logo-sociale-alliantie6

Participeren in de participatiesamenleving

Hard werken in armoede

rijk-geschakeerdKlik hier om dit artikel te downloaden als pdf-document.

‘Het is onmiskenbaar dat mensen in onze huidige netwerk- en informatiesamenleving mondiger en zelfstandiger zijn dan vroeger. Gecombineerd met de noodzaak om het tekort van de overheid terug te dringen, leidt dit ertoe dat de klassieke verzorgingsstaat langzaam maar zeker verandert in een participatiesamenleving. Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar leven en omgeving.
(Troonrede, 17 september 2013)

Iedereen heeft sinds enkele jaren de mond vol van ‘participatie’ en ‘participatiesamenleving’. Er worden zelfs dikke boeken geschreven over de ontwikkeling van verzorgingsstaat naar participatiesamenleving. Het gaat natuurlijk om een inhoudelijk begrip, maar het is de toon die de muziek maakt, en de conclusie of voorspelling is dat de verzorgingsstaat niet meer te betalen is en dat we dus naar een andere, soberder, minder dure vorm van solidariteit moeten toegroeien, en dat is de participatiesamenleving. Je doet mee en betaalt voor je eigen zorgen en liefst ook nog die van een ander. Een verkenning van een zeer lastig begrip en een bijzondere ontwikkeling.

Wat is participatie?

Volgens het woordenboek Van Dale betekent ‘participeren’ ‘deelnemen aan’ of ‘meedoen aan’. Het woord komt van het Franse woord ‘participeren’, dat op zijn beurt volgens het etymologisch woordenboek ‘actief deel uitmaken van’ betekent. Bij deze omschrijving is het
bijvoeglijk naamwoord ‘actief’ opvallend. Als je daarop doordenkt , kun je blijkbaar deelnemen op een actieve en een passieve manier. Het woord participeren kan bijvoorbeeld gebruikt worden in het kader van de deelname aan de Nederlandse democratie, en dat kan dan op verschillende manieren. Als je gaat stemmen wanneer er verkiezingen zijn, ben je met passieve participatie bezig. Je doet mee aan de democratie door te stemmen, maar je stelt
je zelf niet verkiesbaar om in de gemeenteraad of Tweede Kamer van de Staten-Generaal deel te nemen. Wanneer je wel meedoet en je verkiesbaar stelt op een kieslijst van een politieke partij ben je een actieve deelnemer. Volgens deze redenering komen we terecht in de sfeer van de politieke rechten.

Wat is participatie? Verdeling van collectieve en individuele verantwoordelijkheden

De directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) Kim Putters schrijft in 2014 het boek ‘Rijk geschakeerd. Op weg naar de participatiesamenleving’ (SCP Den Haag, 2014) over de transitie van verzorgingsstaat naar participatiesamenleving. Het boek is verschenen ter gelegenheid van het Jaarcongres van de VNG op 17 juni 2014. Het boek opent met het citaat uit de Troonrede van september 2013 (zie aanhef artikel) en Premier Rutte licht dit in de erop volgende politieke debatten toe met de stelling dat “we toe zijn aan een andere verdeling van collectieve en individuele verantwoordelijkheden”. De vraag is wat dit betekent voor onze manier van samenleven. Er komen verantwoordelijkheden aan te pas van rijksoverheid, provinciale en gemeentelijke overheden, semi-overheden, ondernemingen en bedrijven, maatschappelijke instellingen, en burgers waar het gaat om werk, inkomen, zorg, bestaanszekerheid. Dan komen er dus ook economische en sociale rechten in beeld. Bij de discussie gaat men uit van heel wat veronderstellingen: over de kracht van de samenleving, over de lagere kosten door zelfredzaamheid en over het grotere beschikbare maatschappelijk potentieel. De vraag is natuurlijk of die aannames kloppen.

Wat is participatie? Meedoen aan het maatschappelijk leven

Volgens Kim Putters “staat ‘participatie’ als begrip voor ‘meedoen aan het maatschappelijke leven’. Daarmee is het nog steeds een containerbegrip. Er bestaan vele specificaties, zoals maatschappelijke participatie, sociale participatie, zelfredzame participatie, politieke participatie, sociaal-culturele participatie, burgerparticipatie, cliëntenparticipatie en arbeidspartici-patie. De Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO 2008) geeft aan dat participatie kan refereren aan meedoen in de volle breedte in het maatschappelijke verkeer. Maar het kan ook gaan om een heel gerichte activiteit, bijvoorbeeld werk, sport of vrijwilligerswerk. ‘Maatschappelijke participatie’ kan worden beschouwd als een clustering van arbeid, vrijwilligerswerk en mantelzorg (De Boer 2006). ‘Participatie’ kan tevens ingedeeld worden naar doel en typen interactie met de omgeving, bijvoorbeeld of de activiteit met anderen wordt verricht en of daar een gezamenlijk doel of een bijdrage aan de maatschappij mee is gemoeid (Post en Van der Lucht 2010).” (Putters, 2014, pag. 9-10).

In het debat rond de ontwikkeling van verzorgingsstaat naar participatiesamenleving vat Kim Putters “‘participatie’ breed op, namelijk als activiteiten op het terrein van arbeid, onderwijs, vrijwilligerswerk en mantelzorg. Het gaat daarbij enerzijds om zelfredzaamheid, het kunnen meekomen in de maatschappij, en anderzijds om het helpen van en de zorg voor anderen.” (Putters, 2014, pag. 10). In deze brede omschrijving zijn ook de culturele of educatieve rechten ingeschoven.
Vervolgens gaat Kim Putters ook een vorm van actief en passief uit de politieke rechten inbrengen in de omschrijving met behulp van Van Houwelingen, Dekker en Boele (2014), die in een studie over burgerparticipatie het onderscheid tussen ‘zelfredzame participatie’ en ‘beleidsbeïnvloedende participatie’ gebruiken. In het eerste geval is er sprake van meedoen in de samenleving, bijvoorbeeld door het runnen van een huishouden, werken, zorgen voor partners en buren, vrijwillige inzet bij wijkactiviteiten, het participeren in zorgcoöperaties, of combinaties daarvan. In het tweede geval betreft het meedoen in beleid en bestuur, bijvoorbeeld door het beïnvloeden van besluitvorming van gemeenteraden, het participeren in wijk-raden of Wmo-platforms, het meedoen aan inspraakavonden, of vormen van wat doe-democratie wordt genoemd. Het onderscheid maakt duidelijk dat het in de participatiesamenleving gaat om zowel participeren als (zelf)redzaamheid. Ongeveer twee op de vijf inwoners participeert op dit moment al, zelfredzaam dan wel beleidsbeïnvloedend” (Lees verder in: Van Houwelingen, Dekker en Boele, Burgermacht op eigen kracht? Een brede verkenning van ontwikkelingen in burgerparticipatie, SCP, 2014).

Wat is participatie? Acht domeinen doen mee

Zijn we er nu? Weten we wat participatie is? Nog niet, zo blijkt. De tegenhanger van ‘participatie’ is ‘uitsluiting’. En als de directeur van het SCP daarnaar kijkt, komen weer andere begrippen mee, die de omschrijving van participatie inkleuren. “Een gebrek aan participatie, of zelfs uitsluiting, hangt vaak samen met een gebrek aan werk, inkomen en gezondheid. De mogelijkheden om te kunnen en willen participeren zijn verbonden met de sociale, economische, ruimtelijke en culturele omstandigheden van mensen.” (Putters 2014, pag. 13). Naast politieke, economische, sociale, culturele rechten komt nu ook een ruimtelijke dimensie in beeld. Dan mag je denken aan land en water, de manier van land en water indelen en gebruiken, infrastructuur rond energie, water, verkeer, bebouwing, behuizing, etc.
Kim Putters wijst vervolgens acht domeinen aan, waarop ‘participatie’ een rol speelt of de tegenhanger ‘uitsluiting’:

  1. Onderwijs;
  2. Maatschappelijke participatie;
  3. Inkomen en sociale zekerheid;
  4. Vrije tijdsbesteding (sport, recreatie, vakantie, mediagebruik);
  5. Betaald werk;
  6. Sociale veiligheid;
  7. Gezondheid; en
  8. Wonen.

En de directeur van het SCP kan vanuit de cijfers van het Centraal Bureau Statistiek (CBS) aan elk domein een participatiecijfer hangen rond bepaalde uitkomsten van het Nederlandse volk of delen er van als het gaat om de mate van meedoen aan dat domein of ervan uitgesloten zijn.
Het SCP heeft in 2013 gemeten dat de kwaliteit van leven in Nederland beter was dan in 2003, en heeft tegelijk gesignaleerd dat er na 2010 een verslechtering is opgetreden. Die verslechtering heeft te maken met de gevolgen van de financieel-economische crisis sinds 2008. Door die crisis is de kwaliteit van leven van de meest kwetsbare groepen, dat wil zeg-gen mensen met een lage opleiding, een laag inkomen, zonder werk of met een slechte gezondheid, het sterkst achteruit gegaan. Putters signaleert dat een combinatie van financiële, sociale, fysieke en psychische kwetsbaarheid ongunstig blijkt uit te pakken bij ongeveer 6% van de bevolking, onder wie alleenstaanden, eenoudergezinnen en werklozen, vaak op oudere leeftijd. Er is sprake van toenemende armoede en schulden in de huishoudens. De sociale gevolgen daarvan komen in de toekomst in beeld, vooral in termen van de (on)mogelijkheden voor participatie in werk, (mantel)zorg en beleid. Op de terreinen van betaald werk, vrijwilligerswerk en (mantel)zorg en beleidsbeïnvloedende participatie loopt Kim Putters vervolgens een aantal gegevens na en signaleert diverse veranderingen.

Wat is participatie? Wie mag er meedoen?

In theorie is men het er wel over eens dat ‘participatie’ gaat over de mate waarop mensen meedoen aan de samenleving in de meest brede zin van het woord op alle acht domeinen, die het SCP onderscheidt.
Tot zover gaat het allemaal heel netjes en lijken we objectief over participatie van alle mensen te kunnen spreken. Als we de geschiedenis van de laatste tachtig jaar er bij gaan betrekken komen twee ontwikkelingen in beeld, die kritische vragen oproepen rond het gebruik van ‘participatie’ en het toegroeien naar de participatiesamenleving. De eerste kritische vraag betreft wié er allemaal mogen participeren. En de tweede kritische vraag betreft hóe die mensen mogen participeren.
Eerst maar even over de eerste vraag spreken. Vanuit civiele of burgerrechtentheorie mag elke Nederlander meedoen in Nederland. Dat is een mooi en grondwettelijk uitgangspunt. Maar Nederland wordt al sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog aangezocht door mensen, die van elders in de wereld komen. Om allerlei motieven. Om te beginnen met bij-voorbeeld vluchtelingen uit de Tweede Wereldoorlog, mensen die elders terecht waren ge-komen en terugkeren, mensen die uit Indië naar Nederland kwamen. En ga zo maar door. Iedere tien jaar is er ergens in de wereld wel een oorlog gaande, die leidt tot migranten die naar Nederland komen. En door de jaren heen zien we Nederland steeds meer worstelen met de toegankelijkheid of de gastvrijheid voor al die migranten. Het is een uitdagende studie om vanaf de jaren tachtig eens uit te zoeken hoe bijvoorbeeld de wetgeving rond de opvang van migranten wordt aangescherpt, voorzien van drempels, hordes, muren, sancties en straffen, die allemaal er op gericht zijn om Fort Nederland te beschermen tegen de toestroom van mensen van buiten. Participatie is er voor iedereen, maar niet voor migranten. Tenzij ze aan zware voorwaarden voldoen. In de laatste dertig jaar zie je dan ook een aantal mensen in Nederland, die wel aanwezig zijn en participeren, maar in de officiële, formele, legale wereld niet bestaan: de zwervenden, daklozen, asielzoekers, illegalen, de sans-papiers, de mensen met een tijdelijke verblijfsvergunning, tijdelijke reiskaart, tijdelijk visum, enzovoorts. Er is in Nederland een niet-zichtbare groep van participerende mensen aanwezig, en zelfs het SCP kan ons niet vertellen hoe groot die groep nu feitelijk is.

Wat is participatie? Hoe mogen mensen meedoen?

De tweede kritische vraag is hoe mensen mogen of moeten meedoen. Er zijn verschillende rechten, plichten en verantwoordelijkheden (politieke, sociale, economische, culturele, ruimtelijke) en er zijn acht domeinen (volgens het SCP), maar sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw (toen er ook een heel grote economische crisis was) is ‘participatie’ met name ingevuld met economische participatie. Mensen hebben de plicht om hun inkomen te verdienen met een baan en alleen als ze daar niet toe in staat zijn kunnen ze een beroep doen op een uitkering. Die economische participatieplicht is sinds de jaren tachtig dank zij veel wetgeving steeds zwaarder benadrukt. ‘Participatie’ betekent eigenlijk in het beleidsjargon ‘het hebben van een baan en dus een inkomen’ en alle andere vormen van participatie zijn daaraan ondergeschikt of tweederangs of tel-maar-door-rangs. Mensen die een baan hebben worden met rechten begunstigd en mensen die geen baan hebben worden met plichten verzwaard. Het is een uitdagende studie om vanaf de jaren tachtig eens uit te zoeken hoe bijvoorbeeld de sociale zekerheidswetgeving is gewijzigd en hoe daarin de rechten van participerende mensen zijn verkleind en de plichten verzwaard. Het sluitstuk van dat onderzoek is te vinden in enerzijds de Participatiewet en anderzijds de zogenoemde fraudewet ofwel de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving. Burgers worden in deze wetten gedwongen in ruil voor een uitkering of inkomen op allerlei manieren prestaties te leveren, ook als dat geen betaald werk is. Participeren is zo voorzien van een dwingend karakter, waar mensen geen nee op kunnen zeggen, op straffe van verlies van hun inkomen of uitkering. En de Fraudewet heeft het beginsel dat je onschuldig bent totdat bewezen is dat je schuldig bent omgekeerd: mensen met een uitkering zijn schuldig aan fraude en krijgen dus sancties totdat ze bewezen hebben dat ze dat niet schuldig zijn. Uit deze ontwikkeling van de sociale zekerheidswetgeving is af te leiden hoezeer het economische domein overheersend is geworden ten opzichte van alle andere domeinen.
Feitelijk kun je stellen dat ‘participatie’ nu voor een deel van de samenleving, vaak het kwetsbaarste deel, staat voor hard werken als onbetaald werker op diverse domeinen in de samenleving in ruil voor een schamele uitkering.

Hub Crijns is directeur van landelijk bureau DISK en bestuurder Landelijk Katholiek Diaconaal Beraad

Meer dan 400.000 kinderen groeien op in armoede

kinderenIn 2014 groeiden 421 duizend minderjarige kinderen op in een huishouden met een laag inkomen. Dit komt neer op 12 procent. 131 duizend minderjarige kinderen leefden al vier jaar of langer in een huishouden met een laag inkomen. Het CBS kwam met deze cijfers op 9 mei 2016.
Bij een inkomen beneden de lage-inkomensgrens spreekt CBS van risico op armoede. De lage inkomensgrens hangt af van de gezinssituatie. Voor een paar met twee kinderen bijvoorbeeld lag de lage-inkomensgrens in 2014 op 1.920 euro per maand.

Kinderen uit gezinnen met een laag inkomen kunnen minder vaak meedoen aan activiteiten dan hun leeftijdsgenoten. Zo kunnen ze niet altijd mee op schoolreis en zitten ze minder vaak op sport of op muziekles. Voor meer dan de helft van de kinderen in huishoudens met een laag inkomen is er te weinig geld om regelmatig nieuwe kleren te kopen of om één keer per jaar een weekje op vakantie te gaan.

kinderen-1

Aantal kinderen met risico op armoede neemt toe sinds 2010

 Het aantal kinderen met risico op armoede was in 2014 even groot als tien jaar geleden. Tussen 2005 en 2010 was sprake van een daling. Daarna is het aantal kinderen met risico op armoede tijdens de economische crisis gestegen. Zo liep de werkloosheid op na 2010, nam het aantal huishoudens met een bijstandsuitkering toe en nam de koopkracht jaren achtereen af.

kinderen-2

Hoog armoederisico kinderen van niet-westerse herkomst

Van de niet-westerse minderjarige kinderen in Nederland groeide in 2014 een derde op in een gezin met een laag inkomen. Dat aandeel is viermaal zo hoog als onder autochtone kinderen. Onder de niet-westerse allochtonen heeft het lage inkomen bovendien veel vaker een langdurig karakter, dat wil zeggen minimaal vier jaar achtereen. Dat het armoederisico hoger is, komt onder meer doordat niet-westerse huishoudens betrekkelijk vaak (langdurig) moeten rondkomen van een uitkering.

kinderen-3

Er zijn ook regionale verschillen. In Rotterdam groeit maar liefst 1 op de 4 kinderen op in een gezin met een laag inkomen.

Bron: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2016/19/meer-dan-400-duizend-kinderen-met-risico-op-armoede

Meer dan 400.000 kinderen groeien op in armoede

 

In 2014 groeiden 421 duizend minderjarige kinderen op in een huishouden met een laag inkomen. Dit komt neer op 12 procent. 131 duizend minderjarige kinderen leefden al vier jaar of langer in een huishouden met een laag inkomen. Het CBS kwam met deze cijfers op 9 mei 2016.

 

Klik hier om meer te lezen.

 

In 2014 groeiden 421 duizend minderjarige kinderen op in een huishouden met een laag inkomen. Dit komt neer op 12 procent. 131 duizend minderjarige kinderen leefden al vier jaar of langer in een huishouden met een laag inkomen. Het CBS kwam met deze cijfers op 9 mei 2016.

 

Bij een inkomen beneden de lage-inkomensgrens spreekt CBS van risico op armoede. De lage inkomensgrens hangt af van de gezinssituatie. Voor een paar met twee kinderen bijvoorbeeld lag de lage-inkomensgrens in 2014 op 1.920 euro per maand.

 

Kinderen uit gezinnen met een laag inkomen kunnen minder vaak meedoen aan activiteiten dan hun leeftijdsgenoten. Zo kunnen ze niet altijd mee op schoolreis en zitten ze minder vaak op sport of op muziekles. Voor meer dan de helft van de kinderen in huishoudens met een laag inkomen is er te weinig geld om regelmatig nieuwe kleren te kopen of om één keer per jaar een weekje op vakantie te gaan.

 

kinderen-1

Aantal kinderen met risico op armoede neemt toe sinds 2010

 

Het aantal kinderen met risico op armoede was in 2014 even groot als tien jaar geleden. Tussen 2005 en 2010 was sprake van een daling. Daarna is het aantal kinderen met risico op armoede tijdens de economische crisis gestegen. Zo liep de werkloosheid op na 2010, nam het aantal huishoudens met een bijstandsuitkering toe en nam de koopkracht jaren achtereen af.

 

kinderen-2

Hoog armoederisico kinderen van niet-westerse herkomst

 

Van de niet-westerse minderjarige kinderen in Nederland groeide in 2014 een derde op in een gezin met een laag inkomen. Dat aandeel is viermaal zo hoog als onder autochtone kinderen. Onder de niet-westerse allochtonen heeft het lage inkomen bovendien veel vaker een langdurig karakter, dat wil zeggen minimaal vier jaar achtereen. Dat het armoederisico hoger is, komt onder meer doordat niet-westerse huishoudens betrekkelijk vaak (langdurig) moeten rondkomen van een uitkering.

 

kinderen-3

 

Er zijn ook regionale verschillen. In Rotterdam groeit maar liefst 1 op de 4 kinderen op in een gezin met een laag inkomen.

 

Bron: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2016/19/meer-dan-400-duizend-kinderen-met-risico-op-armoede

 

 

Aantal daklozen in zes jaar met driekwart toegenomen

 

CBS, 3 maart 2016

 

Het aantal daklozen is in zes jaar met driekwart toegenomen. In Nederland kwamen er tussen 2009 en 2015 iets meer dan 13 duizend daklozen bij. Dit is een toename van 74 procent. Het aantal daklozen met een niet-westerse herkomst is in diezelfde periode verdubbeld. De toename van het aantal autochtone daklozen was iets minder groot.

 

Sterkste stijging daklozen tussen 2009 en 2010

 

Geschat wordt dat 31 duizend mensen in Nederland vorig jaar geen vaste woon- of verblijfplaats hadden, sliepen in de opvang, op straat, in openbare gebouwen of bij familie of vrienden. Van deze groep had 13 duizend een niet-westerse herkomst. In 2009 waren dit er bijna 6,5 duizend. Tussen 2009 en 2015 kwamen er 5,5 duizend daklozen met een autochtone herkomst bij. De sterkste stijging van het aantal daklozen vond plaats tussen 2009 en 2010. Ook in de jaren daarna nam het aantal daklozen toe.

Het gaat in dit bericht om daklozen die ingeschreven staan in een van de registraties die CBS gebruikt voor dit onderzoek, of om daklozen die de kans hebben om in die registraties voor te komen. De resultaten in dit onderzoek zijn exclusief de mensen die illegaal in Nederland verblijven én dakloos zijn.

 

Niet-westerse allochtone daklozen verblijven vaker in de vier grote steden

 

Meer dan de helft van de daklozen met een niet-westerse herkomst (ruim 7 duizend) verbleef vorig jaar in een van de vier grote steden. Onder de autochtone daklozen lag dat aantal lager. Van hen verbleef vorig jaar 29 procent (4,4 duizend) in de grote steden.

Niet-westerse daklozen zijn jonger dan autochtone daklozen. Dit verschil is over de jaren gestegen. Was in 2009 nog 27 procent van het aantal niet-westerse daklozen jonger dan dertig jaar, zes jaar later is dat opgelopen tot een derde.

 

Dakloze man heeft vaker niet-westerse herkomst dan vrouw

 

Net als in alle voorgaande jaren zijn daklozen vooral mannen. Bijna een op de vijf daklozen (5,7 duizend) is een vrouw. Dit aandeel is over de jaren stabiel gebleven. Dakloze vrouwen zijn relatief jonger dan dakloze mannen en zij verblijven ook vaker in een van de vier grote steden.

Van alle dakloze vrouwen is 36 procent van niet-westerse herkomst. Onder de dakloze mannen ligt dit percentage wat hoger, van hen is 44 procent niet-westers van origine. In de totale groep daklozen is dit 43 procent van niet-westerse herkomst.

Een lang tekort

Langdurige armoede in Nederland

Door de economische recessie van de afgelopen jaren is de armoede in Nederland flink toegenomen. Ook zijn er aanwijzingen dat er steeds meer mensen zijn die ten minste drie jaar van een inkomen onder de armoedegrens moeten leven. In een onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) dat verscheen op 1 maart 2016 richten de onderzoekers zich op die langdurig arme groep.
Aan de orde komen vragen als: om hoeveel mensen gaat het? Is hun aantal inderdaad gestegen en zo ja, gaat het dan om een structurele of slechts tijdelijke stijging als gevolg van de crisis? Bij welke categorieën in de bevolking concentreert de langdurige armoede zich? Zijn dat de klassieke risicogroepen voor armoede, zoals uitkeringsontvangers, of komt het ook voor bij groepen waar je het niet zou verwachten?

Lees meer

Op de rug van de tijger

Pleidooi voor een economie met een menselijk gezicht

op-de-rug-van-de-tijgerKlik hier om onderstaand artikel te downloaden als pfd-document.

Inzet voor een economie met een menselijk gezicht - daarbij kunnen religieuze tradities ons helpen. Meer dan velen nu beseffen, hebben kerken en religies zich eeuwenlang diepgaand beziggehouden met de inrichting van de economie en het economisch handelen. Vanaf de moderne tijd is de band tussen economie en geloof dunner geworden. Economie is een veld van handelen, dat zich in hoge mate heeft verzelfstandigd ten opzichte van kerk en geloof. Dat wordt duidelijk als we ons de vraag te stellen of ons geloof iets te maken heeft met hoe wij in de economie staan (productie en consumptie). Het antwoord is minder eenvoudig dan de vraag.
Herman Noordegraaf bespreekt een verkenning van dit thema door Theo Salemink.

Stevig studieboek

Wie zich wil verdiepen in de betekenis van religie voor de economie kan terecht in het boek van de historicus en theoloog Theo Salemink, die al vele publicaties op dit terrein op zijn naam heeft staan, waaronder het standaardwerk ‘Katholieke kritiek op het kapitalisme 1891-1991. Honderd jaar debat over vrije markt en verzorgingsstaat’ (1991). Het beeld dat Salemink in de titel gebruikt, ‘Op de rug van de tijger’, geeft de problematiek aan: de huidige economie, het kapitalisme met zijn vrije markt, is te vergelijken met een rit op de rug van een tijger. Die tijger kiest zijn eigen weg en kan ons naar een bestemming brengen die noodlottig is, maar eraf springen zou nog gevaarlijker zijn. Het enige wat overblijft is temmen en een beetje bijsturen. De verzorgingsstaat was zo’n poging.
Salemink stelt zich de vraag hoe we de tijger in een bepaalde richting kunnen sturen. Daar-voor hebben we morele criteria nodig, zowel om de richting te kunnen bepalen, als om kracht tot verandering te vinden. Voorwaarde is wel dat de religieuze inzichten niet fundamentalistisch gebruikt worden, omdat zij anders omslaan in onderdrukking. Dat geldt ook voor seculiere varianten, zoals de klassenmoraal van het communisme. Wat is rechtvaardig? Welke visie op eigendom hebben we? Wat is verantwoord beheer van de aarde?
Voor beantwoording van deze morele vragen gaat de auteur ten rade bij wat hij noemt ‘de historische bibliotheek van de mensheid’, de morele verhalen, veelal verbonden met religies, die in alle culturen voorkomen en een wereldwijde spreiding hebben. Salemink behandelt enige case studies die vooral met het christendom van doen hebben, maakt enige uitstapjes naar islam en boeddhisme en wijdt een hoofdstuk aan het socialisme.

Neoliberaal denken en andere tradities

Allereerst gaat Salemink nog in op het dominante neoliberale denken met zijn geloof in de vrije markt. De Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar Milton Friedman is hiervan een belangrijke vertolker. Het neoliberalisme acht de vrije markt economisch en moreel superieur aan andere benaderingen, omdat geen enkel ander stelsel zoveel welvaart schept, die ook nog ten goede komt aan de armen. Privatisering en meer marktwerking, ook in de publieke sector, passen hierbij. Terecht wijst Salemink erop dat de economische crisis, de toenemende ongelijkheid van inkomens en vermogens en de milieucrisis laten zien dat het neoliberalisme deze pretenties niet kan waarmaken, en sterker: de problemen mede veroorzaakt.
De verhalen waarmee Salemink in gesprek gaat, zijn de socialistische, katholieke, calvinistische, ecologische en – meer als uitstapjes – boeddhistische en islamitische spirituele verhalen. Daarbij selecteert hij door te zoeken naar die verhalen die de stem van de slachtoffers, van de armen, van gewone mensen laten horen. In het socialisme vinden we het recht op verzet tegen onderdrukking. Bij Thomas van Aquino is onder meer de visie op de sociale dimensie van eigendom te vinden. Thomas erkent het recht van privébezit, maar eigendom moet zo functioneren, dat naast het voorzien in de behoeften van de eigenaar eigendom ook aan de mensheid en in het bijzonder de armen ten goede komt. Het recht op leven gaat zelfs voor op het eigendomsrecht: in nood mag de arme ‘stelen’! Zo’n inzicht uit een heel andere tijd - de feodale middeleeuwen - krijgt een actuele toespitsing in de notie in de katholieke sociale leer van de universele bestemming van de aarde goederen.
Een andere casus vormt de ‘economie van het genoeg’ van de economen Bob Goudzwaard en Harry de Lange. Voortbouwend op Calvijns pleidooi voor een verantwoord beheer van de aarde (‘rentmeesterschap’) pleiten zij voor een economie waarbij binnen de grenzen die het milieu stelt het voorzien in de behoeften van de armen voorrang krijgt boven het bevredigen van de verlangens van de rijken.
Weer een andere casus vormt de franciscaanse spiritualiteit die uitgaat van verbondenheid van alles wat leeft. De encycliek ‘Laudatio si’ van Paus Franciscus verwoordt deze spiritualiteit. Weer andere religieuze verhalen betreffen de gevaren van de rijkdom, doordat deze mensen het zicht ontneemt op zijn ware bestemming, op waar het wezenlijk omgaat in het leven.
De morele motieven die Salemink aan het slot noemt. zijn die van de mensenfamilie (alle mensen zijn gelijk; het scheppingsverhaal beklemtoont de gezamenlijke afkomst), de waardigheid van de mens (beelddrager van God), het recht op verzet, voorrang van de armen, rentmeesters, moeder aarde en ‘niet bij brood alleen’ (relativering van rijkdom). Deze motie-ven zijn van belang met het oog op de benodigde mentaliteitsverandering, die nodig is om de tijger bij te sturen in de richting van een economie met en menselijk gezicht. Salemink gelooft in de kracht van verhalen.

Kritische kanttekeningen

Salemink stelt de zaken te eenzijdig voor als hij meent dat we enkel nog brokstukken en fragmenten van morele tradities hebben. Het is juist dat we in christelijk-sociaal denken niet te maken hebben met allesomvattende blauwdrukken. Die zijn noch mogelijk noch gewenst. Maar de katholieke sociale leer en de oecumenische sociale ethiek zijn meer dan brokstuk-ken doordachte beschouwingen over actuele sociaaleconomische vraagstukken.
Ten tweede wijst Salemink terecht op de afgenomen betekenis van kerken in West-Europa. Daarnaast moet echter gewezen worden op de mogelijkheden van kerken als wereldwijde netwerken die een kracht ten goede, in de richting van een economie met een menselijk ge-zicht kunnen vormen.

Studimiddag

Op 22 april 2016, van 14.00 - 16.30 uur, is er in Tilburg een studiemiddag over dit boek.
Klik hier voor meer informatie over de studiemiddag.

Theo Salemink, ‘Op de rug van de tijger. Pleidooi voor een economie met een menselijk gezicht’, Valkhof Pers, Nijmegen 2015, 192 pp., ISBN 978 90 5625 4445 2, prijs: 19,50.

Herman Noordegraaf, universitair docent en bijzonder hoogleraar voor diaconaat aan de Protestantse Theologische Universiteit (locaties in Groningen en Amsterdam)

 

Mechanismen van tweedeling

Over verarming en verrijking in Nederland

Nederland kent sinds het uitbreken van de internationale kredietcrisis in 2008 een langjarige periode van economische crisis. Feitelijk is het een opeenstapeling van crises: financieel, economisch, schuldencrisis van de Europese Unie, crisis van de Zuid-Europese en Oost-Europese landen binnen de EU, crisis met Rusland, crisis met een bezuinigende overheid en crisis van huishoudens die verarmen en schulden opbouwen.
Hub Crijns analyseert de crises, gaat in op verarming, verrijking en toenemende ongelijkheid, en mechanismen van herverdeling. Een actualisering van een artikel dat eerder op deze site verscheen.

Lees meer

Deel deze pagina via sociale media

logo armoede live 10jaarlater

logo initiatief nu

logo expeditie sociale cooperatie

Adres

Stimulansz
t.a.v. Ger Ramaekers / Sociale Alliantie
Postbus 2758
3500 GT Utrecht

mailadres2

Volg ons op sociale media