'Beroep en bezieling. Pastores in gesprek met mensen op de werkvloer' gepresenteerd (Crijns, e.a., 2010). Het boek is de afronding van een project van enkele jaren, waarin DISK relaties heeft onderzocht tussen enerzijds het beroep en de betaalde arbeid die mensen doen, en anderzijds de bezieling die zij daarbij hebben of opdoen. Zes pastores hebben elk een aantal mensen uit hun geloofsgemeenschap geïnterviewd met behulp van een vooraf opgestelde vragenlijst rond hun leven en werkleven. Daarna zijn vijf van de zes pastores zelf geïnterviewd met dezelfde vragenlijst over hun eigen beroep en bezieling. Met de ervaringen van dit boek hebben we recente kennis opgedaan over de vraag hoe mensen hun betaalde werk zien en ervaren.
In de interviews zien we dat alle mensen de eerste positie als vanzelfsprekend onderschrijven. Het is van belang om met betaalde arbeid voldoende inkomen te verdienen voor zichzelf en het gezin. De meesten geven aan dat dit punt ook in hun opvoeding is benadrukt door de ouders. Vooral de vrouwen benoemen economische zelfstandigheid als een belangrijke waarde voor menselijke waardigheid. Tegelijk blijkt dat de meeste vrouwen met een partner gekozen hebben voor parttime banen. Het eigen verdiende inkomen is zodoende aanvullend op dat van de partner. Met die keuze verschuift ook de aandacht binnen de eerste positie. Niet alleen de economische zelfstandigheid wordt benoemd als belangrijkste waarde binnen het betaalde werk, maar ook de betekenis van het werk zelf. Daarnaast blijkt de keuze voor parttime betaald werk samen te hangen met het belang dat gehecht wordt aan de onbetaalde tijd die de opvoeding van de kinderen vraagt, en het zorgwerk in het huishouden. Bij de mannen is de economische zelfstandigheid een belangrijke factor, vooral als ze de beloning van hun werk bespreken. Maar ook bij hen verschuift de aandacht naar de betekenis van het werk zelf als die betaling veilig is gesteld. We komen daar later nog op terug.

2. Wisselende visies op arbeid

In het navolgende bezien we hoe mensen hun betaalde arbeid omschrijven. We hebben daar in het 'Handboek Arbeid en Kerk' (Crijns, e.a. 2006) in het eerste hoofdstuk uitvoerig bij stilgestaan en de twee voornaamste beschrijving komen nu aan bod.

2.1. Wat is arbeid?

In het Handboek Arbeid en Kerk Arbeid, zin en geloof (Crijns, e.a., 2006) behandelt Jan Jonkers wat arbeid is (Jonkers in Crijns, e.a., 2006 pag. 20-33) en hij onderscheidt daarbij een aantal aspecten:

  • Arbeid is moeite en lijden.
  • Arbeid is bezig zijn.
  • Arbeid als sociale activiteit.
  • Arbeid is voorzien in basisbehoeften.
  • Arbeid is werken in loondienst of in immateriële beloning.
  • Arbeid is betaald buitenshuis bezig zijn en onbetaald binnenshuis.
  • Arbeid is gericht op produceren van goederen en diensten.
  • Arbeid verschaft via de beloning economische ruilmiddelen.
  • Arbeid is gericht op leefbaar maken van de wereld, het maken van cultuur.
  • Arbeid is gericht op zelfontplooiing en het bestaan zin te geven.

In de interviews van 'Beroep en bezieling - Pastores in gesprek met mensen op de werkvloer' wordt de moeite en het lijden van de arbeid niet zo veel of uitdrukkelijk benoemd. Enkelen geven aan hun arbeid zwaar te vinden. Maar die zwaarte komt bij nader inzien minder uit de werkzaamheden zelf voort, als wel uit de manier waarop het werk georganiseerd is, wie wat waarover te zeggen heeft en met wie het werk gedaan wordt. De vakbonden hebben onderzocht dat eenderde van de ziekten gerelateerd aan betaald werk voorkomt uit ruzies met leidinggevenden of met collega’s (W. van Veelen, 2000). Uit het onderzoek bleek dat 73% van werknemers de leidinggevenden negatief benoemt. Burn-out of overspannenheid hebben er rechtstreeks mee te maken (R. van Meer, 1997). Het milieu, het klimaat, de cultuur die mensen in hun betaalde werkkring met elkaar vormen is heel belangrijk in de betekenisgeving van de arbeid. Daarbij valt de aandacht voor de materiële aspecten van de arbeid weg. Het is er allemaal wel, blijkens de interviews. Arbeid in ruil voor loon, fysieke of geestelijke inspanning, moeite of zwaarte, produceren van goederen en diensten, beschikking krijgen over economische ruilmiddelen. Maar in alle gesprekken krijgt arbeid als sociale activiteit het hoofdaccent. Mensen vinden hun arbeid belangrijk als die gericht is op zelfontplooiing als zingever van het bestaan, op mensen, op het leefbaar maken van de wereld en het maken van cultuur. Waar die aspecten aan bod komen, daar raken mensen ook aan de bezieling rond hun arbeid. In die aspecten beleven mensen de waardigheid van hun arbeid.

2.2. Functies van arbeid

Jan Jonkers heeft na uitgebreid onderzoek in het Handboek Arbeid en Kerk ook de functies van betaalde arbeid op een rij gezet (Jonkers in Crijns, e.a., 2006 pag. 48-60).

  • Arbeid brengt welvaart.
  • Arbeid biedt inkomen.
  • Arbeid geeft efficiency.
  • Arbeid die betaalt is maakt de weg vrij voor vrije tijd.
  • Arbeid vergt doorgaande opleiding.
  • Arbeid geeft status.
  • Arbeid heeft moraal.
  • Arbeid geeft zin.

In deze functies is weer een onderscheid te maken tussen de materiële en de immateriële aspecten. Lezend in de interviews Beroep en bezieling blijkt bij elk verhaal hoe de materiële functies altijd aanwezig moeten zijn, maar vervolgens niet doorslaggevend zijn voor de bronnen, de bezieling, de spiritualiteit, de waardering, de betekenis van arbeid. Bij de verwoordingen daarvan komen vooral de immateriële functies aan bod. Waar in de arbeid sociale omgang met mensen gevonden wordt en deze tijdens de arbeid relationeel verdiept wordt en kan worden, daar krijgt betaalde arbeid bezieling, zin en betekenis. Maatschappelijke status, rang, efficiency zijn dan minder belangrijk. Management en efficiency worden vaker zelfs benoemd als sta-in-de-weg naar de immateriële functies. De doorwerking van de arbeid naar de vrije tijd en andere interessegebieden van de geïnterviewde mensen en andersom komt in de immateriële functies volledig op gang. Betaalde arbeid kan dan overlopen in het alledaagse leven van mensen en andersom. Dan hebben de geïnterviewden van hun werk hun hobby gemaakt of van hun hobby hun werk en zeggen zij “het beste beroep” te hebben. Opvallend in de verhalen is dat rond die sociale interactie en de waardering daarvan bij kerkelijk werkenden (pastores) en niet-kerkelijk werkenden de verschillen wegvallen. Als arbeid te maken heeft met menselijke interactie, het maken van menselijke cultuur en van daaruit van maatschappelijke betekenis is, dan spreken alle geïnterviewden over het hart van hun bezieling. Betaalde arbeid is dan mensen waardig.

2.3. Soorten arbeid

Vanuit filosofisch literatuur onderzoek zijn de soorten arbeid onderzocht (Crijns in Crijns, e.a., 2006 pag. 33-47), hetgeen we hier kort samenvatten (zie ook Crijns, 2010).
Er blijken vier soorten te kunnen worden onderscheiden:

  • Schaduwarbeid (arbeid die onbetaald in de schaduw valt, zoals huishoudelijke arbeid, zorgarbeid, bewarende arbeid)
  • Loonarbeid (arbeid in ruil voor loon of inkomen)
  • Eigenarbeid (samengaan van productie en consumptie in een eenheid, zoals boer of zelfstandige of vrij beroep)
  • Autonome arbeid (arbeid met een doel in zichzelf, zoals zang, kunst, muziek)

Met behulp van vooral Ahrendt (1964) en Dippel (in: Mulders, 1993) kent elke soort vier activiteiten:

  • Arbeiden (fysiek slovend repeterende activiteiten)
  • Werken (maken, bouwen, leidend tot een product dat klaar is)
  • Spreken (alle communicatie rond arbeid)
  • Handelen (politiek ordenen van de menselijke leefwereld)

De aangegeven vier groepen van activiteiten en onderscheiden vier soorten van arbeid zijn in een schema met elkaar in verbinding te brengen. Met behulp van dit schema kunnen in de aangegeven omschrijvingen relaties onderzocht worden. Samen geven ze een beeld van wat achter het begrip arbeid schuil gaat.

sooren activiteiten

Suggestie: gebruik het schema om de eigen dagelijkse arbeid te duiden. Welke soort van arbeid en activiteit verricht u het meest?

In de interviews van Beroep en bezieling komt schaduwarbeid of onbetaalde arbeid wel aan bod, maar altijd in de schaduw van iets anders. Een enkeling benoemt de huishoudelijke arbeid als zwaar en vooral te doen met zijn tweeën en in het weekeinde. Maar de meesten praten meteen voort over de andere vormen van arbeid. De loonarbeid komt het meeste voor. Enkele mensen kennen eigenarbeid (freelance werk, advieswerk, boer) en autonome arbeid (kunst, schrijven, digitaal ontwerpen). De arbeid van de kerkelijk werkenden zou snel gerangschikt kunnen worden als eigenarbeid en in de gesprekken spreken en beleven de geïnterviewden dit ook als zodanig. Maar er moet ook brood op de plank komen en hun spirituele arbeid is ondergebracht onder alle aspecten en functies van de loonarbeid.
Gelet op de activiteiten wordt ‘arbeiden’ (betaald of onbetaald) als repeterend, zwaar en zonder einde weinig concreet benoemd. De moeizaamheid en regelmatige sleur van arbeid is wel aanwezig, maar niet doorslaggevend. ‘Werken’ komt in de gesprekken meer aan bod, vooral bij mensen die in hun arbeid de taak hebben producten te maken, die een beroep doen op creativiteit en inventiviteit. Ze zijn alle zonder uitzondering trots op de resultaten, die ze ook kunnen aanwijzen: een website, een boek, een kunstwerk, een tekening, creatieve werkvormen. ‘Spreken’ en ‘handelen’ in de betekenis van communicatie met andere mensen en het inrichten van de menselijke wereld: dat benoemen alle geïnterviewden als het hart van hun arbeid. Als spreken en cultureel of politiek handelen aanwezig is krijgt de arbeid, het beroep, de baan, een positieve betekenis en wordt de bezieling volop zichtbaar. Wanneer spreken en handelen geremd worden, of afbreuk ondervinden door organisatie van de arbeid of stroeve hiërarchische verhoudingen met chefs of bazen, dan wordt de arbeid als negatief ervaren of als 'in de overlevingsstand staan'. Vooral bij de ondervonden crisismomenten verwoorden geïnterviewden dit. Oplossingen worden dan gezocht in het wijzigen van de baan: zoeken naar ander werk binnen het bedrijf of elders.

2.4. Van het combineren van arbeid naar de zin van arbeid

Begin jaren negentig heeft de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WWR) als toekomstperspectief voor de burgers in Nederland het primaat van de betaalde arbeid uiteengezet. Het WRR-rapport 'Een werkend perspectief' uit 1990 gaat ervan uit dat betaalde arbeid de toegangspoort vormt tot maatschappelijke participatie. Wie geen betaald werk heeft riskeert volgens deze opvatting sociale uitsluiting. Met het grotendeels wegvallen van de sociale instituties, zoals religieuze zuil, vakbond, kerk, gezin, moet betaald werk nu de bindende factor in de samenleving worden. Dit rapport heeft een enorme invloed gehad op de economische en sociale beleidsvorming in Nederland (Van der Wal, 1998, 12).
Medio jaren negentig ontstaat daar op voortbouwend het combinatie-scenario, waarmee mensen verschillende motieven rondom het verrichten van betaalde en onbetaalde arbeid gaan combineren, evenals de verschillende soorten. De institutionele en morele verplichting tot betaalde arbeid is hoog, maar het gaat bij mensen niet alleen om geld verdienen. Er is ook een hoge verplichting om aan zorgwerk te doen (voor jezelf, je gezin, je familie), opvoedwerk (voor de kinderen) en het managen of runnen van het huishouden. Plus de expressieve functies van menselijke ontplooiing zijn belangrijk, evenals goede sociale contacten. Vooral vrouwen zijn sterke ontwikkelaars van het combinatie-scenario. Er lijkt sprake te zijn van ‘hedonisering van de arbeid’ (Noordegraaf en Wolters, 1997, 60), hetgeen vooral wil zeggen hoe mensen in hun arbeid een mate van geluk willen vinden.
Betaalde arbeid wordt in de laatste tien jaar steeds sterker van een zingevingskader voorzien. We zagen dit al als tendens in de genoemde interviews rond beroep en bezieling naar voren komen. Volgens Meerten ter Borg (Schiedam, 2003) bestaat de hedendaagse arbeid en zelfs de economie uit een zineconomie en een zinarbeid. “Mensen werken niet meer ter meerdere eer en glorie van God. Zij werken nu ter meerdere eer en glorie van hun eigen schepping: de zineconomie. (…) Omdat ze niet meer werken ter meerdere eer en glorie van God, is behalve hun energie ook nog hun geloofsijver op de arbeid gericht” (Ter Borg, 2003, 156). Arbeid verschaft identiteit en voorziet in een sociaal netwerk. Omdat arbeid de voornaamste zingever is geworden en de lege ruimte van religie heeft opgevuld, is het daarom ook een ramp als je niet slaagt in je werk of vastloopt. “Sterker nog”, zegt ter Borg, juist “(…) daardoor is het mogelijk vast te lopen in je werk. Je loopt niet vast in iets wat je mechanisch doet, omdat het je niet interesseert. Geen mens loopt vast in het doen van de afwas” (Ter Borg, 2003, 157). Het is zo belangrijk om te slagen in de betaalde arbeid en de zin daarvan, dat ook de faalangst en daarmee de niet-zin in het leven toeneemt.

3. Wisselende visies op arbeid door economie en globalisering

Economie en de leer van de economie brengen een andere kijk op arbeid in beeld, die vaak in heftige strijd is gewikkeld met de menselijke en maatschappelijke visies op arbeid, zoals we die tot nu toe ontmoet hebben.

3.1. Arbeid als kostenfactor

Karl Marx is een belangrijke stem in dit debat. Hij heeft in zijn voornaamste studie Het kapitaal (Ned. vertaling, Bussum, 1975) aangegeven hoe arbeid binnen de economie een belangrijke factor is in het vervaardigen van enerzijds producten en diensten en anderzijds van een meerwaarde. Die meerwaarde is vervolgens niet eigendom van de arbeidende mens, maar van de ondernemer, die de arbeidende mens heeft ingehuurd om producten en diensten te maken. Tegelijk heeft Marx gewezen op het vervreemdende effect dat ontstaat als mensen van de meerwaarde van hun arbeid worden afgesneden. Vooral als deze beheerst wordt door technologische en rationeel opgedeelde arbeidsprocessen. Karl Marx heeft de arbeid van de massa’s als productiefactor en kostenfactor binnen de economie geanalyseerd, terwijl hij tevens heeft gewezen op de ophoping van de winst bij de enkeling, namelijk de ondernemer-eigenaar. Binnen een economisch rationeel systeem zal er altijd gestreefd worden naar het beperken of reduceren van de kosten van de factor arbeid, terwijl er tegelijk een streven is naar het maximeren van de opbrengst van de factor arbeid, gecombineerd met die van kapitaal en techniek: de winst.

3.2. Economische scholen

Deze visie op arbeid als kostenfactor is terug te vinden in alle leerboeken over economie. Er zijn heel veel economische denkrichtingen of scholen ontstaan. Er zijn twee belangrijke hoofdrichtingen te noemen.

Neo-klassieke institutionele school
In het algemeen baseert de neoklassieke economie - en de daarvan afgeleide scholen - zich op drie uitgangspunten, die weer per richting verschillend worden uitgewerkt:

  1. Mensen hebben rationele voorkeuren in de keuze tussen uitkomsten. Deze voorkeuren kunnen worden geïdentificeerd en deze voorkeuren kunnen ook in nutswaarden worden uitgedrukt.
  2. Particulieren maximaliseren nut en ondernemingen maximaliseren winsten.
  3. Mensen handelen onafhankelijk van elkaar op basis van volledige en relevante informatie.

Deze school van economische richtingen heeft ook geleid tot de zogenoemde neo-Amerikaanse of Angelsaksische vorm van economie, die zich kenmerkt doordat bedrijven en individuen zoveel mogelijk nut, welvaart, winst voor zichzelf nastreven op een zo open en vrij mogelijke markt zonder of met weinig overheidsinvloed.

De normatieve neo-institutionele school.
De kritische scholen weerspiegelen de idee dat het in de economische wetenschap in wezen gaat om het op een geprofessionaliseerde wijze uiting geven aan het existentiële menselijke verlangen de economische werkelijkheid als zin- en betekenisvol te kunnen ervaren. De nieuwe institutionele economie erkent dat het gedrag van individuele actoren mede gebaseerd is op het sociale kader van wetten, maatschappelijke regels, normen en waarden, conventies en gewoonten.
Dit dialogisch economisch denken - d.w.z. economisch denken dat zijn eigenheid of identiteit in een open dialoog over zijn uitgangspunten vindt en hervindt - is het beste toegerust om de in de jaren zeventig van de 20ste eeuw ingezette herbezinning op de grondslagen van de economie vruchtbaar te laten zijn.
Deze school van economische richtingen heeft geleid tot de zogenoemde Rijnlandse vorm van economie, die zich kenmerkt doordat overheden, bedrijven en individuen zoveel mogelijk nut, welvaart en winst voor elkaar nastreven op een gereguleerde markt met behoorlijk veel overheidsinvloed.

3.3. De wereldeconomie en globalisering

De afgelopen twintig jaar heeft de ontwikkeling van de Informatie- en Communicatietechnologie (ICT), mogelijk gemaakt door computers, de wereldeconomie een enorme stap voorwaarts laten maken. Computers maken handelsverkeer mogelijk, snel transport over zee en door de lucht, door lange pijpleidingen, en wereldwijd kapitaalverkeer.
Waar in eerdere perioden de wereldeconomie gekenmerkt werd door een strijd rond land en grondstoffen (de koloniale mogendheden), door een strijd om energie (de oliecrisis), is de laatste twintig jaar een strijd gaande tussen wie het meeste kapitaal heeft. In de economische waardering van grondstof, grond, arbeid (= mensen), techniek en kapitaal heeft het kapitaal het blijkbaar gewonnen. De productiefactoren grondstof, grond, mensen en techniek zijn alle gebonden aan de fysieke werkelijkheid en daarmee aan de invloeden van nationale staten, regionale pacten, internationale afspraken. Kapitaal weet zich te onttrekken aan deze fysieke beperktheden en kan dankzij de ICT-mogelijkheden internationaal gaan waar het meeste profijt zich aandient, op zoek naar nog meer geld.
Die eenzijdig geworden kijk op doel en resultaat van economie heeft de kijk op arbeid sterk beïnvloed. Marx leerde al hoe het kwam dat de factor arbeid altijd zo laag mogelijk werd beloond. Datzelfde effect vond plaats in de tijd van de koloniale wereldeconomie, waarin de landen die grondstoffen leverden, en de mensen die daar werkten, werden uitgebuit. In de strijd om de energiegrondstoffen hebben de producerende landen geleerd welke prijs ze ervoor moeten betalen. Tegelijk werd daarmee de factor arbeid in die landen duur. De jaren negentig van de vorige eeuw en de 21ste eeuw laten zien hoe internationale bedrijven voortdurend bezig zijn arbeid te verplaatsen naar die regio’s in de wereld, waar er minder voor betaald hoeft te worden. Met een rationeel economische bril op zijn mensen in hun arbeid elkaars concurrenten geworden. Als ergens anders op de wereld arbeid goedkoper hetzelfde resultaat kan leveren als in de huidige Westerse economieën, dan verplaatst die arbeid zich. Op één mondiale markt is dat niet meer dan logisch. Bezien vanuit de maatschappelijke en persoonlijke visies op arbeid, is dat eigenlijk heel onlogisch. De recente voorbeelden van bloeiende bedrijven in Nederland, die om marktredenen (wereldwijde crisis, te dure arbeidskosten, te lage winsten) gesloten worden, en de schrijnende verhalen van mensen die daardoor hun betaald werk verliezen, zijn er getuigen van.

4. Afronding

In de afronding kan gezegd worden, dat arbeid (betaald of onbetaald) door mensen voornamelijk instrumenteel wordt benaderd. Niet zozeer de arbeid zelf is van belang, als wel het doel dat daarmee wordt nagestreefd.
We hebben gezien dat arbeid vanuit de kijk van mensen heel wisselende betekenissen kan hebben, zowel persoonlijk als maatschappelijk. Interessant is dat er een betekenisgeving op gang is gekomen, die vooral de immateriële aspecten van arbeid waardeert boven de materiële. Daarin vinden we vooral de menselijke waardigheid terug.
Tegelijk is waar te nemen dat in de maatschappelijk omschrijving van arbeid de materiële kant heel erg is benadrukt. We leven in een samenleving, waarin de participatie ten eerste en met nadruk gerealiseerd dient te worden via een betaalde baan. Menselijke waardigheid heeft hier een economische invulling gekregen. Binnen die maatschappelijke norm is participatie zonder betaalde baan altijd een gebrekkige. Nog anders gezegd: aan het ontbreken van betaald werk is af te lezen hoe mensonwaardig het leven wordt.
Tenslotte hebben we gezien hoe binnen een economische rekensom, die gericht is op het maken van winst, de meeste van de persoonlijke en maatschappelijke kijken op arbeid kunnen wegvallen. Het streven naar alleen maar winst op een anonieme wereldwijde markt kan zelfs economie en maatschappij ontwrichtend werken, zoals de recente kredietcrisis nog eens nadrukkelijk geleerd heeft. In deze rekensom is er van menselijke waardigheid niets meer terug te vinden.

Klik hier om naar de overzichtspagina te gaan van het themadossier 'De toekomst van werk en zekerheid'.

Literatuur

H. Arendt, Vita Activa, Amsterdam 1994.
P.T. de Beer, Over werken in de postindustriële samenleving, Den Haag 2001.
M.B. ter Borg, Zineconomie. De samenleving van de overtreffende trap, Schiedam, 2003.
H. Crijns, T. Hoekstra, J. Jonkers en J. Schouten, Arbeid, zin en geloof, Handboek Arbeid en Kerk, Kok Kampen en Landelijk bureau DISK, ’s-Hertogenbosch, 2006.
H.J.G.M. Crijns, ‘Visies op participatie in arbeid, zorg en inkomen’, Tijdschrift voor Arbeid en Participatie 25,1/2(2003), 21-48.
H. Crijns, ‘Arbeid, deugd en economie’, in: Franciscaans Leven, 93(2010)2, april, pag. 55-62.
H. Crijns, G. van Eck, T. Hoekstra, E. van der Panne en H. Arts/Honselaar (eindredactie), Beroep en bezieling. Pastores in gesprek met mensen op de werkvloer, Kok Kampen en landelijk bureau DISK, ’s-Hertogenbosch, 2010.
K. Marx, Het kapitaal. Een kritische beschouwing over de economie, Nederlandse vertaling door I. Lipschits, uitgave W. de Haan, Bussum, 1975.
R. van Meer, Overspannen door je baas, Kosmos-Z&K Uitgevers, Utrecht,1997
P.J. Mulders, Arbeid om te leven en arbeidsleven, een theologisch-ethische verkenning van het fenomeen ‘arbeid’ in het bijzonder bij C.J. Dippel, A.Th. van Leeuwen, Hannah Arendt en E.F. Schumacher, (proefschrift ), Den Haag 1993.
H. Noordegraaf, H. Wolters (red.) e.a., Arbeid op de drempel van een nieuwe tijd?. Discussies en verhalen over de toekomst van arbeid en participatie, Kampen 1997.
Paus Benedictus XVI, Caritas in veritate, encycliek, Rome, 2009.
W. van Veelen en A.-M. Polman, Het Bazenonderzoek van Bondgenoten. Verslag van het onderzoek naar de stijl van leidinggeven, FNV Bondgenoten, Utrecht, augustus 2000.
J. van der Wal, Gaat ook gij naar mijn wijngaard en ik zal u geven wat billijk is. Een theologische verkenning van het debat over de verhouding tussen arbeid en inkomen in de kerkelijke tradities 1977-1997, DISK Studiereeks 27, landelijk bureau DISK, 1998).
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Een werkend perspectief. Arbeidsparticipatie in de jaren ‘90, (Rapporten aan de Regering 38), Den Haag 1990.
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Tweedeling in perspectief, (Rapporten aan de Regering 50), Den Haag 1995

Kleinschaligheidsbeweging en het begrip arbeid

In het themadossier 'Werk, werkloosheid en nieuwe wegen', juni 2017, schreef Raf Janssen de bijdrage 'Kan arbeid de groeiende kloof in de samenleving overbruggen?' Daarin onderneemt hij een zoektocht naar een nieuwe noemer om de strijd tegen armoede nieuw leven in te blazen. Daarin ziet hij ‘sociale coöperaties’ als een veelbelovende weg. Eind jaren '70 van de vorige eeuw was de terminologie anders. Toen was er sprake van MeMo, Mens- en Milieuvriendelijk ondernemen. In Nederland bestaat de MeMo-sector niet meer als zodanig. Wij hebben het ergens diep weggestopt. Je kunt er nog iets van terug vinden via www.geheugenvannederland.nl. 
De tijden zijn veranderd. Als je nu op internet zoekt op die termen, dan krijg je hits over het belang van bewegen. De nadruk ligt tegenwoordig op het belang van lichamelijke beweging, helaas is geestelijke beweging uit het zicht geraakt. Daar valt in eerste instantie ook niets mee te verdienen. En dan is het moeilijk om in deze tijd de aandacht vast te houden of de interesse te wekken. De begrippen mens- en milieuvriendelijk zijn vervangen door ‘duurzaam’. En via duurzaam ondernemen kom je bij duurzaam klussen of duurzame inzetbaarheid van werknemers. Daar zijn we nu niet naar op zoek. Is er een relatie tussen dit sociaal ondernemen met de (kleinschaligheids)beweging van de jaren tachtig? 

Een ‘beweging van belang’

In de jaren '70 en '80 van de vorige eeuw konden we spreken van een ‘beweging van belang’. Het is ook de titel van een brochure uit november 1982. Enkele trefwoorden: anders denken over arbeid, werkprojecten, afschaffen sollicitatieplicht, belangenbehartiging, arbeidstijdverkorting, herverdeling arbeid, loskoppeling arbeid en inkomen. In deze jaren van grote jeugdwerkloosheid wist de overheid zich geen raad met die grote aantallen jongeren zonder betaald werk. De overheid was er ook niet op voorbereid en had er ook geen visie op. Samen met de tijdsgeest (de geesten waren vrijer) zorgde dat voor een klimaat waarin een grote diversiteit aan initiatieven kon ontstaan. De overheid was in eerste instantie ook tolerant. En zo konden duizenden bloemen bloeien. Onbetaald werk, werken met behoud van uitkering, ontheffing van de sollicitatieplicht was wat de klok sloeg. Mensen kregen de ruimte om te experimenteren en hadden de bijstandsuitkering als basis(inkomen). Dat heeft op heel veel plaatsen in het land tot ontelbare zelfredzame burgers geleid. Hoeveel actievoerders zijn er nu op een andere manier maatschappelijk actief zijn?

Wat heet arbeid?

Schep je eigen werk, op zoek naar beter werk, anders werk maken. In die jaren waren mensen ook al bezig met het vormgeven van werkzaamheden zodanig dat ze er een inkomen uit konden halen. In die jaren leefden we wel nog in de tijd van ‘de grote verhalen’. Er werden verbindingen gelegd tussen diverse thema’s en er was sprake van kruisbestuiving tussen (leden van) verschillende bewegingen. Daarbij was er wel enig verschil hoe dat eruit zag in de grote steden en de middelgrote. Het verbeteren van de samenleving was een gemeenschappelijke noemer. En dat kon niet door maar aan één radertje te draaien.

Definities rondom werk

De vraag ‘wat is nu werk’ en 'wat is het verschil tussen betaald werk en vrijwilligerswerk, of onbetaald werk' leefde wel. Begin jaren ’80 was ook de tijd waarin werd gepraat over loskoppeling van arbeid en inkomen. Bijvoorbeeld vorm te geven met een basisinkomen. En aan de andere kant van dat spectrum ‘Het recht op nuttige werkloosheid’. We hadden toen een Bond Werkschuw Tuig en de Nederlandse Bond Tegen het Arbeidsethos. En in het verlengde daarvan het begrip ‘baanvrij’. Als tegenhanger voor het begrip ‘werkloos’ spraken we over 'baanloos', om aan te geven dat veel mensen heus niet thuis achter de geraniums zaten, ook al hadden ze geen baan. Wat dat vooroordeel betreft is er nog niets veranderd. Of het zou moeten zijn dat het begin jaren '80 nog nieuw was, en nu, meer dan 30 jaar later, verhard. En individueler. Toen was er meer sprake van een collectief gevoel van werkloosheid. Het individualisme kwam pas later echt tot bloei.

Kleinschaligheid

In de beweging en het mens- en milieuvriendelijk ondernemen was kleinschaligheid een kernvoorwaarde. Dat is een mooie overeenkomst met de sociale coöperaties waar kleinschaligheid eveneens van belang is. Een andere parallel is het soort werk dat gecreëerd werd en wordt. “In plaats van arbeid die mens en aarde opsoupeert, ontwikkelen mensen in sociale coöperaties vormen van bewarende arbeid, arbeid die mens en natuur in stand houdt, bewaart.” (Janssen) Dat is een eigentijdse formulering van waar mens- en milieuvriendelijk ook voor stond. Een insteek die niet bestand was tegen het opkomende en steeds meer gemeengoed wordende neoliberalisme, de vrije markteconomie en de alleenheerschappij van de consumptiemaatschappij als de enige en ware vorm van ‘samenleven’ die ‘de grote geesten’ zich na 1989 konden voorstellen. De geschiedenis was immers dood. Maar Raf Janssen laat zien dat de geschiedenis zich ook kan herhalen en misschien zelfs een stap verder komt.

De beweging wordt overgenomen

Janssen waarschuwt ervoor: “Er moet voor gewaakt worden dat overheden en organisaties – al dan niet met goede bedoelingen – deze beweging overnemen en ze daarmee beroven van haar veranderkracht." Daar werd in de jaren '80 ook al voor gewaarschuwd. Brochures als ‘Haalt de eigen-werkbeweging 1985?’ en ‘De staats – greep op het onbetaalde werk’ (over de Wet Onbetaalde Arbeid Uitkeringsgerechtigden) getuigen daarvan. Uiteindelijk is het ook zo gegaan. Mensen kozen eieren voor hun geld en accepteerden een normale baan en anderen slaagden erin om bestaanszekerheid te ontlenen aan het eigen werk wat ze geschapen hadden. Collectieve idealen werden deels ook ingehaald door het steeds verder om zich heen grijpende individualisme. Waar sommige mensen met een uitkering als collectief werden behandeld omdat ze gezamenlijk activiteiten ontplooiden, werden de duimschroeven door sociale diensten naarmate de jaren '80 vorderden weer aangedraaid. En ook daar ging de wind van ‘je moet er wel iets voor doen’ waaien. Waarbij dat doen door de gemeente werd bepaald; de kaders werden enger. De vrije geesten (maatschappelijk werkers) verdwenen en werden ingeruild voor juristen; rechtvaardigheid werd vervangen door rechtmatigheid.

Tegenstelling

Raf Janssen is nadrukkelijk op zoek naar een nieuwe kapstok om de armoedebeweging een eigentijdse uitdrukking te geven. De beweging van eind vorige eeuw was volgens mij niet zo zeer door (het bestrijden van) armoede gedreven. Voor zover de beweging door jongeren werd gedragen, was er geen sprake van armoede of de strijd daartegen. Het ging om een strijd tegen de bestaande samenleving, om het vormgeven van een andere maatschappij. Het vermogen om zich de samenleving anders voor te stellen dan de bestaande, was toen waarschijnlijk ook niet bij het gros van de mensen ontwikkeld. Maar toen was die capaciteit om je een samenleving voor te stellen anders dan de huidige bij diverse mensen, organisaties, partijen, en overheden wel goed ontwikkeld. De vrijheid van de jaren '60 ijlde nog na, de inkomenszekerheid zonder betaald werk was vele malen groter dan nu. En daarmee kon je je veel gemakkelijker idealen veroorloven, ook al waren ze niet realistisch en kon je er niet van eten. Een pamflet als ‘Het recht op nuttige werkloosheid’ van Ivan Illich uit 1978 kan nu niet meer geschreven worden. En al helemaal niet meer bij een uitgeverij met de illustere naam Het Wereldvenster. Wat is ons venster tegenwoordig...?

Klik hier om naar de overzichtspagina te gaan van het themadossier 'De toekomst van werk en zekerheid'.

Deel deze pagina via sociale media

logo armoede live 10jaarlater

logo initiatief nu

logo expeditie sociale cooperatie

Adres

Stimulansz
t.a.v. Ger Ramaekers / Sociale Alliantie
Postbus 2758
3500 GT Utrecht

mailadres2

Volg ons op sociale media