logo-sociale-alliantie6

Anders denken over economie

Klik hier om dit artikel te downloaden als pdf-document.

groene euro

Armoede is een maatschappelijk vraagstuk. Dat wil zeggen dat de oorzaken en de oplossingen eerst en vooral gezocht moeten worden in het antwoord dat de samenlevende mensen geven of gegeven hebben op de vraag: hoe richten wij als samenlevende mensen ons samenleven in? In dat antwoord wordt de economie met haar wetmatigheden doorgaans vergeten of beter gezegd geaccepteerd als autonome mechanismen waarop de samenlevende mensen geen greep hebben. Dat is een hardnekkig misverstand. En zolang dat zich kan blijven nestelen in de hoofden en harten van mensen blijft het armoedevraagstuk als maatschappelijk verschijnsel bestaan. Dan kunnen wij als samenleving wel allerlei activiteiten ontplooien om arme mensen te helpen, maar het verschijnsel armoede uitroeien lukt op die manier niet. Daar is anders denken en doen voor nodig, met name over onze economie. Een aantal auteurs pleit daar al lang voor. Het is zaak die pleidooien weer eens naar voren te halen. 

Oorspronkelijk werd onder economie verstaan: een verstandige levensinrichting

Economie is meer dan geldeconomie

Aristoteles was een denker uit de Griekse Oudheid. Hij leefde van 384-322 voor Christus. Hij maakte een onderscheid tussen oikonomia en chrèmatistikè. Het woord oikonomia komt van de Griekse woorden oikos (huis, have, bedrijf) en nomos (gewoonte, manier, wet). Het woord chrèmatistikè is afgeleid van het Griekse woord chrémata (waren). In 'Archeologie van de economie', een studie over de economische theorie in de Griekse oudheid, laat de Nederlandse filosoof W. Klever zien dat ons begrip van economie heel eng geworden is. Oorspronkelijk werd onder economie verstaan: een verstandige levensinrichting. "Economie, dat is primair: orde op zaken stellen, zorgvuldige en verstandige huishouding, zelfredzaamheid en bestaansverzekering. Die zekerheid en verzekering van bestaan kan men echter niet uitsluitend met financiële middelen, met geld en goed verkrijgen. Essentiële bestanddelen ervan zijn een bepaalde levensinstelling (maat houden) en een ingebed zijn in een beveiligende politieke constellatie." (Klever 1986:9). Dit brede en inhoudelijke begrip werd verengd tot een veel smaller en ogenschijnlijk neutraal begrip: economie als het streven naar een onophoudelijke vergroting van de welvaart via het verwerven van steeds meer geld. Door deze verenging verandert een natuurlijke economie in een oneconomisch welvaartsstreven dat een gezonde samenleving te gronde richt. Het ontstaan van het geld speelt hierbij een kardinale rol. In de natuurlijke economie staat de gebruikswaarde van goederen centraal. Goederen kunnen niet of nauwelijks bewaard en opgehoopt worden: ze zijn niet houdbaar of hanteerbaar. In de geldeconomie staat daarentegen de ruilwaarde van goederen centraal. Geld neemt de plaats in van goederen. Geld kan gemakkelijk worden bewaard, het kan niet rotten en het kan eindeloos worden opgehoopt. Daardoor ontstaat de mogelijkheid om zich niets aan te trekken van hetgeen de natuur voorschrijft, namelijk maat houden. Men kan zich daarentegen gaan toeleggen op de techniek van de maatoverschrijding: kapitaalvermeerdering ten koste van het natuurlijke evenwicht in natuur en maatschappij. De studie van Klever laat zien dat met name Aristoteles reeds voor deze onnatuurlijke ontwikkeling waarschuwde. "Mensen zoeken, zo constateert Aristoteles, welstand en welzijn; daartoe kan goud een middel zijn, doch niet meer dan dat. Wordt dit middel einddoel van het streven, dan is het met goed leven gedaan, dan verkeert maat - en daarmee het geluk - in zijn tegendeel. De handel moet ten dienste van de noodzakelijke behoeftebevrediging blijven en geen doel op zich worden. Gaat men handel drijven om meer geld te verwerven - wat Aristoteles steeds 'chrèmatistikè' noemt - dan is men niet meer met productieve doch met destructieve handel bezig: men maakt zich het goede leven in een bevredigend sociaal kader onmogelijk. (...) De geldzuchtigen zetten het hele leven op zijn kop en verwisselen doel en middel...tot hun ongeluk. Zij verstaan niets van 'economie', van een geordende en doelmatige levenswijze en levensinrichting. Hun handel, ook al brengt die o zo veel goud in het laatje, is uitermate oneconomisch, omdat zij buiten alle vereiste proporties is. Aristoteles haalt ons onverbiddelijk terug naar de oerbetekenis van economie: het beredderen van en het voorzien in een regelmatige huishouding, zodat men met huisgenoten en vrienden van het leven kan genieten."

In de brede economieopvatting is er zoiets als genoeg; in de geldeconomie is meer altijd beter

Verzorgingseconomie

Het onderscheid dat Aristoteles maakt tussen het brede economie-begrip en het enge begrip van de geldeconomie is door een aantal auteurs gebruikt om een pleidooi te houden voor de herwaardering van de verzorgingseconomie. Deze is gebaseerd op zelfverzorging met gebruiksgoederen. Alleen een eventueel overschot aan goederen wordt gebruikt om te ruilen met andere verzorgingseenheden. De geldeconomie daarentegen wordt geheel bepaald door de commerciële of kapitalistische economie van de warenruil. Hier worden goederen geproduceerd niet om ze zelf te gebruiken, maar louter om ze te verkopen. Niet het per definitie beperkte eigen gebruik is hier richtsnoer en maatstaf, maar de in principe mateloze vermeerdering van het geld. Tien fietsen hebben voor eigen gebruik is onverstandige overdaad, omdat je er in feite maar één kunt gebruiken en de andere mogelijk ongebruikt zouden wegroesten. Bij bederfelijke goederen geldt dit nog sterker: je hebt er niet meer van nodig dan je zelf kunt gebruiken. De geldeconomie richt zich daarentegen op de abstracte ruilwaarde van goederen en heeft daarmee de drang in zich tot onbeperkte opeenhoping van geld. Beter honderd fietsen dan tien, ook al heb je er zelf maar één nodig. Die andere kun je namelijk te gelde maken en geld heb je nooit genoeg. Bovendien rot en roest geld niet. In de brede economieopvatting, de oikonomia, is er dus zoiets als ‘genoeg’; in de geldeconomie, de chrèmatistikè, is meer altijd beter. Vroeger stond de verzorgingseconomie op de eerste plaats in grote delen van de wereld. Voor een deel is dat nu nog steeds het geval. De mensen consumeerden vooral wat ze zelf produceerden. De markt had enkel een aanvullende functie om het wenselijke evenwicht voor een goed leven mogelijk nog beter tot stand te brengen. De verzorgingseconomie was in feite veel normaler en belangrijker dan de aanvullende geldeconomie. Momenteel zijn er verschillende plaatsen in Nederland en elders aanzetten om een lokale economie op te bouwen die veel meer uitgaan van de uitgangspunten van de verzorgingseconomie en die afstand nemen van de principes van de geldeconomie.

Arbeid niet richten op het maken van geld, maar op de productie van goederen voor eigen gebruik 

Arbeid weer levend maken

Geld is de wereldtaal. Alles wat hierin vertaald wordt - en dat is steeds meer - draait mogelijk gesmeerd, maar het heeft geen gevoel meer. Het heeft geen contact meer met de levende werkelijkheid, zoals mensen die zintuiglijk kunnen waarnemen. In een studie uit 1991 over de crisis van de wereldeconomie beschrijft de Duitse auteur Robert Kurz hoe wij dit verlies van zintuiglijkheid normaal zijn gaan vinden. Kurz grijpt daarbij terug op een verschijnsel dat Marx reeds signaleerde: de omzetting van levende arbeid in dode arbeid ten gevolge van de werking van het geld. De arbeid is niet langer gericht op het voortbrengen van goederen die gebruikt worden door degene die ze maakt. Arbeid wordt enkel verricht om geld te verdienen en via die onzintuiglijke omweg moet men in de geldeconomie zijn zintuiglijke behoeften zien te bevredigen. Het hele leven wordt op die manier onderworpen aan de banaliteit van het geld en aan de warenproductie die rusteloos voortgestuwd wordt door de blinde logica van het zichzelfbewegende geld. Het geld en de op geldelijk gewin gerichte dode arbeid van de warenproductie zijn vluchtig van aard. Ze vervluchtigen ook de hele samenleving. De warenproducenten zijn niet geïnteresseerd in de producten die ze maken. Ze zijn enkel geïnteresseerd in het geld dat kan worden gemaakt met deze producten. Zo worden de producten van hun zintuiglijkheid beroofd, omdat ze gereduceerd zijn tot potentieel geld. Niet de aard en de kwaliteit van de producten tellen, maar enkel de vraag of er geld mee te maken is. Wat het vlugst het meest geld oplevert wordt geproduceerd. Als een multinational over tien jaar het regenwoud heeft vernietigd, stapt hij over op een ander product om geld te maken. Maar voor de volken die al eeuwenlang in het regenwoud wonen liggen de zaken heel anders. Hun arbeid is levend en concreet. Ze is niet gericht op het maken van geld, maar op het maken van goederen en diensten voor eigen gebruik. Ze produceren niet zozeer voor de handel, maar maken spullen die ze zelf nodig hebben om te leven. Anders dan de dode arbeid is deze levende arbeid langzaam van aard. De producten van deze arbeid worden niet over heel de wereld gesleept. Anders dan de abstracte dode arbeid zit de concrete levende arbeid vast aan de plek waar je woont en leeft. Er is een directe verbinding tussen het produceren en het consumeren van goederen. Anders dan bij de gebruikelijke geldeconomie is hier sprake van een economie van het vruchtgebruik. Dat wil zeggen dat het gebruik dat mensen maken van de natuur, de grond en de grondstoffen botst niet met het belang dat allen, ook generaties na ons, hebben bij de instandhouding ervan.

Eindeloze vermeerdering is de logica van het geld; het blijkt een gevaarlijke illusie: er dreigt een totale leegroof van de natuur

De natuurvernietigende werking van het geld

In een boek uit 1991 over Geld en natuur vertelt de Zwitserse milieu-econoom Hans Christoph Binswanger het verhaal van een jonge Siberiër die opeens meer vis gaat vangen dan hijzelf en zijn familie nodig hebben. Dit gebeurt ondanks het feit dat zijn vader hem toch uitdrukkelijk de aloude les van zijn volk heeft geleerd: vang nooit meer vissen dan je nodig hebt om te leven. Dit hield in dat met het vangen van vis werd gestopt als de eigen familie of stam genoeg had om te eten. Hooguit werd deze beperkte hoeveelheid aangevuld met een extra portie vis die nodig was om uit te wisselen tegen andere etenswaren en gebruiksgoederen. Maar ook deze extra portie bleef klein, omdat etenswaren slechts beperkt houdbaar zijn en omdat met een beperkt aantal gebruiksgoederen kan worden volstaan. Dankzij deze omstandigheden en de daarbij aansluitende wijsheid van de oude stelregel van de beperkte visvangst, hebben deze Siberische stam en veel andere volken gedurende ontelbare generaties een leven kunnen leiden dat in orde was met de natuur. De jongste generatie heeft echter met deze regel gebroken. Ze kón er mee breken omdat de geldeconomie intussen ook het leefgebied van deze Siberische stam heeft bereikt. De overvangst aan vis kan nu worden geruild tegen een waar die niet bederft en die eindeloos opgehoopt kan worden: geld. Deze door de mensen uitgevonden waar en zijn grenzeloze vermeerdering stoelen op de beroving van de natuur. De jonge Siberiër vangt vis, vangt steeds meer vis, verkoopt deze voor geld en koopt steeds meer spullen. Dat kan dankzij de meervangst. Daarbij ziet hij echter één belangrijk feit over het hoofd: niet hij, maar de natuur produceert deze vis. De geldeconomie negeert deze natuurproductiviteit. Wat in de geldeconomie gewoonlijk wordt aangemerkt als productie is in feite het omzetten van natuur in geldwaarden. Omdat het geld geheel los gedacht wordt van de natuur, ontstaat het idee dat de natuur eindeloos te vermeerderen is, net als het geld. Eindeloze vermeerdering! Dat is de logica van het geld. Hoe meer vat het geld krijgt op het economisch leven, hoe sterker deze logica zijn werking oplegt aan alles en allen. Deze logica van het oneindige méér blijkt echter een gevaarlijke illusie: omwille van de geldvermeerdering worden natuurlijke grenzen overschreden en dreigt een totale leegroof van de natuur. De mensen komen steeds meer tot het inzicht dat dit gevaarlijk is. Dit inzicht alléén stelt de natuurvernietigende werking van het geld niet buiten werking. De realiteit van het geld kan in de moderne samenleving ook niet worden teruggedraaid. Omwille van het voortbestaan van het leven moet het geld wél ondergeschikt worden gemaakt aan de tot nu toe ten onrechte miskende realiteit van de natuur. De moderne samenleving moet haar economie inrichten naar de oorspronkelijke betekenis van dit woord, namelijk: een goede huishouding. Alleen op die manier ziet Binswanger een synthese tot stand komen tussen economie en ecologie.

De toekomst van de mensheid hangt af van het bewust scheppen van natuur

Economie = scheppen van natuur

Een heel scherpe kritiek op de gangbare economie wordt geleverd door de Duitse econoom Hans Immler in een studie uit 1989 over de waarde van de natuur. Een dik en moeilijk leesbaar boek. In 1993 heeft Immler zijn denkbeelden samengevat in een meer toegankelijke publicatie waarin hij de vraag stelt welke economie de natuur nodig heeft. De gangbare economie, aldus Immler, koestert de illusie dat zij los staat van de natuur. Hij pleit ervoor dat de economie haar oorlog tegen de natuur stopt en een economie wordt die met de natuur meewerkt. In het gangbare denken wordt de natuur onder regie geplaatst van de economie. De industriële economie meent met de natuur alles te kunnen doen om grotere rijkdommen te scheppen. Maar in plaats van rijkdommen te verzamelen, vernietigt ze rijkdom; in plaats van te zorgen voor bestaanszekerheid, creëert ze levensbedreigende bestaansrisico's. De milieucrisis waarmee de samenleving thans wordt geconfronteerd is geen stomme pech, maar een door mensen bewerkstelligde situatie. "Deze crisis is geen ongeluk in de menselijke geschiedenis, maar een systematisch resultaat van gewilde menselijke gedragingen en maatschappelijke doelstellingen, die tot de dag van vandaag geldigheid hebben en die in de interne logica van de samenleving nog steeds doorgaan voor succesvol en progressief. Wie daarom tot zijn ontzetting de kerktoren in lichterlaaie ziet staan en de brandweer wil waarschuwen, die moet beseffen dat de gemeente op de kerkbanken nog steeds om meer vuur bidt." Met dit citaat geeft Immler aan dat de natuurcrisis door de mensen zelf is gemaakt en dat de mensen zelf derhalve een uitweg uit deze situatie moeten vinden. Daar hebben ze ook de capaciteiten voor. Die liggen in hun vermogen om bewùst natuur te scheppen. In plaats van dit vermogen aan te wenden voor lichtzinnige en onbewuste natuurschepping die op vernietiging van de natuur uitloopt, moet het menselijk vermogen worden aangewend voor het behoud van de natuur. De toekomst van de mensheid hangt af van het bewust scheppen van natuur. Dat bewust scheppen heeft twee kanten: de mens past zich aan aan de natuur en de mens past de natuur aan. Dit laatste is het creëren van natuur. Dit moet zo gebeuren dat de natuur in stand blijft, bewaard wordt. De natuur zelf moet de zin en het doel van de economie worden. Immler waarschuwt tegen de koers om de natuur heilig te verklaren en ze te maken tot een tabernakel van het ongerepte en het onaanraakbare. Hij benadrukt de maakbaarheid van de natuur, maar onderstreept daarbij uitdrukkelijk dat die maakbaarheid niet willekeurig is: de natuur legt grenzen op die in acht moeten worden genomen. Het is geen duurzame oplossing om de ergste schade aan de natuur met veel geld weg te werken en de huidige vernietigingseconomie te vergezellen van een reparatie-economie. Er kan alleen sprake zijn van een rationele economie als de economische bedrijvigheid een bijdrage is aan het vermogen van de natuur om op solide wijze de mensen te voeden en hun samenlevingen in stand te houden. "Het houdt in dat iedere economische activiteit, ieder uur menselijke arbeid, iedere verdiende gulden, ieder ingezet kapitaal en elke economische vooruitgang daaraan afgemeten moet worden of ze een bijdrage leveren aan het behoud en de vorming van het omvattende natuurvermogen, dat de bestaansvoorwaarde voor elk leven is." 

Het is de productiviteit van de natuur die ons leven mogelijk maakt

Het is de natuur die produceert

De industriële samenleving leest haar welvaart en toekomst niet af uit de toestand van de natuur, die de bron van haar welvaart en toekomst is, maar uit de stand op de bankrekeningen, de groeicijfers en verdere gegevens uit de statistische jaarboeken. Op die manier heeft de industriële samenleving de natuur, het resultaat van een evolutie van miljoenen jaren, in gevaar gebracht. In het bewust vorm geven aan de moeilijke verhouding tussen natuur en economie ziet Immler de enige begaanbare uitweg uit de milieucrisis. Of dit zal lukken weet hij niet, maar er staat geen andere weg open. "Een levenskrachtige natuur kunnen we alleen behouden als we deze in het economisch proces produceren. Daarom blijft er maar één weg open als economisch-ecologische strategie van de moderne samenleving: behoud van natuur door het maken van natuur." De industriële economie denkt dat zij het is die rijkdommen creëert. Maar ze vernielt de werkelijke rijkdommen. "Ze is ervan overtuigd dat ze zelf produceert, maar ze schept slechts met een grote lepel goederen op die allang geproduceerd zijn. Ze is ervan overtuigd te zorgen voor technische vooruitgang en economische toekomst, maar in werkelijkheid doet ze afbreuk aan beide." Dat komt omdat de huidige economie de productiviteit van de natuur miskent, niet onderkent dat het de natuur is die produceert, dat het de productiviteit van de natuur is die ons leven mogelijk maakt. De mens kan daarbij enkel helpen door de economie te zien als natuurschepping. Dat is een heel vreemde gedachte in onze industriële economie. "Wie denkt aan de categorie natuur bij de voornaamste economische begrippen zoals arbeid, productie, inkomen, naamloze vennootschap, bruto nationaal product, centrale bank, rentevoet, kapitaal, loon, belasting, technische vooruitgang, groei, etc.?" De economische begrippen, aldus Immler, zijn nog beter afgeschermd van de natuur dan het goud van de Bank van Engeland afgeschermd is van de buitenwereld. Maar in feite is elk van deze begrippen verbonden met de natuur. "Er kan geen gulden aan waarde ontstaan, geen procent aan rente, geen rendement op kapitaal en geen cent loon, zonder dat daarin de productiviteit van de natuur is vervat."

Natuur wordt in toenemende mate een product van de economie

Anders denken over productie

We moeten af van het idee dat de natuur louter een leverancier van grondstoffen is, waarmee het bedrijf nieuwe goederen produceert. Een ecologische productiewijze kan pas tot stand komen als de zaken gezien worden zoals ze in feite zijn: de natuur produceert, het bedrijf organiseert. Vanuit die invalshoek gaat een bedrijf heel anders om met de natuur. Dat is niet langer een dode voorraadkamer, maar een levend subject dat goederen produceert. Immler verduidelijkt dit met enkele simpele voorbeelden. De natuur heeft fossiele brandstoffen zoals olie, steenkool en gas geproduceerd. De mens wint ze enkel, transporteert ze en verfijnt ze. De boer produceert niet het kippenei en evenmin produceert een elektriciteitscentrale elektriciteit. Ook de farmaceutische en chemische industrie zijn slechts organisatievormen voor natuurproductiviteiten. Dat geldt ook voor de machinebouw en de elektronische industrie, alhoewel de inbreng van de menselijke arbeid hierbij groter is. Maar ook hier geldt dat het gaat om loutere toepassingen van kwaliteiten die in de materie zelf besloten liggen. Kortom, de productiviteit van de natuur ligt ten grondslag aan de industriële bedrijvigheid. Economie zien als natuurschepping betekent dat de definitie van productie verandert. Productie is het vormen en niet het overwinnen van natuur. In de huidige industrie voert productie ogenschijnlijk weg van de natuur; maar in feite wordt een natuur geschapen waarin mensen niet meer kunnen leven. Het is zaak een andere, betere vorm van natuurcreatie te maken. Daartoe is het nodig een misvatting over de natuur uit de wereld te helpen. "Natuur wordt steeds minder iets dat onafhankelijk en onberoerd is door mensen, maar ze moet begrepen worden als iets dat steeds meer door ons gevormd wordt, geproduceerd wordt. Het gaat niet langer op natuur als dat te zien, wat juist niet door menselijke arbeid is gevormd. We moeten ons veeleer inzetten dat hetgeen door onze handen, door onze bedrijven en door onze consumptie is gegaan, de benaming natuur verdient. Daarin ligt de diepe cesuur: de natuur verandert van een voorwaarde van productie in een doel van het economisch proces. Natuur wordt in toenemende mate een product van de economie." Immler wijst erop dat dit niet te stoppen proces een geweldige uitwerking heeft op de wijze waarop in de bedrijven goederen en waren worden geproduceerd. Het creëren van natuur wordt tot omvattend ondernemingsdoel. "Elk product zal zich in de toekomst moeten legitimeren niet alleen hoe het een onmiddellijk nut heeft voor de verbruiker, maar ook onder welke condities het gemaakt is en welke materiële toestand het na de consumptie achterlaat." Dat vergt van het bedrijfsleven een andere omgang met de natuur: er zal geen succesvolle industriële economie meer zijn, zonder dat de productiefactor natuur als waardeproducerende kracht opgenomen wordt in het economisch systeem van bedrijven.

De uitbuiting van de natuur moet net zo hard worden afgewezen als de uitbuiting van de mens

Anders denken over winst

Economie zien als natuurschepping heeft ook gevolgen voor het maken van winst en de bestemming die daaraan wordt gegeven. Een deel van de geproduceerde waarde zal moeten worden ingezet om de productiviteit van de natuur in stand te houden. Tot nu toe wordt het gewin verdeeld tussen kapitaal en arbeid. Dat zijn echter slechts de hulpjes van de kracht die de waarden eigenlijk produceert, de natuur. "De boer produceert noch het ei, noch de kip, noch de melk, noch de koe. De chemische fabriek maakt in de regel enkel handig gebruik van natuurwetten. Men kan de ene na de andere industrietak onder de loep nemen en verrassend vaststellen: de eigenlijke producent van waarden en producten is de natuur zelf. Als mensen kunnen wij deze omvattende productiviteit sturen en manipuleren, maar we kunnen ze niet vervangen." Dat gegeven correspondeert echter niet met de huidige gang van zaken waarin veel aandacht gegeven wordt aan de reproductie van kapitaal en arbeid, maar waarin de reproductie van de natuur aan de lieve god wordt overgelaten. Deze onecologische gang van zaken kan worden veranderd door een wijziging van economische structuren. Omwille van het voortbestaan van het bedrijfsleven zelf moet worden verhinderd dat kortzichtige winstmaximalisatie door natuurvernietiging economisch lonend blijft. "Principes van economische bedrijfsvoering die al lang gemeengoed zijn in bijvoorbeeld de monetaire sfeer, moeten eindelijk eens toegepast worden in de fysisch-technologische sfeer: men mag geen winst maken als daardoor het eraan ten grondslag liggend productievermogen ten gronde gericht wordt." Het bedrijfsleven bestaat dank zij de economische kracht van de natuur. Als het bedrijfsleven in het verleden die productiviteit van de natuur heeft aangetast, is een dergelijke bedrijvigheid aan te merken als een industriële ontsporing, als een historische vergissing, die zo snel mogelijk beëindigd moet worden. Immler geeft aan dat we toe moeten naar een situatie waarin de uitbuiting van de natuur net zo hard wordt afgewezen als de uitbuiting van de mens.

De industriële massaconsument vernietigt zijn eigen bestaanscondities

De industriële massaconsument

De moderne massaconsument verbruikt veel goederen, maar heeft weinig kennis van de wijze waarop deze goederen worden geproduceerd. Evenmin weet hij wat er gebeurt nadat hij de spullen heeft verbruikt. Hij bewerkstelligt geweldige veranderingen in de materie, -maar heeft daar geen weet van, noch bij de ingang van de consumptie, noch bij de uitgang. "De massaconsument is de koning van het consumptieve ogenblik. Alles wat er voor en er na komt interesseert hem niet." In vroegere economieën wisten de mensen hoe de spullen werden gemaakt. Immler verwijst naar kennis van zaken bij onze grootouders over het toebereiden van voedingsmiddelen en medicamenten. Deze kennis is geheel verdwenen. De moderne consument is bereid liters en kilo's voedingsmiddelen in zijn lichaam op te nemen, ondanks het feit dat hij helemaal geen kwalitatieve controle heeft over de totaaluitwerking die deze stoffen hebben op zijn lichaam. In vergelijking met voorafgaande economieën verbruikt de industriële consument een veelvoud aan materiaal en energie, maar hij heeft veel minder kennis over de eigenschappen van de verbruikte stoffen. "De industriële massaconsument is een subject zonder enige toekomst. Hij heeft veel weg van iemand die zijn eigen bestaansvoorwaarden vernietigt. Hij organiseert een ware veldslag wat betreft het gebruik van materialen, hij oefent in het werpen van taarten, beweegt met weinig verstand grote massa's spullen, geeft hoog op over zijn oneindige vrijheid, maar creëert juist daardoor de condities voor zijn toenemende onvrijheid. Hij onderkent veel te laat dat het hele spektakel niet ergens buiten plaats vindt, maar bij hemzelf, in zijn eigen woning. Op die manier leidt zijn wens tot onbeperkte vrijheid juist tot het tegendeel. Tenslotte wordt niemand méér beperkt dan hij, staande in zijn eigen afval, machteloos, omgeven door wild geworden vijandige natuurkrachten. Zijn fysisch-psychische depressie gaat zo ver, dat hij zich niet eens meer in staat acht mee te doen aan het opruimen. Dat is het einde van een korte periode."

Met consumeren op zich is niets mis; alleen de wijze waarop het thans gebeurt, deugt niet

De ecologische consument

Tegenover deze onbezonnen massaconsument plaatst Immler het hoopvolle perspectief van de intelligente consument, die begrijpt dat hij iets voor zijn omgeving, zijn leefwereld, moet doen als hij iets voor zichzelf wil doen. Immler geeft het voorbeeld van een aquarium. Als dat niet goed wordt verzorgd, gaat het niet goed met de vissen die daarin moeten leven. Als het goed wordt verzorgd voelen de vissen zich ook goed. Iedereen zal dat voorbeeld herkennen en onderschrijven. Maar we passen het niet toe op onze eigen leefwereld. Dat komt omdat we te weinig doordrongen zijn van het feit dat we afhankelijk zijn van natuur en milieu. Wat moet er gebeuren? Verregaande versobering? Of kunnen we met inzet van technologische middelen ongeveer doorgaan zoals we nu gewend zijn? Immler is van mening dat beide stromingen niet in staat zijn een goed perspectief te schetsen voor de moderne consument. Soberheid is een onzinnig idee als het om overleven gaat en bij veel mensen op de wereld gaat het om puur overleven. Maar ook bij mensen die in overvloed leven kan het consumptiepatroon niet eenvoudigweg op zijn kop gesteld worden. Loutere oproepen tot consuminderen werken niet: ze brengen nog geen veranderingen teweeg in het gebruikelijke consumptiegedrag. Maar ook slimme technologie schiet te kort als oplossing. "Ook als het verbruik van materiaal wordt gereduceerd en het consumptieve nut van goederen wordt verhoogd, blijft er sprake van een technologisch-economisch overvragen van de ecosytemen. Op zijn hoogst kan men zich wat lucht verschaffen." Toch is Immler positiever over deze richting. Een technologische verbetering van de efficiëntie van goederen correspondeert beter met de economische praktijk dan een oproep tot versobering. Immler spreekt hoopvol over de intelligente consument die bewust handelt tegenover het milieu waarin hij leeft. Het heeft geen zin het beeld op te roepen van een consument die met een slecht geweten goederen gebruikt. Met consumeren op zich, aldus Immler, is niets mis; alleen de wijze waarop het thans gebeurt, deugt niet. Daarbij onderstreept hij dat we niet terug kunnen naar vroeger: de moderne maatschappij kan haar soep niet meer op een kampvuur opwarmen. In de ogen van Immler wijst het beeld van de intelligente consument in een andere richting: "Het is erop gericht door consumptieve handelingen een milieu te scheppen dat garant staat voor het biologisch en maatschappelijk leven van mensen."

De ecologische consument creëert juist door zijn consumptie een leefbare wereld

Reproductieve consumptie

De ecologische consument creëert juist door zijn consumptie een leefbare wereld. "Kenmerkend voor een ecologisch verstandige consument zijn niet op de eerste plaats versobering of technologisch betere procedures, maar dat hij verandert van een vernielend naar een bewarend gebruik." Centraal in dit idee van een nieuw verbruik staat het idee van een reproductieve consumptie. Dit houdt een nieuwe verhouding in tussen het verbruikende individu en zijn omgeving. De verbruiker beseft dat de vormen van milieugebruik gericht moeten zijn op de instandhouding en creatie van natuur. Immler verduidelijkt dit aan de eigen woning die men wel goed verzorgt, terwijl men het grotere milieu verwaarloost. Hij zegt dat de situatie doorbroken moet worden dat men het stukje natuur dat men in eigendom heeft wel goed verzorgt, terwijl het gemeengoed aan natuur wordt verwaarloosd. Immers, bij een algemene degradatie van natuur en milieu heb je weinig aan een goed verzorgd eigen stukje natuur. Het is een betere strategie om de algemene milieukwaliteit door economisch handelen zo op peil te houden dat je je kleine stukje eigen natuur niet in extra bescherming hoeft te nemen. Uit dit voorbeeld leidt Immler de volgende stelregel af voor de moderne consument: als je iets voor jezelf wilt doen moet je iets voor het milieu ondernemen. Deze stelregel, aldus Immler, gaat verder dan de huidige oproepen om af te zien van overbodige consumptie of de voorkeur te geven aan het consumeren van producten met een hoge milieu-efficiëntie. De stelregel zet aan tot concreet economisch handelen waarmee de consument bewust zijn eigen leefwereld, zijn eigen milieu creëert, kortom: natuur schept met inachtneming van de grenzen die deze stelt. Dat sluit versobering en technologische 'verslimming' niet uit, maar het essentiële is dat de consument in zijn consumeren bereid is iets te doen voor het behoud van de natuur.

Uit puur eigenbelang moet de mens stoppen met de oorlog tegen de natuur

Vormgeving van samenleving is vormgeving van natuur

Het idee van reproductieve consumptie vraagt om een andere verhouding tussen mens en natuur. Van de traditionele agressie tegenover de natuur moeten we komen tot een samenwerking met de natuur. Een dergelijk 'ecologisch keerpunt' is een geweldige cultuurgebeurtenis. Het vraagt van de mens een heel andere rol te spelen in de kosmos dan hij tot nu toe heeft gespeeld. Door de toenemende milieuvernietiging merken we dat we afhankelijk zijn van de natuur. Dat doet de roep ontstaan om de handen af te houden van de natuur. Maar zo simpel liggen de zaken niet, aldus Immler. Want dan blijven we onszelf buiten de natuur plaatsen. We moeten de natuur leren zien als een evolutieproces waarvan we zelf deel uitmaken. De mens dient zijn eigen productiviteit en subjectiviteit in te zetten voor het behoud van de natuur, onze natuur. De agressie tegen de natuur is een strijd tegen ons zelf. Bij die strijd hebben we geen baat en daarom moeten we de oorlog tegen de natuur stoppen. Dat is puur in ons eigen belang. Immler verduidelijkt dat de moderne samenleving nog steeds geen goed begrip heeft van de natuur. Er wordt veel gedaan om de natuur te beschermen. De mens stelt zich op als een rentmeester die toeziet op een goed beheer van de voorraden van de natuur. Maar hij beseft niet dat hij het zelf is die in zijn voortbestaan wordt bedreigd. Het probleem ligt niet eens zozeer in de uitputting van de grondstoffen, maar in de veranderingen die we teweegbrengen in de ecosystemen. Die worden steeds vijandiger voor mensen. Met onze industriële productie en consumptie creëren we nieuwe ecosystemen, nieuwe evenwichten en nieuwe biotische processen, die niet meer op de weg van de menselijke evolutie liggen en deze blokkeren. Terwijl wij de natuur verbruiken creëren we een nieuwe. Deze neemt blijkbaar tegenover het menselijk leven een agressieve houding aan. Immler zegt het als volgt: we consumeren een natuur die het menselijk leven vriendelijk gezind is en produceren daar mee tegelijkertijd een natuur die ons niet meer wil hebben. "De tirannie van de natuur begint als men zijn kind geen moedermelk meer kan geven, als men zijn huid niet meer kan blootstellen aan de zon en als men levensmiddelen moet wantrouwen." Uit puur eigenbelang moet de mens stoppen met de oorlog tegen de natuur, omdat een aanval op de natuur in feite een aanval is op zijn eigen lichaam. De agressieve houding tegenover de natuur moet worden vervangen door een houding van coöperatie en partnerschap. Immler is ervan overtuigd dat een nieuw partnerschap met de natuur kan worden bereikt, als de mensen bereid zijn hun verstand en hun arbeidsmogelijkheid in te zetten om vorm te geven aan het huis waarin ze leven, de natuur. Hij spreekt van de ecologisering van de economie als een beschavingoperatie waarin andere productie- en consumptiepatronen ontwikkeld moeten worden, maar ook en vooral een andere houding ten opzichte van de natuur.

De in opstand komende natuur dwingt de mensen tot meer rechtvaardigheid en gelijkheid

Meer rechtvaardigheid en gelijkheid

Tot nu toe hebben wij onze welvaart kunnen stoelen op een natuur die ons vriendelijk gezind was. In toenemende mate produceren wij met onze productie- en consumptiewijze echter een natuur die ons vijandig gezind wordt en die aldus in opstand komt tegen de manier waarop ons welvaartsstreven de natuurproductiviteit ontkent en deze tegelijkertijd op steeds ingrijpender wijze uitbuit. Immler is ervan overtuigd dat de verontachtzaamde natuur met pijnlijke en destructieve ingrepen de mens en diens samenlevingen tot natuurlijk en sociaal handelen dwingen. Ter uitvoering van zijn primaire opdracht om zichzelf te verrijken heeft de homo economicus de natuur tot stervens toe veranderd en veel mensen en landen verarmd. Gedwongen door de in opstand komende natuur zal hij zich thans moeten vernieuwen tot een homo ecologicus, die uit lijfsbehoud natuurlijk en sociaal zal handelen en zich zal ontplooien als een altruïstisch egoïst. In plaats van tégen moet vóór de natuur worden gewerkt, zowel bij de productie als bij de consumptie van welvaart. Naast het principe van soberheid voor iedereen vergt dit dichtbij en wereldwijd een verregaande herverdeling van welvaart, opdat ook armen financieel in staat zijn op een natuuropbouwende wijze te produceren en te consumeren. Dat is in het belang van de natuur en daarmee in het belang van de armen én de rijken. De ecologische schaarste en de nog steeds heersende armoede hier en elders vragen wereldwijd om het tot stand brengen van meer rechtvaardigheid en gelijkheid.

De noodzakelijke solidariteitsrevolutie kan niet worden verwerkelijkt binnen het regime van de huidige geldeconomie

Solidariteitsrevolutie

We hebben enkele ideeën besproken over een andere opvatting van economie. Kern van deze ideeën is dat de mensen anders gaan denken en anders gaan doen. Zowel in de rol van producent als in de rol van consument moeten ze zich laten leiden door een alomvattende economische rationaliteit die breder is als de enge rationaliteit van het geldelijke gewin. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw leefde veel meer dan thans het besef om de economie weer economisch te maken door te breken met de gebruikelijke begrippen van de gangbare economie. In zijn boek over 'Vooruitgang zonder groei' uit 1979 schrijft de socioloog Harry Hoefnagels over de noodzaak van een alternatieve toekomst: burgerschap in een economische economie betekent dat de solidaire zorg voor de gemeenschappelijke toekomst zwaarder weegt dan de kortzichtige particuliere belangen. Hoefnagels spreekt van een noodzakelijke solidariteitsrevolutie. Hij zet uiteen dat het op gang brengen van een mentaliteitsverandering niet volstaat. Er is ook een wijziging nodig van de eigendomsverhoudingen. Eigendom en kapitaal moeten vermaatschappelijkt worden. Dit wordt niet bereikt via het naasten van de eigendommen door de staat. Het kan slechts worden bereikt door het ontwikkelen van een eigendomsorde die stimuleert dat de mensen de samenleving kunnen ervaren als de hunne. Een dergelijke noodzakelijke solidariteitsrevolutie kan niet worden verwerkelijkt binnen het regime van de huidige geldeconomie en de daarin heersende eigendomsverhoudingen, welke diepgaand doortrokken zijn van het Verlichtingsdenken en het in de burgerlijke revolutie ontwikkelde vrijheidsdenken. "Het werk van de burgerlijke revolutie moet gecorrigeerd worden, doordat de vrijheid aan maatschappelijke verantwoordelijkheid gebonden wordt. Van een maatschappij, beheerst door het 'ieder voor zich', moeten wij zien te komen tot een maatschappij waarin de vrijheid gebonden is door verantwoordelijkheid voor het algemeen belang, tot een maatschappij waarin geldt: 'de gemeenschappelijke zaak is de zaak van een ieder'." Aldus Hoefnagels in een latere publicatie over 'Wetenschap en de bedreigde menselijke toekomst'.

Raf Janssen, Panningen, 31 december 2017

Klik hier om naar de startpagina van dit themadossier 'Economie anders' te gaan.

Afdrukken

Deel deze pagina via sociale media

logo armoede live 10jaarlater

logo initiatief nu

logo expeditie sociale cooperatie

Adres

Stimulansz
t.a.v. Ger Ramaekers / Sociale Alliantie
Postbus 2758
3500 GT Utrecht

mailadres2

Volg ons op sociale media