logo-sociale-alliantie6

Eenvoud loont

Oplossingen om schulden te voorkomen

eenvoud loontVoor een groeiende groep Nederlanders is de samenleving te ingewikkeld geworden. Zij lopen een verhoogd risico om in de schulden te raken. De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) onderzocht hoe overheden en andere organisaties kunnen voorkomen dat mensen in de schulden raken. Eenvoud is het sleutelwoord. De RVS denkt dat veel schulden voorkomen kunnen worden door regels eenvoudiger te maken. Het is een van de aanbevelingen in het vandaag gepubliceerde advies “Eenvoud loont. Oplossingen om schulden te voorkomen”.

Schulden ontstaan vaak door een samenspel van factoren, zoals een laag of onzeker inko-men, weinig financiële vaardigheden en een beperkt (sociaal) netwerk. Schulden hebben een negatief effect op de gezondheid van mensen. Maar ook andersom geldt: door ziekte kunnen schulden ontstaan. De RVS onderzocht in dit advies hoe overheden en andere organisaties, zoals verzekeraars, kunnen voorkomen dat mensen in de schulden raken. De raad stelt vast dat er veel wordt gepraat over het onderwerp, maar dat er op het vlak van preventie nog nauwelijks vooruitgang is geboekt. De raad komt met drie oplossingen om schulden te voorkomen.

Eenvoudige regels

De eerste oplossing ligt in het eenvoudiger maken van regels en uitvoering. De RVS wijst met name op de noodzaak om de toeslagensystematiek van de Belastingdienst te vereenvoudigen. Pauline Meurs, voorzitter van de RVS:“Mensen met inkomensondersteuning heb-ben gemiddeld te maken met dertien verschillende regelingen. Veel mensen raken verstrikt in dit web van regelingen die bovendien allemaal een andere kant op wijzen.” De raad realiseert zich dat het structureel wijzigen van de toeslagensystematiek tijd kost. Een oplossing voor de korte termijn is het direct overmaken van toeslagen naar de organisaties waar de toeslag voor bedoeld is. Meurs: “Zo zou de huurtoeslag meteen naar de wooncorporatie en de zorgtoeslag direct naar de zorgverzekeraar moeten worden overgemaakt. Ook moeten altijd individuele oplossingen bij complexe probleemgevallen mogelijk zijn, als het nodig is ook buiten de bestaande regels om. Denk daarbij aan coulanceregelingen.

Financiële hulp

De RVS ziet een tweede oplossing in het bieden van financiële hulp en advies, nog voordat er schulden zijn. Mensen moeten eenvoudiger en sneller toegang krijgen tot hulp. Gemeenten hebben al de mogelijkheid om laagdrempelige hulp aan te bieden, maar daar wordt nog te weinig gebruik van gemaakt. Goede voorbeelden zijn er wel al, zoals in Amersfoort. Alle gemeenten zouden dit moeten aanbieden.

Meer verantwoordelijkheid bij schuldeisers

Tenslotte pleit de RVS ook voor een heldere zorgplicht van de schuldeisers. De verantwoordelijkheid van overheid, bedrijven en organisaties om te voorkomen dat mensen schulden krijgen, moet worden versterkt. Denk daarbij aan begrijpelijke communicatie en alertheid op laaggeletterdheid. Of aan het tijdig bieden van hulp of een regeling bij een achterstand in betaling. Ook hiervan zijn al goede voorbeelden, zoals de City Deal Inclusieve Stad, een initiatief van een aantal steden en ministeries. Deze voorbeelden verdienen navolging. Overheid, bedrijven en organisaties moeten meer investeren in innovatie en het leren van elkaar.
“Wij zien ook veel voordelen in een landelijk incassobureau – naar Zweeds voorbeeld. Het biedt betere bescherming aan mensen met een schuld. Bovendien zijn schuldproblemen eerder zichtbaar, omdat problematische schulden op één plek terechtkomen”, aldus Meurs.

Klik hier om  het advies 'Eenvoud loont - oplossingen om schulden te voorkomen' te downloaden.

 

Met flexibilisering ‘van de wal in de sloot’

flexibiliseringVVD-leider Mark Rutte stelde tijdens verkiezingsdebatten voor om uitkeringen te korten, omdat er volgens hem bij een aantrekkende economie genoeg (betaald) werk is. Een verlaging van uitkeringen bedoelde hij als een spreekwoordelijk ‘duwtje in de rug’. Voor velen voelt het evenwel vanwege de onzekerheid op de arbeidsmarkt als een duw ‘van de wal in de sloot’.
Begin dit jaar stond de werkloosheid genoteerd op een percentage van 5,4% van de beroepsbevolking. Dat is aanzienlijk beter dan de 7,9 % in 2014, maar eind 2008 lag het op slechts 3,6%. De verwachting is dat het huidige relatief hoge percentage in verband met een beperkte economische groei maar langzaam zal afnemen.
Het kenmerk van de huidige werkloosheid is dat deze anders dan tijdens een eerdere periode van hoge werkloosheid zoals in de jaren ’80, gepaard gaat met toenemende onzekerheid op de arbeidsmarkt. Deze onzekerheid wordt veroorzaakt enerzijds door een afgenomen recht op een WW-uitkering, waardoor men sneller in de bijstand terecht komt. Anderzijds is er de flexibilisering van arbeidsrelaties. Want in toenemende mate nemen mensen als flexkracht of als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) deel aan de arbeidsmarkt. Afhankelijk van de precieze definitie gaat het in totaal om 35 tot 40% van alle werkenden. De gevolgen van de onzekerheid die ermee samenhangt zijn te bespeuren in een toename: van het aantal werkende armen; van mensen in situaties met hoge schulden; en van mensen die een beroep moeten doen op voedselbank en noodhulp.
Een belangrijke verklaring voor de huidige arbeidsmarktsituatie ligt in het arbeidsmarktbeleid dat in 2008 vlak voor de kredietcrisis en de daarop volgende economische crisis werd ingezet. In dat jaar presenteerde de commissie Bakker het rapport ‘Naar een toekomst die werkt’. De voorzitter van de commissie, de TNT-topman Peter Bakker, sprak toen de gevleugelde woorden: “Er is werk voor iedereen”. De kern van het rapport was de waarschuwing voor een komende structurele schaarste op de arbeidsmarkt. Men verwachtte op grond van het met pensioen gaan van de babyboomgeneratie en bevolkingsafname een begin van een structureel tekort aan werknemers op de arbeidsmarkt in 2011, oplopend tot een tekort van 1 miljoen werknemers in 2040.
Iedereen, ook mensen met een beperking en mensen in de bijstand, moest op een verhoogd flexibele wijze beschikbaar komen voor de reguliere arbeidsmarkt. Met de Participatiewet die in 2015 is ingevoerd heeft het geleid tot bezuinigingen op sociale werkplaatsen, overigens veelal met als gevolg dat mensen met een beperking helemaal kwijt raakten wat men aan werk nog had.
Ouderen moesten langer doorwerken. Het heeft geresulteerd in de huidige verhoging van de AOW- en pensioengerechtigde leeftijd. Een verhoging die nu overigens in plaats van als arbeidsmarktmaatregel meer als begrotingsmaatregel, met het oog op de betaalbaarheid van AOW-uitkeringen en pensioenbetalingen, wordt gehanteerd.
In 2008 was de aanname dat mensen bij arbeidsmarkthervormingen misschien wel baanzekerheid zouden verliezen, maar daar tegenover stond werkzekerheid vanwege de verwachte krapte op de arbeidsmarkt. Ten gevolge van een economische crisis zijn de verwachtte te-korten op de arbeidsmarkt evenwel uitgebleven, is de arbeidsmarkt echter wel verder geflexibiliseerd en is de nadruk op participatie in betaald werk eerder toe dan afgenomen.
In het landverslag dat de Europese Commissie in februari over Nederland heeft gepubliceerd, wordt met klem gewezen op wat er mis gaat op de Nederlandse arbeidsmarkt. Het Nederlandse werkloosheidscijfer, één van de laagste in de Europese Unie, heeft volgens het verslag een donkere keerzijde. De toegenomen werkgelegenheid is vooral te danken aan tijdelijke contracten en werk voor zzp’ers. Met het aandeel tijdelijk werk heeft Nederland dan ook één van de hoogste scores gevestigd in de Europese Unie. Het verslag tekent er bij aan dat het percentage onvrijwillig tijdelijk werk van 33,9% in 2010 is opgelopen is naar 54,6% in 2015. Het is een ontwikkeling die volgens de Europese Commissie toenemende tegenstellingen op de arbeidsmarkt en toenemende baanonzekerheid met zich mee brengt. Het ‘van de wal in de sloot’-gevoel van mensen op zoek naar werk vanuit een uitkeringssituatie, is dus niet alleen maar een ‘gevoel’ en vraagt volgens de Europese Commissie dringend om actie van een volgend kabinet..

Trinus Hoekstra, diaconaal specialist bij Kerk in Actie binnenland en secretaris van de Beraadgroep Samenlevingsvragen van de Raad van Kerken

Klik hier om naar de startpagina van het themadossier 'Werk, werkloosheid en nieuwe wegen' te gaan.

De strijd tegen armoede behoeft een nieuwe noemer

Samenvatting artikel 'Kan arbeid de groeiende kloof in de samenleving overbruggen?'

De strijd tegen armoede is vastgelopen. Vastgelopen enerzijds in een overheidsoffensief om mensen terug een arbeidsmarkt op te sturen die hen eerst buiten spel heeft gezet en die hen nu afscheept met een loon waarvan niet valt te leven. Vastgelopen anderzijds in een maat-schappelijk offensief om met charitatieve activiteiten de ergste nood van mensen te lenigen zonder de structurele oorzaken van deze nood op te sporen en aan te pakken. Drie ontwikkelingen hebben bijgedragen aan het ontstaan van deze verlammende situatie. Op de eerste plaats het verdwijnen van het vermogen bij het gros van de mensen om zich de samenleving anders voor te stellen dan deze nu is. Dat vermogen was al niet zo goed ontwikkeld en bij de val van de Berlijnse Muur in 1989 is het nagenoeg geheel verloren gegaan. Daardoor kunnen mensen, organisaties, partijen, overheden zich geen samenleving meer voorstellen die anders is dan de huidige.
Dat onvermogen versterkt een tweede ontwikkeling die altijd al in de kiem aanwezig was, namelijk het reduceren van maatschappelijke vraagstukken tot persoonlijke problemen. Het armoedevraagstuk wordt gedefinieerd en dus ook behandeld als een probleem van/met arme mensen. Een derde ontwikkeling die in de hand werkt dat de strijd tegen armoede versnippert in een reeks van individuele aanpassings- en hulptrajecten, is het zich terugtrekken van maatschappelijke organisaties op hun eigen kerntaak. Dat belemmert de vorming van dwarsverbanden en coalities die nodig zijn om uit het gangbare denken en doen te breken. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw vormden zich basisgroepen van achtergestelden, waaronder werklozen, arbeidsongeschikten, buitenlandse werknemers en andere migranten, bijstandsmensen en minimumloners. Ze werden ondersteund door kritische welzijnswerkers die vooral actief waren in achterstandswijken. Vanuit concrete hulpverleningssituaties probeerden deze werkers maatschappelijk achtergestelden aan te zetten tot en te helpen bij het ontwikkelen van een sociale politiek. Dat gebeurde met het doel om in alle sectoren van de samenleving te komen tot een rechtvaardiger verdeling van de welvaart. Het na de oorlog opgebouwde stelsel van sociale zekerheid voldeed in hun ogen niet meer: het was te zeer vervlochten met een economisch bestel dat ongelijkheid creëert en de aarde uitput.
Om concrete hulp en maatschappelijke verandering aan elkaar te koppelen en om verschillende bewegingen met elkaar te verbinden werd vanaf het midden van de jaren zeventig de strijd tegen armoede als gezamenlijke noemer gelanceerd. Deze noemer heeft decennialang een samenbindende en mobiliserende werking gehad. Zeker in het begin toen de landelijke politiek en overheid tegen de feiten in bleven ontkennen dat in het rijke Nederland sprake was van armoede. Uiteindelijk werd bij de overheid toch de erkenning afgedwongen dat er inderdaad ook in Nederland sprake was van armoede. Dat betekende aanvankelijk een ver-sterking van de brede strijd tégen verarming en vóór vernieuwing van de samenleving. Maar in het eerste decennium van deze eeuw kreeg de geïndividualiseerde armoedevisie van de overheid steeds meer aanhang en werd armoede meer en meer verengd tot een probleem van achterblijvers, die eerst en vooral geholpen moesten worden om weer aan het werk te komen. Daardoor is de mobiliserende werking van de noemer ‘armoede’ steeds meer teloor gegaan. De kloof tussen arm en rijk is toegenomen; mensen zijn daar bezorgd en boos over. Armoede is niet langer een geschikte term om deze groeiende boosheid uit te laten groeien tot een positieve beweging voor vernieuwing van de samenleving. Daar is een andere noemer voor nodig met een verbindende en mobiliserende werking die vergelijkbaar is met de functie die destijds termen als ‘sociale zekerheid’ en ‘armoede’ hadden. De term ‘bestaanszekerheid’ lijkt zich daar voor aan te dienen.
De beweging die deze vernieuwing in gang zet, is al gaande. Vanuit de basis van de samenleving. Op diverse terreinen. Ze komt concreet tot uiting in een bonte verzameling van burgerinitiatieven, die allemaal kenmerken van sociale coöperaties in zich dragen. Er moet voor gewaakt worden dat overheden en organisaties – al dan niet met goede bedoelingen – deze beweging overnemen en ze daarmee beroven van haar veranderkracht. Daarom is het maken van goede afspraken over de onderlinge relatie van belang: dat kan de bewegingen ondersteunen in hun verkenningstochten naar nieuwe verhoudingen in de samenleving en het kan de overheden weer meer terugbrengen naar haar rol van temmer van een doorgeschoten markteconomie. Dat vernieuwingsproces speelt zich af in een nieuw sociaal domein, dat naast het private en het publieke domein ontstaat. Het is het domein van het gemeenschappelijke, het gemeengoed, het domein waar particuliere initiatieven inhoud en vorm geven aan collectieve belangen, aan grondrechten rond bestaanszekerheden waarvoor voorheen de overheid garant stond. Dat heeft ook een vernieuwende werking ten aanzien van de inhoud en vorm van deze bestaanszekerheden, waaronder met name werkgelegenheid. In plaats van arbeid die mens en aarde opsoupeert, ontwikkelen mensen in sociale coöperaties vormen van bewarende arbeid, arbeid die mens en natuur in stand houdt, bewaart. Zo’n arbeid kan wel een brug slaan over de dieper geworden kloof in de samenleving.

Klik hier om het hele artikel te lezen.

Klik hier om naar de startpagina van het themadossier 'Werk, werkloosheid en nieuwe wegen' te gaan.

Pleidooi SER voor structurele aanpak van armoede

Op verzoek van het kabinet heeft de SER (Sociaal-Economische Raad) een advies uitgebracht over de aanpak van armoede onder kinderen. De titel van het advies luidt 'Opgroeien zonder armoede'.
Klik hier voor meer informatie over de inhoud van dit advies.

Wij willen in deze bijdrage inzoomen op een toegevoegd advies, namelijk dat de compensatieregelingen voor arme kinderen aangevuld moeten worden met een meer structurele en systematische aanpak van de oorzaken van armoede. Dus niet alleen hulp aan arme mensen – kinderen in dit geval – maar ook een beleid dat het ontstaan en voortbestaan van armoede bestrijdt. De SER noemt de volgende maatregelen in het kader van het wegnemen van structurele oorzaken van armoede:

  • Meer banen met groter aantal uren, die voldoende inkomen en inkomenszekerheid bieden.
  • Minder algemene en meer gerichte inkomensondersteuning: per persoon kijken wat de inkomsten zijn in relatie tot (vaste) lasten, toeslagen en schulden.
  • Het bevorderen van (financiële) redzaamheid met toepassing van inzichten uit de gedragswetenschappen (direct contact; budgetcoaching; belonen i.p.v. straffen).
  • Preventie van armoede en schulden, alsmede beleid gericht op het voorkómen van terugval.
  • Integrale aanpak met duidelijke afspraken over wie op welk niveau welke actie moet ondernemen. Dat geldt voor samenwerking tussen Rijk en gemeenten; binnen de gemeentelijke organisatie; met scholen en organisaties uit het maatschappelijke middenveld, met bedrijven. Gemeenten kunnen een armoederegisseur aanstellen om dit te bevorderen.
  • Toeslagenstelsel herzien met als inzet een stelsel dat minder algemeen is en meer toegespitst op groepen die deze steun het hardste nodig hebben. En de huidige aanvraagsystematiek vervangen door een vorm van directe financiering van instellingen die een voorziening leveren.

Het zijn zonder meer zinnige maatregelen die de SER aanbeveelt. Als ze toegepast worden verbetert het armoedebeleid zonder meer. Maar zijn dit nu de maatregelen die de structurele oorzaken van armoede kunnen wegnemen? Wij vrezen van niet. De voorgestelde maatregelen blijven daarvoor te dicht bij het beleid van caritas en compensatie. Het belangrijkste signaal dat de SER afgeeft zijn niet deze ‘structurele’ maatregelen, maar is de boodschap dat compensatie en caritas niet volstaan en dat de structurele oorzaken van armoede moeten worden aangepakt. De SER was gevraagd een advies uit te brengen over de aanpak van armoede onder kinderen. Het verdient lof dat de commissie van de SER deze opdracht heeft aangegrepen om erop te wijzen dat het bestrijden van armoede meer is dan het verzachten van de gevolgen ervan.
Om de vinger te leggen op de meer fundamentele oorzaken van armoede, moet een laag dieper gegraven worden dan de SER nu doet. De SER zou niet zozeer te rade moeten gaan bij onderzoekers die over armoede schrijven, maar bij onder-zoekers die de rijkdom analyseren. De onderzoekers van de rijkdom laten zien hoe wereldwijd en dicht bij huis rijkdom wordt vergaard en rijkdom wordt verdeeld; welke houdingen en verhoudingen aangaande dit vergaren en verdelen zijn gegroeid; welke effecten dit heeft op de sociale en economische ordening van de samenleving; welke groepen hierbij bevoordeeld of benadeeld worden; welke legitimeringen en vanzelfsprekendheden dienaangaande worden gehanteerd; welke belemmeringen het gangbare vergaren en verdelen van rijkdom heeft voor de oplossing van maatschappelijke problemen zoals de toenemende ongelijkheid tussen (groepen) mensen en landen. Een studie van de rijkdom zou een beter zicht kunnen geven op de relatie die er bestaat tussen rijkdom en armoede. Ze kan inzichtelijk maken dat de economie waarop onze huidige welvaartsstaat rust, wereldwijd ongelijkheid nodig heeft om vooruit te komen en dat de kloof tussen arm en rijk groei, internationaal en nationaal.
Pas als de SER zo’n studie van de rijkdom maakt, zullen de meer fundamentele oorzaken van de armoede aan het licht komen. Daarbij hoort ook een bezinning op de veranderde positie die de overheid heeft ingenomen ten aanzien van de markteconomie. Voorheen deed de overheid haar best om de scherpe kantjes van deze economie af te slijpen; de laatste decennia is de overheid meer dienstknecht dan regisseur van de markteconomie geworden. De Duitse socioloog Stephan Lessenich heeft onlangs een studie gepubliceerd die een goede bijdrage zou kunnen leveren aan een SER-onderzoek naar rijkdom. De titel van deze studie luidt Neben uns die Sintflut. De zondvloed vindt niet na ons, maar naast ons plaats. Lessenich laat zien dat de samenhang tussen rijkdom en armoede steeds duidelijker aan de dag treedt, veraf en dichtbij. We leven boven onze verhoudingen en boven de verhoudingen van anderen. En tegelijk leven we beneden onze mogelijkheden daarin verandering te brengen.

Helden, 10 april 2017
Raf Janssen

Gelijke kansen voor alle kinderen

Kinderen moeten in ons land zonder armoede opgroeien

hoorzitting kinderen en armoedeIn de Tweede Kamer In het gebouw van de Tweede Kamer vond op donderdag 8 juni een vraaggesprek plaats met de Tweede Kamercommissie SZW over het SER-advies Opgroeien zonder armoede. De SER was uitgenodigd om dit advies over de aanpak van armoede onder kinderen te komen toelichten en vragen van Kamerleden te beantwoorden. De SER was met een uitgebreide delegatie o.l.v. voorzitter Mariëtte Hamer. De belangstelling vanuit de Kamer was groot: Negen fracties (van de 13 in de tweede Kamer; VVD, CDA, D66, GroenLinks, SP, PvdA, ChristenUnie, Denk en 50+) waren aanwezig.

Lees meer

Deel deze pagina via sociale media

logo armoede live 10jaarlater

logo initiatief nu

logo expeditie sociale cooperatie

Adres

Stimulansz
t.a.v. Ger Ramaekers / Sociale Alliantie
Postbus 2758
3500 GT Utrecht

mailadres2

Volg ons op sociale media