logo-sociale-alliantie6

Thema Natte voeten in de polder

natte-voeten-klienIn februari 2015 publiceert de Sociale Alliantie een aantal artikelen waarin cijfers, feiten en analyses van armoede bijeen worden gebracht. We doen dat onder de titel 'Natte voeten in de polder'. Daarmee grijpen we terug op een publicatie van 20 jaar geleden, die nog verrassend wijze lessen heeft voor het heden.
We bieden hiermee een boeiende bundel cijfers, feiten en analyses van armoede in Neder-land (en bij onze zuiderburen). Lees de volgende bijdragen:

Afdrukken

Monitor Betalingsachterstanden

Cijfers over de jaren 2009 - 2013

Het onderzoek 'Huishoudens in de rode cijfers' uit 2009 meldt dat bijna één op de tien huis-houdens in Nederland kampt met problematische schulden. Dat zijn 700.000 huishoudens. Nog eens 250.000 huishoudens kampen in oktober 2008 met hun financiën vanwege hun koophuis. In november 2008 blijken er dus ongeveer 1 miljoen huishoudens te zijn met een problematische geldhuishouding.
Uit de Monitor Betalingsachterstanden 2011 komt naar voren dat bij alle huishoudens alle onderscheiden vormen van betalingsachterstanden ten opzichte van de Monitor Betalings-achterstanden 2010 zijn toegenomen. Zonder hypotheken heeft 19,2% van de huishoudens (1.392.000) een krediet of lening. Met inbegrip van de 34.400 WSNP-trajecten (Wet Sanering Natuurlijke Personen) zijn er in Nederland eind 2011 ruim 2,02 miljoen huishoudens waarin minimaal sprake is van een van de onderscheiden vormen van betalingsachterstanden. Dit zijn achtereenvolgens: achterstallige rekeningen om financiële redenen, krediet of lening, afbetalingsregeling, vaak of regelmatige roodstand en creditcardschulden. Gerelateerd aan het totaal van ruim 7,2 miljoen huishoudens (CBS-Statline) blijkt dat dit 27,8% van alle huis-houdens is. In 2010 betrof dit percentage 26,7%, in 2009 24,8 en in 2008 27,0.

Het onderzoek 'Huishoudens in de rode cijfers 2012' leert dat einde 2012 een op de zes huishoudens (17,2%) een risico heeft op problematische schulden vanwege een te grote schuldenlast (buiten de hypotheek om) en dat tussen de 373.000 en 531.000 huishoudens al problematische schulden hebben. Problematische schuld wil zeggen dat er het benodigde bedrag voor rente en aflossing groter is dan na aftrek van vaste kosten beschikbaar is. Meer dan de helft van deze groep heeft nog geen contact gemaakt met de schuldhulpverlening.

De Nederlandse Vereniging van Kredietbanken (NVVK) meldt in het Jaarverslag 2013 dat zich in 2012 in totaal 84.000 huishoudens hebben aangemeld voor schuldhulpverlening, dat is 12.000 meer dan in 2011. Sinds 2008 is het aantal huishoudens met problematische schulden bijna verdubbeld. De gemiddelde schuld bedraagt € 33.500 (2011: € 32.250) en het gemiddeld aantal schuldeisers 14 (2011: 14). Opvallend in de kenmerken van de hulpvragers is de toename van het aantal ouderen, mensen met inkomsten uit betaald werk, mensen met een eigen huis en zzp'ers. Uit de cijfers van de NVVK blijkt dat van de 100 getroffen regelingen er 17 saneringskredieten, 60 schuldbemiddelingen, 4 herfinancieringen en 19 betalings-regelingen zijn. Bij de hulpverlening is het aantal lopende budgetbeheerrekeningen gestegen van 43.000 naar 55.000. Het gemiddelde percentage van binnen een periode van 36 maanden succesvol afgeronde regelingen - saneringskredieten én schuldbemiddelingen - lag in 2012 op 69% (in 2011 op 72%. Het aantal saneringskredieten steeg van 1.806 (2011) naar 3.178 in 2012.

Terug naar artikel 'Schulden van huishoudens dramatisch gestegen'

Afdrukken

Schulden van huishoudens dramatisch gestegen

Monitor Betalingsachterstanden 2014

monitor-betalingsachterstandenKlik hier om dit artikel te downloaden als pdf-document.

Sinds 2008 kampt ook Nederland met de gevolgen van de internationale financiële krediet-crisis uit 2008, de daaropvolgende bankencrisis, economische crisis, schuldencrisis van de nationale overheid binnen de Europese Unie en de bezuinigingscrisis. Vanuit de diaconale wereld komen meer dan genoeg signalen binnen, dat die elkaar opvolgende crises grote gevolgen hebben voor de Nederlandse huishoudens. Het recent verschenen Armoedesignalement 2014 vertelt ons dat de armoede gestegen is tot meer dan tien procent van de huishoudens (zie elders op deze site voor de bespreking van dit onderzoek). Een andere indicator van de inkomenserosie onder huishoudens is de Monitor Betalingsachterstanden 2014.
Deze Monitor leert dat in ruim 32% van alle Nederlandse huishoudens een van de onder-zochte vormen van betalingsachterstanden voorkomt. Vrijwel alle vormen van betalingsach-terstanden zijn ten opzichte van de vier eerdere jaren toegenomen.

Een terugblik in de tijd

In 2008 heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) aan onderzoeks-bureau Panteia de opdracht gegeven een Monitor Betalingsachterstanden op te zetten. In dat jaar is de eerste meting uitgevoerd (Nulmeting), die vervolgens herhaald is in 2009, 2010 en 2011, steeds in dezelfde periode van het jaar (september/oktober). Dit rapport doet verslag van de vijfde meting die in september 2014 is uitgevoerd.

Klik hier voor een overzicht van de cijfers uit de jaren 2009 – 2013.

Bijna eenderde van de huishoudens heeft schulden

De Monitor Betalingsachterstanden 2014 leert dat van de 7,34 miljoen huishoudens (CBS-Statline) in totaal in 2,33 miljoen huishoudens een van de onderzochte vormen van beta-lingsachterstanden voorkomt en daarmee een risico op problematische schuld. Dat is 32,1% van alle huishouden. In dit percentage zijn de volgende betalingsachterstanden begrepen:

  • achterstallige rekening om financiële redenen (in de laatste 12 maanden: 863.000 huishoudens);
  • krediet of lening (op dit moment: 1.618.000, exclusief hypotheken);
  • op afbetaling gekochte goederen of diensten (op dit moment: 684.000);
  • regelmatig en vaak rood staan (in de afgelopen 12 maanden: 1.071.000);
  • creditcardschuld (op dit moment gespreide afbetalingsregeling: 209.000).

De onderzoekers geven aan dat de resultaten van de Monitor 2014 niet geschikt om harde uitspraken te doen over het bestaan van (risico's op) problematische schulden en meer in het bijzonder over huishoudkenmerken die deze risico's verklaren. Het bestaan van betalings-achterstanden kan wel gezien worden als randvoorwaarde, waarmee de monitor een groslijst weergeeft van huishoudens die mogelijk te maken hebben met (risico's op) problematische schulden. In de categorie waar de diverse vormen van betalingsachterstanden zich opstape-len en waar de verwachting voor het inkomen dalend is, stijgt het aantal huishoudens met problematische schulden.

Om welke betalingsachterstanden gaat het?

Uit de cijfers komt naar voren dat in de Monitor Betalingsachterstanden 2014 alle onder-scheiden vormen van betalingsachterstanden ten opzichte van de vier eerdere jaren zijn toe-genomen. Een uitzondering hierop vormt het regelmatig of vaak rood staan; dat relatief is afgenomen.

Achterstallige rekeningen

Het aantal huishoudens dat met minimaal één achterstallige rekening te maken heeft met een financiële ontstaansoorzaak is 862.808 huishoudens. Binnen deze groep huishoudens heeft 58,2% (502.000 huishoudens) op dit moment een achterstallige rekening. De omvang van de bedragen van de achterstallige rekeningen zijn niet of nauwelijks veranderd ten opzichte van 2011.

Kredietverschaffing en leningen

22,2 van de huishoudens (1.618.000) gebruikt een krediet of lening. Hypotheken zijn niet meegeteld. In 2011 bedroeg dit percentage 19,2 %. Deze toename geldt voor alle onder-scheiden vormen, maar is het grootst bij geld geleend bij vrienden, familie of kennissen. De gemiddelde omvang van doorlopend krediet/persoonlijke lening bedraagt € 11.300. De studieschulden hebben een gemiddelde omvang van € 14.200. Verder is er gemiddeld voor € 4.200,- geld geleend bij familie, vrienden of kennissen. Alle bedragen van de bij familie geleende schulden zijn afgenomen ten opzichte van 2011.

Op afbetaling gekochte goederen of diensten
9,4% van de huishoudens (bijna 684.000) is op dit moment goederen of diensten aan het afbetalen. Dit is een behoorlijk sterke toename in vergelijking met 2011. Toen bedroeg dit percentage 5,6%. Het aantal huishoudens met op afbetaling gekochte goederen of diensten is in de afgelopen 12 maanden is gestegen van 8,1% naar 12,3%. Vanaf 2009 zijn deze per-centages gestegen.

Creditcard

Het percentage huishoudens dat niet altijd in de volgende maand hun creditcardschuld heeft afgelost, is in 2014 opnieuw toegenomen ten opzichte van drie jaar geleden: van 5,2% naar 6,3%. Zichtbaar is verder dat in 2014 opnieuw meer huishoudens te maken hebben met een gespreide afbetalingsregeling van de creditcardschuld: 2,9% tegenover 2,1%. De 209.000 huishoudens die op het moment van ondervragen nog te maken hebben met een creditcard-schuld, hebben gemiddeld nog een bedrag openstaan van € 1.819.

Rood staan

Van alle huishoudens geeft 13% (947.000) aan af en toe rood te staan, 6,2% (452.000) regelmatig en 8,5% (620.000) vaak. Bij af en toe en regelmatig roodstaan is een daling geconstateerd ten opzichte van 2011 en het aantal huishoudens dat vaak rood staat is gelijk ge-bleven met 2011. Het gemiddelde maximumbedrag waarvoor wordt rood gestaan, is voor de huishoudens die vaak rood staan ook afgenomen: van € 2.299 in 2011 naar € 1.262 in 2014. In 2011 was de gemiddelde omvang al afgenomen ten opzichte van 2010: € 2.478. Ook de gemiddelde bedragen die de huishoudens die af en toe en regelmatig rood staan hebben genoemd, zijn afgenomen ten opzichte van de monitor 2011.

Risicokenmerken van huishoudens met schulden

In de Monitor Betalingsachterstanden 2014 wordt een aantal kruisverbanden geschetst tussen kenmerken van huishoudens en het optreden van betalingsachterstanden. De belangrijkste resultaten bespreken we hieronder.

Inkomen

De groep met een huishoudensinkomen minder dan € 2.000 per maand (ongeveer een mo-daal inkomen) heeft in vergelijking met huishoudens met een inkomen van € 2.000 of meer per maand:

  • ruim twee tot drie keer zo vaak te maken met alle typen achterstallige rekeningen. De verschillen tussen beide groepen zijn groter geworden dan in 2011;
  • minder vaak een doorlopend krediet of persoonlijke lening;
  • vaker geld geleend bij vrienden, familie of kennissen en vaker een studieschuld. Beide verschillen zijn groter geworden ten opzichte van 2011.
Leeftijd

De onderzoekers hebben in de Monitor 2014 een indeling gemaakt in vier leeftijdsklassen. Deze groepen zijn vergeleken waar het gaat om het bestaan van betalingsachterstanden. Dit levert de volgende observatie op:

  • De 65-plusgroep scoort op alle vormen van betalingsachterstanden positiever dan de andere groepen.
  • De leeftijdsgroep van 35 tot 50 jaar heeft vaker een doorlopend krediet of per-soonlijke lening afgesloten. Deze groep staat ook het meest regelmatig of vaak rood.
  • Verder geldt dat de jongere leeftijdsgroepen tot 35 jaar het meest te maken hebben met alle typen achterstallige rekeningen. Ook hebben zij vaker geld geleend bij familie, vrienden of kennissen en studieschulden.
Huishoudensamenstelling

In het onderzoek is een indeling gemaakt in vier groepen huishoudens: alleenstaanden met kinderen, alleenstaanden zonder kinderen, samenwonenden/gehuwden met kinderen en samenwonenden/gehuwden zonder kinderen. Dit levert de volgende observaties op:

  • De groep alleenstaanden met kinderen heeft aanzienlijk vaker te maken met ach-terstallige rekeningen dan de overige drie groepen. Deze percentages zijn behoorlijk gestegen ten opzichte van 2011, wat overigens voor alle onderscheiden huishoudtypen geldt.
  • De groep samenwonenden/gehuwden met kinderen heeft vaker dan de andere groepen een doorlopend krediet of persoonlijke lening afgesloten. Alleenstaanden met kinderen hebben, net als in 2011, vaker dan de andere geld geleend bij familie of vrienden. Voor alle huishoudtypen geldt dat dit vaker voorkomt.
  • Bij rood staan blijkt dat de twee groepen met kinderen het vaakst rood staan en de huishoudtypen zonder kinderen het meest 'nooit' rood staan.
Opleiding

Er is een indeling gemaakt in drie groepen huishoudens op basis van het opleidingsniveau van de respondent. Deze vergelijking levert het volgende beeld op:

  • Alle typen achterstallige rekeningen komen vaker voor onder laagopgeleiden dan onder midden- en hoogopgeleiden. De percentages onder laagopgeleiden zijn sterk toegenomen ten opzichte van 2011. In 2011 kwamen de meeste achterstallige rekeningen het vaakst voor bij de middenopgeleiden.
  • De laagopgeleiden lenen vaker geld bij familie, vrienden of kennissen.
  • Laagopgeleiden hebben minder vaak te maken met creditcardschulden dan de midden- en hoogopgeleiden. De kansen voor laagopgeleiden op een creditcard-schuld zijn ten opzichte van 2011 toegenomen.
Etniciteit

Er is ook een vergelijking gemaakt tussen huishoudens waarvan de respondent niet-westers allochtoon is en huishoudens waarvan de respondent autochtoon of westers allochtoon. Uit deze vergelijking zien we dat de verschillen met 2011 iets kleiner zijn geworden. En in 2011 waren de verschillen behoorlijk veel kleiner geworden ten opzichte van 2010. Er komt onder andere naar voren dat huishoudens met een niet-westers allochtone respondent:

  • ruim twee tot vier keer zo veel kans hebben op een van de genoemde typen een achterstallige rekening. In de Monitor 2011 was deze kans drie tot vier keer zo groot, in 2010 was deze kans vijf tot negen keer zo groot en in 2009 vijf tot dertien maal zo groot.
  • bijna een even grote kans hebben op een doorlopend krediet of persoonlijke lening. In 2011 was de kans hierop nog twee keer zo groot.
  • Ruim drie keer zo vaak geld lenen bij vrienden, familie of kennissen, net als in 2011.
  • Ruim twee keer zoveel kans hebben op een studieschuld en zij hebben meer kans op regelmatig of vaak rood staan. Dit verschil is kleiner geworden ten opzichte van 2011.
Tijdsbesteding en positie op de arbeidsmarkt

Er is ook een vergelijking gemaakt op basis van de tijdsbesteding, ofwel de positie op de arbeidsmarkt, van de respondent. De volgende groepen springen hierbij in het oog:

  • De groep die met pensioen of VUT is, scoort laag op alle vormen van betalings-achterstanden en de typen daarbinnen. Dit is gelijk aan alle voorgaande versies van de Monitor Betalingsachterstanden.
  • De categorie werkloos/werkzoekend heeft in vergelijking met de andere groepen een grotere kans op betalingsachterstanden. De groep arbeidsongeschikten heeft ook veel kans op het hebben van een achterstallige rekening op het gebied van de ziektekostenverzekering en de terugbetaling aan de belastingdienst. Beiden zijn toegenomen ten opzichte van 2011.
  • Het zijn ook de arbeidsongeschikten en de werklozen die het vaakst rood staan en die samen met de studenten het vaakst geld lenen bij vrienden, familie of ken-nissen en de arbeidsongeschikten en werklozen die samen met de fulltime wer-kenden een grotere kans hebben op een doorlopend krediet of persoonlijke lening.

Afwenteling van de crisis op de huishoudens

De grote crisis die begin in 2008 heeft in de jaren tussen 2008 en 2011 vooral macro-economische effecten. Tussen 2011 en 2014 is de economische situatie van Nederland ver-slechterd en werken de macro-economische effecten door naar steeds meer sectoren van de economie en naar de huishoudens. Het jaar 2012 was, economisch gezien, een dieptepunt. Vele sectoren kwamen zwaar in de min terecht, bedrijven gingen failliet, de overheid begon sterk te bezuinigen. Investeringen bleven uit en de woningmarkt bleef in mineur. In de loop van 2014 komen steeds meer grote winkelketens in de problemen. De economische ontwik-kelingen werkten door op de arbeidsmarkt. Er waren meer dan een half miljoen mensen werkloos en dat aantal steeg naar boven de 700.000 einde 2014. In 2014 zijn eerste tekenen van economisch herstel te zien. De investeringen in woningen en de particuliere consumptie ontwikkelen zich gunstiger dan verwacht en het consumentenvertrouwen neemt toe. Echter, de langdurige werkloosheid neemt nog steeds toe, met name jongeren en werklozen ouder dan 45 zijn gemiddeld lang werkloos. Verder zijn ondernemingen, banken, pensioenfondsen, verzekeringsbedrijven en de overheid nog steeds bezig met het herstellen van hun financiële positie. In de afgelopen vier jaar probeert elke instelling uit de rode cijfers te komen door prijsverhoging, lastenafwenteling en bezuiniging. De effecten daarvan komen bij elkaar bij de huishoudens. Daar worden gemiddeld de inkomsten lager, stijgen de uitgaven, eroderen de financiële reserves, nemen de achterstallige betalingen toe en stijgen de problematische schulden. Als crisisbestrijding niet gepaard gaat met ondersteunen van de huishoudens, gaat de vermeende oplossing (weer zwarte cijfers schrijven door economische groei) nog vele jaren duren.

Klik hier om de Monitor Betalingsachterstanden 2014 en de Aanbiedingsbrief aan de Tweede Kamer te downloaden.

Hub Crijns

Afdrukken

Koopkrachtverwachtingen 2015

Per saldo minder positief dan loonstrookje

Het Nibud ziet dat de koopkrachtontwikkeling in 2015 in de meeste gevallen minder positief is dan het loonstrookje aangeeft. Daarom waarschuwt het Nibud consumenten niet te blij te zijn als ze hun salarisstrook deze week onder ogen krijgen. Niet alle koopkrachtbepalende elementen worden meegenomen op het loonstrookje. Zo zijn de inflatie, de veranderingen in de toeslagen, de hervorming van de kindregelingen en de hogere zorgpremie niet zichtbaar op de salarisstrook. Het hogere netto salaris zegt daarom weinig over de koopkracht. De koopkracht stijgt wel voor velen, maar niet zo fors als het lijkt op de loonstrookjes of uitke-ringsspecificaties. Er zijn ook groepen die volgend jaar minder te besteden hebben. Met name bijstandsgerechtigden, gepensioneerden en stellen waarbij een van de partners werkt, leveren dit jaar in.

Koopkrachtdaling voor niet-betaald werkenden

2015 zwaar jaar voor niet-werkenden

Huishoudens met een bijstandsuitkering hebben dit jaar minder te besteden dan vorig jaar. Dit varieert van een enkele euro's tot enkele tientjes minder per maand. Het Nibud vindt dit een zorgelijke ontwikkeling omdat gezinnen op bijstandsniveau al structureel geld tekort komen. Hierdoor is een koopkrachtdaling moeilijk op te vangen.

Lichte koopkrachtstijging voor werkenden

De meeste werkenden hebben dit jaar iets meer te besteden dan in 2014. De koopkrachtstij-ging is voor de meesten net iets onder de 1%. Dit is zeker niet genoeg om het verlies aan koopkracht van de afgelopen jaren goed te maken.
Het Nibud verwacht daarom ook nog niet dat het aantal consumenten met financiële proble-men zal dalen. Bovendien ziet het Nibud dat de meeste middeninkomens, huishoudens met een inkomen tussen de 25.000 en 40.000 euro bruto per jaar, dit jaar zullen inleveren omdat ze geen zorgtoeslag meer krijgen. Sommigen gaan er zo'n veertig tot vijftig euro per maand op achteruit. Het recht op zorgtoeslag wordt sneller afgebouwd, naarmate het inkomen hoger wordt.

Alleenstaande werkende ouders flink in de plus

Eén groep werkenden gaat er wel fors op vooruit en dat is de groep werkende alleenstaande ouders. Deze groep kan er in sommige gevallen 8% op vooruit gaan. Dit komt doordat de omzetting van heffingskortingen voor alleenstaande ouders in een hoger kindgebonden bud-get voor hen gunstig uitpakt.

Ouderen leveren in

AOW-gerechtigden zien hun koopkracht dalen. Dit komt voornamelijk doordat de aanvullende pensioenen niet genoeg stijgen om de prijsstijgingen te kunnen compenseren.
Alleen de alleenstaande oudere zonder aanvullend pensioen of met een heel klein aanvullend pensioen ziet dat zijn koopkracht heel licht stijgt, met enkele euro's per maand.

Zorg om huishoudens met zorgkosten

Huishoudens met zorgkosten moeten rekening houden met een koopkrachtdaling. Dit komt doordat de AWBZ-zorg verschuift naar de zorgverzekeringswet (verpleging en verzorging), de Wmo (begeleiding en dagbesteding) en de nieuwe wet langdurige zorg. Er wordt minder vergoed en de korting op de eigen bijdrage wordt afgeschaft. Gemeenten gaan de zorg rege-len en zijn nu druk bezig dit beleid handen en voeten te geven. Hoe dit precies uitwerkt in de koopkracht zal per situatie en per gemeente verschillen. Het Nibud vindt het belangrijk dat gemeenten snel duidelijkheid geven over de vergoedingen omdat huishoudens anders de grip op hun financiën kwijt kunnen raken.

Klik hier om meer te lezen op de site van het Nibud.

Afdrukken

Natte voeten in het poldermodel

Een terugblik op een vergeten analyse van het armoedevraagstuk

Raf Janssen en Hub Crijns

natte-voeten

Klik hier om onderstaand artikel te downloaden als pdf-document.

Na jarenlang tevergeefs aandringen van de anti-armoedebeweging wordt in 1995 door het kabinet onder druk van de Europese Unie eindelijk schoorvoetend erkend dat ook in het rijke Nederland armoede bestaat. Dat gebeurt in de kabinetsnota De andere kant van Nederland. Armoede wordt hierin echter niet geanalyseerd als een maatschappelijk vraagstuk, maar als het individuele probleem van groepen achterblijvende mensen. De anti-armoedebeweging neemt daar stelling tegen. Dat gebeurt onder meer in dialogen met wetenschappers, beleidsmedewerkers van landelijke en lokale overheden, werkgevers en werknemers. De resultaten van deze gesprekken worden weergegeven in de publicatie Natte voeten in het poldermodel. Verkenningen ten behoeve van de Sociale Conferentie 1997. De inhoud van de publicatie staat centraal tijdens de Sociale Conferentie 1997. De Sociale Conferenties zijn nationale debatten over armoede die op verzoek van het kabinet gedurende de jaren 1996-2000 worden gehouden. De Sociale Conferentie van 1997 wordt voorbereid door 'verkenningscommissies'. De anti-armoedebeweging is in deze commissies goed vertegenwoordigd. Daardoor worden de dagelijkse ervaringen van armen ingebracht in de discussies. De anti-armoedebeweging wijst er keer op keer op dat de structurele oorzaken van het armoedevraagstuk geanalyseerd en aangepakt moeten worden. In de publicatie klinkt deze inbreng wel door, maar het beleid pikt de analyses en aanbevelingen niet op: de aanpak van het armoedevraagstuk blijft zich vooral richten op het aanpassen van arme mensen aan het gangbare. Dat maakt dat dit rapport bijna twintig jaar na datum van verschijnen helaas nog steeds actueel is. In deze terugblik halen we enkele van de voornaamste conclusies en aanbevelingen naar voren die de breed samengestelde verkenningscommissies in 1997 geven over de bestrijding van armoede in een rijk land. Het rapport uit 1997 blijkt nog uiterst actueel. En dat is erg teleurstellend, want het is een constatering die aangeeft dat het landelijke en lokale beleid bitter weinig gedaan heeft met de aanbevelingen die destijds zijn gegeven door de breed samengestelde verkenningscommissies. Dat is enerzijds teleurstellend; anderzijds is het een bemoediging, omdat twintig jaar doorpakken in het gangbare denken en doen aantoonbaar niet heeft geleid tot het oplossen van het armoedevraagstuk in een rijk land. Hoogste tijd voor het inslaan van alternatieve wegen! Suggesties daarvoor kunnen worden gehaald uit de publicatie Natte voeten in het poldermodel.

Het rapport uit 1997 blijkt nog uiterst actueel.

De analyse en beleidssuggesties gaan over zeven onderwerpen:

Hoogste tijd voor het inslaan van alternatieve wegen!

1. Oorzaken van armoede

Volgens de verkenningscommissie verwijst armoede in de vakliteratuur naar een bredere manier van uitsluiting van deelname door burgers aan institutionele, sociaal-demografische, culturele, economisch-technologische en politieke verbanden in de samenleving. In deze benadering staat burgerschap centraal en armoede verwijst naar onvolwaardig burgerschap. De Commissie kiest voor de omschrijving dat armoede altijd te maken heeft met een gebrek aan hulpbronnen om te kunnen participeren aan de samenleving ten opzichte van wat in die samenleving als minimaal noodzakelijk wordt gezien. De hulpbronnen kunnen financieel zijn (inkomen, consumptie), maar ook niet-financieel (gezondheid - fysiek en geestelijk, welzijn, sociale participatie, huisvesting, opleiding, betaald werk). In een apart hoofdstuk worden deze vijf groepen van structurele oorzaken van armoede nader gespecificeerd.

Risicosamenleving

Armoede is in belangrijke mate een vraagstuk van de samenleving, van sociale en economische ordening met gevolgen voor die samenleving en voor individuen. Vervolgens is armoede niet alleen financieel veroorzaakt, maar ook door andere aspecten van het samenleven, zoals gezondheid (fysiek, geestelijk), sociale relaties, huisvesting, opleiding, welzijn, cultuur. Anti-armoedebeleid is dan ook te omschrijven als het mogelijk maken van de toegangen tot de hulpbronnen voor participatie aan de samenleving. De Commissie geeft ook aan dat het risico op armoede niet voorbehouden is aan mensen die pech hebben, maar iedereen in de bevolking kan treffen. Met name als door een langdurige economische crisis banen verdwijnen, werkloosheid toeneemt, wonen duurder wordt, huishoudens in schulden terecht komen. De Commissie heeft dit toenemen van de uitsluitende risico's samen met Ulrich Beck omschreven als een risicosamenleving. De economische ontwikkelingen sinds de internationale financiële crisis van 2008 staven jammer genoeg deze visie van de Commissie. Armoede is nooit weggeweest in Nederland en de kansen op armoede, zelfs langdurig, nemen toe als bepaalde pechfactoren met elk uitsluitende effecten zich stapelen, zoals etnische afkomst, lage opleiding, falende gezondheid, flexibel werk of geen werk, wegvallen van een levenspartner (door scheiding of overlijden), slechte woning, geen begeleiding voor kinderen.
De Commissie ziet naast de verarming ook de toenemende verrijking als een vraagstuk in het armoedebeleid, namelijk hoe de verdeling en solidariteit tussen 'insiders' en 'outsiders' meegenomen wordt in het beleid. Na twintig jaar kan opgemerkt worden dat dit solidariteits- en verdelingsvraagstuk mondjesmaat is meegenomen. Voor de rijken zijn veel solidariteitsmaatregelen gunstiger geworden (minder hoge belasting, minder vermogensbelasting, meer mogelijkheden om elders (lagere) belasting af te dragen) en voor de armen is een beleid ontwikkeld om samen de lasten van het anti-armoedebeleid te dragen.
De Commissie heeft tevens een sterk pleidooi gehouden om het financieel-economische beleid te koppelen met dat van sociaal, zorg en opleiding. Een samenhangend beleid zorgt voor verbetering van de toegangen die mensen nodig hebben om uitsluiting tegen te gaan. Als het sociale, zorg- en opleidingsbeleid in de marge van het financieel-economische wordt geplaatst, zal het altijd afhankelijk zijn van de ruimte die financieel-economisch wordt gegeven. De economische crisis van de laatste zeven magere jaren laten zien hoe desastreus de bezuinigingen op het sociale, de zorg en de opleidingswereld uitwerken. Het sociale is niet gelijk aan het economische in het beleid van de afgelopen 20 jaar. Eerder andersom: het economische moet zich eerst herstellen en dan is er weer ruimte ook voor het sociale. Intussen verloedert het sociale.
Tenslotte vestigt de Commissie de aandacht op de internationale verwevenheid van Nederland. De financiële en economische samenleving opereert op een wereldwijde markt, terwijl de verbondenheid met de Europese Unie en de verdragen van de Verenigde Naties het nationale beleid omkaderen. De Commissie pleit daarom voor een Europees sociaal beleid naast het financieel-economische. Daar kunnen we na twintig jaar nog steeds voor pleiten.

In- en uitsluiting

Volgens de Commissie is er als anti-armoedebeleid een beleidsperspectief nodig, dat inzet op het mogelijk maken van de toegangen tot de hulpbronnen voor volwaardig burgerschap. Zo wordt sociale insluiting nagestreefd en uitsluiting tegengegaan. Inzetten op het instrument van de werkgelegenheid heeft bij een ontwikkeling naar steeds meer flexibele werkgelegenheid en bij crisis op verlies van banen een onvoldoende opbrengst. Het beleid zou moeten kiezen voor enerzijds het overeind houden van voldoende collectieve solidariteit, en anderzijds het versterken van de individuele verantwoordelijkheid van de burger jegens de risico's van het bestaan. De commissie waarschuwt ervoor dat een afname van de collectieve arrangementen leidt tot afname van sociale cohesie en toename van sociale conflicten. Als we twintig jaar verder kijken dan zien we dat deze waarschuwing in de wind is geslagen. Er is sterk gestreefd naar een afname van de collectieve arrangementen en de strijd tegen de risico's van het bestaan is neergelegd bij de individuele burgers. De waarden van rechtvaardigheid, gerechtigheid, solidariteit ofwel het mededogen met de kwetsbaren en armen is niet de hoogste doelstelling in het beleid. Dat is nog steeds economische groei gecombineerd met het terugdringen van het nationale financieringstekort. De Commissie heeft ervoor gepleit om naast het systeem van volksverzekeringen en marktverzekeringen ook het systeem van een basisinkomen voor langdurig uitgeslotenen mee te nemen in het beleid. In 2002 heeft dit advies vorm gekregen in het invoeren van het toeslagensysteem in de belastingsfeer. Tegelijk is daarmee een onzekerheidsfactor geïntroduceerd, die leidt tot schulden. Wie een lager inkomen heeft opgegeven dan twee jaar later blijkt, krijgt een terugvordering. Vaak is die onverwachte terugvordering het begin van schulden in een huishouden.

Soorten arbeid

De Commissie heeft veel energie gestoken in het signaleren van de ongelijke waardering tussen waardevolle en minder waardevolle arbeid aan de ene kant en het toenemen van de ongelijkheid tussen vaste betaalde arbeid, flexibele betaalde arbeid en onbetaalde zorg- en opvoedingsarbeid aan de andere kant. Het aandeel van de betaalde arbeid wordt kleiner, terwijl voor de samenleving waardevolle arbeid zoals opvoeding, zorg en vakmanschap verdwijnt naar lager beloonde flexibele arbeid of zelfs naar onbetaalde arbeid. Volwaardig burgerschap verschraalt dan naar onvolwaardig of tweederangs burgerschap. Twintig jaar later is vast te stellen dat aan deze ontwikkeling onvoldoende aandacht is gegeven. De kloof tussen de kleiner wordende hoeveelheid vaste banen en de laagbeloonde flexibele banen plus de onbetaalde arbeid is groter geworden. Tegelijk is er behoefte aan voldoende mensen die maatschappelijk nuttige taken doen. De ruil voor een uitkering als bescherming tegen bestaansonzekerheid is samengegaan met steeds strenger wordende verplichtende maatregelen om mensen maatschappelijk nuttige activiteiten te laten verrichten.
De Commissie heeft een pleidooi gehouden om in het economisch beleid naast de productiefactoren kapitaal, grondstoffen en arbeid ook de term 'menselijk of sociaal kapitaal' mee te nemen. Het vraagt een andere vorm van beleid om dit menselijk kapitaal te onderhouden, te vernieuwen, te investeren als belangrijke bijdrage in de samenleving door middel van sociale productie, zorgarbeid, opvoedingswerk, onderling hulpbetoon, maatschappelijke dienstverlening. In deze visie wordt een mens niet meer afgeschreven als hij of zij geen betaald werk meer heeft, op oudere leeftijd is, van etnische afkomst, gescheiden vrouw met jonge kinderen, met falende gezondheid, maar wordt gekeken wat binnen die omstandigheden de mogelijkheden tot participatie zijn. Met name heeft de Commissie een pleidooi gehouden voor gesubsidieerde banen als aanvulling op de banenmarkt, waar met name maatschappelijk nuttige arbeid een plek krijgt. De Commissie wijst als mogelijkheid sociaal ondernemerschap aan, waarin met convenanten publieke, private en zorgbestellen aan elkaar gekoppeld worden. In dit sociale ondernemerschap wordt het financieel-economische verbonden met het sociaal-culturele waardoor de participatie van mensen in de samenleving toeneemt. Met de kennis van 2015 kunnen we stellen dat er voor dit sociale ondernemerschap nauwelijks aandacht is geweest. Er is sinds 2010 een langzame herwaardering te signaleren, met name door initiatieven van onderop, in het klein, met vaak grote tegenwerking vanuit de institutionele sectoren.

Participatie

In de bijeenkomsten van deze Verkenningscommissie is er elke keer een scherp debat geweest rond de richting van het gewenste anti-armoedebeleid. Binnen de commissie heeft dit geleid tot een denken binnen het arbeidsparticipatiescenario en het maatschappelijk participatiescenario.
Aan de ene kant betogen de voorstanders voor een marktconform arbeidsmarktscenario, waarin de koppeling tussen betaalde arbeid, bereidheid tot arbeidsparticipatie en uitkering wordt gehandhaafd. De overheid dient meer banen te maken en de baanloze burger meer inspanningen inzake het verwerven van een baan. In dit scenario kan de overheid in ruil voor de bescherming van de burger met een uitkering of begeleiding richting betaald werk meer plichten vragen van die burger, naast fraudebestrijding. Mocht het economisch tij tegenvallen, dan moet de overheid marktconform bezuinigen op de uitkeringen en haar inzet.
Aan de andere kant verwoorden de sprekers van de anti-armoedebeweging hun pleidooien voor een integraal beleid dat het maatschappelijk participatiescenario versterkt. In dit beleid wordt het eerdere financieel-economische arbeidsmarktscenario doorgeknipt en wordt gestreefd naar een versterken van alle toegangen die burgers gebruiken in hun participatie, zowel financieel-economisch, als sociaal-cultureel. In dit beleid wordt niet ingezet op het bestrijden van de economische uitsluiting, maar vooral op het mogelijk maken van wat mensen feitelijk kunnen, willen en doen.
De Commissie heeft in haar aanbevelingen beleidslijnen aangegeven, die mikken op beide scenario's, waarbij de revitalisering van het sociale (zorg, opvoeding, gezondheid) naast de aandacht voor het financieel-economische nodig is om uitvoering te geven aan een volwaardig burgerschap voor iedereen.
Ten eerste dient de overheid het curatieve inkomens- en uitkeringsbeleid om te vormen naar een preventief activeringsbeleid. Daarbij dienen er banen bij te komen, betaald werk moet worden (her)verdeeld, en combinaties van betaald werk en maatschappelijke taak moeten worden gerealiseerd.
Vanuit rechtvaardige en solidaire waarden dienen ten tweede rijke inkomens en vermogens meer bij te dragen aan het sociale en dienen uitkeringen meer mee te delen als er welvaartsgroei is, hetgeen in 1997 volgens de commissie al 15 jaar niet gedaan is. Dat kan door inkomensverhoging of door lastenvermindering. Ook pleit de commissie voor het invoeren van vormen van een basisinkomen of negatieve inkomstenbelasting voor iedereen die maatschappelijk participeert en geen betaald werk heeft.
De overheid dient ten derde met de maatschappelijke instituties en de burgers in te zetten op een activerend participatiebeleid ter bestrijding van sociale uitsluiting. Daartoe dient het sociale integraal onderdeel te zijn van het economische. Een uitwerking hiervan is een grotere aandacht en ondersteuning voor het maatschappelijk ondernemerschap, waarbij de sociale onderneming zowel economische groei nastreeft als maatschappelijke participatie. De commissie denkt hierin lokaal, nationaal en Europees. "De commissie merkt op dat een herwaardering van het sociale beleid tevens inhoudt dat een toenemende maatschappelijke ongelijkheid die ten gunste uitwerkt van een selectieve groep en ten koste gaat van de sociale cohesie moet worden afgewezen. Het 'sociale' gehalte van een samenleving kan worden afgewogen aan de wijze waarop die samenleving de solidariteit tussen arm en rijk weet veilig te stellen en perspectief biedt aan 'armen' op verbetering van hun positie." Naast de flexibilisering van de betaalde arbeid stelt de commissie het streven naar een flexibilisering van de sociale zekerheid. Of met andere woorden: met hulp van de sociale zekerheidsuitkering worden 'schaduwbanen' geschapen in de sfeer van zorg, huishoudelijke arbeid, opvoedingswerk en vrijwilligerswerk. De commissie benoemt dit als additionele banen. De voorstellen houden rekening met het inzetten van uitkeringsgelden in een additionele baan, het combineren van betaald werk met de uitkering, het fiscaal bevorderen van de overgang van additionele baan naar een arbeidsmarktbaan en het behouden van arbeidsplaatsen voor 'mensen met een vlekje'. Gedacht is aan het belonen van de werkgever die banen maakt (via verlaging van de sociale premies) en het bestraffen van de werkgever die mensen ontslaat (door de ontslagvergoeding of de belastingdruk te verhogen). Rondom de nu onbetaalde zorgarbeid geeft de commissie in totaal vijf voorstellen, die alle een recht van beloning en opbouw van pensioenrechten inhouden voor hen die onbetaalde zorgarbeid doen.
Tenslotte bepleit de commissie diverse vormen van onderzoek rond de twee scenario's inzake de richting van het beleid, waarbij effecten in beeld gebracht worden als de ene kant wordt benadrukt of de andere of als een integraal beleidsscenario wordt ingezet.
Twintig jaar later (want de discussies startten in 1995) kunnen we een balans opmaken. In de mainstream van het sociaal-economisch beleid is onverkort gekozen voor een marktconform arbeidsmarktscenario, waarbij vanwege de crisis sinds 2008 het sociale volledig in de knel is gekomen. Het zicht op een maatschappelijk participatiescenario is helaas verdwenen. Wel is het pleidooi voor een activerend participatiebeleid binnen de kaders van het arbeidsmarktscenario meegenomen met alle gevolgen van dien (lagere uitkeringen, strengere regels, steviger fraudebestrijding, kortere uitkeringsduur, zwaardere plicht tot het vervullen van maatschappelijke taken). Het verlangde initiatief van sociaal ondernemerschap bevorderen op grote schaal, waarin het financieel-economische en het sociale worden gekoppeld, is niet eens meegenomen in het beleid. Via initiatieven door burgers van onderop komt dit model de laatste jaren in beeld, als tegenbeeld van het gangbare.

Ga naar boven

2. Koopkrachtverbetering op nationaal niveau

Bij het instellen van deze Verkenningscommissie is als uitgangspunt meegegeven dat de uitkeringen in de eerdere vijftien jaar niet evenredig hebben gedeeld in de welvaartsgroei en zo hun bijdrage hebben gegeven aan het herstel uit de gevolgen van de economische crisis van de jaren tachtig. Hoe is dus de koopkracht te verbeteren van huishoudens met een laag inkomen met een minimum aan neveneffecten (lees hogere collectieve lasten), vergroting van de armoedeval richting betaald werk, rekening houdend met de discussies over basisinkomen en negatieve inkomstenbelasting? De commissie heeft in de uitwerking van haar opdracht niet gekeken naar de koppeling tussen uitkering en woonvorm. Hetgeen, achteraf bezien, beschouwd moet worden als een stevige omissie.
De commissie heeft gewerkt aan een begrippenkader waarbij, gerelateerd aan de armoedeval tussen uitkering en betaald werk, een indeling is gemaakt in:

  • uitgavengerelateerde maatregelen
  • inkomensverhogende maatregelen
  • arbeidsmarktmaatregelen
  • maatregelen rond flexibilisering en (her)verdeling van betaalde arbeid

De commissie noemt betaald werk de eerste weg uit armoede en acht een verantwoord koopkrachtbeleid voor mensen met een laag inkomen (werkend of met een uitkering) van belang. De commissie heeft geen werk gemaakt van maatregelen op het terrein van arbeidsmarkt, (her)verdeling of flexibilisering, onder verwijzing naar de taak van een andere verkenningscommissie. Inkomensverhogende maatregelen leiden tot een hoger beschikbaar inkomen zonder binding aan uitgaven. Uitgavengerelateerde maatregelen bieden compensatie voor bepaalde uitgaven. Bij de voorstellen heeft de commissie gedacht aan aspecten van legitimiteit, uitvoering, negatieve economische effecten en financiële randvoorwaarden. Met name is gekeken naar de armoedeval, waarbij de overgang naar betaald werk niet loont door het verlies aan met name inkomensafhankelijke subsidies.
Bij de inkomensverhogende maatregelen heeft de commissie gedacht aan een koopkrachtgarantie voor minima (bij wet te regelen), een algemene verhoging van het sociale minimum of het minimumloon, een verhoging voor meerjarige minima en een verruiming van de vrijlatingsregelingen naast de uitkering. Bij alle voorstellen zijn negatieve effecten genoemd. Bij de uitgavengerelateerde maatregelen noemt de commissie de vaste kostenregeling per huishouden (combineren van alle toeslagen gerelateerd aan het lastenpatroon met één subsidie als gevolg), kinderopvangregelingen, de bijzondere bijstand en eigen bijdragen. Ook hier ziet de commissie de nodige negatieve effecten en schuift uitvoering door naar nader onderzoek. Een derde groep maatregelen is gerelateerd aan specifieke groepen, zoals ouderen of gehandicapten. Oplossingen ziet de commissie in de twee eerder genoemde maatregelen.
Voor de lange termijn heeft de commissie gesproken over het nut van een basisinkomen dat door de fiscus wordt uitgekeerd in de vorm van een negatieve inkomstenbelasting ofwel een Earned Income Tax Credit (EITC). Er bestaat in de commissie veel meningsverschil over dit instrument. Liever kiest men voor maatregelen die samenhangen met inkomen verhogen of lasten verlagen.
Wie de lijst van oplossingsrichtingen va deze commissie bekijkt, kan concluderen dat er tussen 1997 en 2008 gewerkt is aan het toekennen van inkomensverhoging door middel van vooral subsidies. Het vrijwaringsbeleid is afgeschaft. Op gemeentelijk niveau is er ruimte gekomen voor eigen en gedeeltelijk categoriaal inkomensbeleid. Extra verhoging van de minima is nooit toegepast. Vormen van basisinkomen zijn sinds 2002 verweven met uitgaven gerelateerd beleid, met name in de vorm van toeslagen. Het woud aan inkomensafhankelijke regelingen en vrijwaringsregelingen neemt tot 2010 toe tot meer dan 150, waarna de crisis van 2008 en de doorwerking ervan zorgt voor een scherpe afbouw van dit soort anti-armoedebeleid.

Ga naar boven

3. Inkomensondersteuning op lokaal niveau

In de verkenningscommissie 'Inkomensondersteuning op lokaal niveau' staat de volgende vraag centraal: "Welke mogelijkheden (moeten) gemeenten hebben om burgers in een situatie van armoede doeltreffend te ondersteunen?" Het algemeen onderschreven uitgangspunt van de commissie is dat uit diverse onderzoeken is gebleken "dat voor veel mensen op het minimumniveau het inkomen te laag is om fatsoenlijk van rond te komen". (p. 73) Daarom moeten de gemeenten in voorkomende gevallen bij kunnen springen. Vastgesteld wordt dat de gemeenten hiervoor steeds meer ruimte krijgen van het Rijk. Bij deze toenemende decentralisatie van inkomensondersteuning worden de volgende kanttekeningen geplaatst:

  • Als er sprake is van structurele armoedeproblemen moeten niet de gemeenten bijspringen, maar moeten op rijksniveau generieke maatregelen worden genomen. De commissie stelt vast dat dit met name geldt voor het gemeentelijke categoriale armoedebeleid: als gemeenten groepen mensen moeten compenseren, is dat een teken dat het Rijk taken laat liggen.
  • Deze eerste constatering is bedoeld om te voorkómen dat er vanwege verschil in lokaal beleid reële koopkrachtverschillen tussen gemeenten ontstaan. Dit levert rechtsongelijkheid op, hetgeen de commissie niet wenselijk acht. Om dit te voorkómen wordt gepleit voor eenduidiger, centrale normering, die overigens niet te gedetailleerd mag zijn. Het gaat eerder om het aangeven van bandbreedtes waarbinnen het gemeentelijk inkomensondersteuningsbeleid zich kan begeven: "Gelijkheid neemt hiermee toe, zonder dat dit ten koste gaat van de mogelijkheden om maatwerk te kunnen bieden."(p. 75)
  • Daarnaast wijst de commissie erop dat niet alle gemeenten maximaal gebruik maken van de speelruimte die ze hebben om in individuele gevallen via de bijzondere bijstand inkomensondersteuning te geven. Ook de voorlichting over allerlei regelingen van inkomensondersteuning laat te wensen over: onduidelijk, ambtelijk, ongericht. Daardoor is er sprake van veel niet-gebruik.

Ook plaatst de verkenningscommissie kritische kanttekeningen bij de hoogte van de beslagvrije voet van 90% van het sociaal minimum: "Als langdurig verblijf in de bijstand al leidt tot financiële problemen, dan is het risico daarop alleen maar groter bij 90 procent van het bijstandsniveau."(p. 80). Verder wordt geconstateerd dat er wel erg veel nadruk ligt op rechtmatigheid en fraudebestrijding. Tenslotte wordt geconstateerd dat de woonlasten vaak veel te hoog zijn: er moet een maximum worden gesteld aan hetgeen men met een inkomen op minimumniveau aan woonlasten kwijt mag zijn; als de woonlasten hoger zijn moet de gemeente bijspringen. Als afsluiting van haar aanbevelingen doet de commissie het voorstel aan gemeenten om creatief mee te werken aan het opzetten van moderne vormen van ruilhandel via zogeheten LETS-kringen.
Bijna twintig jaar later kunnen we niet anders dan wrang vaststellen dat de belangrijkste aanbevelingen van deze verkenningscommissie door het Rijk in de wind zijn geslagen: het te laag geachte minimum is nog verder verlaagd en het is gemeenten steeds sterker verboden om categoriale inkomensondersteuning te geven. Daarmee wordt ook het geconstateerde probleem van niet-gebruik voor een groot deel opgelost! Het bekritiseren van de nadruk op rechtmatigheid en fraudebestrijding heeft een averechts effect gehad: het beleid in deze is alleen maar verscherpt, zozeer zelfs dat uitvoerders beginnen te protesteren. De woonlasten zijn ook alsmaar hoger geworden en zijn in veel huishoudens een van de voornaamste oorzaken van het ontstaan en blijven bestaan van armoede. En het ondersteunen van ruilhandel als alternatieve vorm van economie en inkomensverwerving kan op weinig daadwerkelijke steun rekenen van lokale overheden. Kortom, wat betreft lokale inkomensondersteuning zijn de aanbevelingen van de verkenningscommissie op onvruchtbare bodem gevallen.

Ga naar boven

4. Toegang tot betaalde en onbetaalde (zorg)arbeid

De verkenningscommissie rond de toegang tot betaalde en onbetaalde (zorg)arbeid heeft veel werk verricht. De commissie kiest voor het integraal combineren van marktconform arbeidsmarktscenario en het maatschappelijk participatiescenario, met een nadruk voor ruimte voor allerlei vormen van sociaal ondernemerschap. Met name stelt de commissie voor om de toegankelijkheid van vrijwilligerswerk in maatschappelijke taken te ondersteunen met kinderzorg en mantelzorg. Er is een heldere keuze gemaakt voor het erkennen van de zorg voor kinderen en nabije anderen door partiële vrijstelling van de sollicitatieplicht, het verlenen van financiële vergoedingen en het opbouwen van sociale rechten. Deze commissie voert een combinatiescenario in, dat rekening houdt in de mogelijkheid van combineren van parttime betaald werk en parttime vrijwilligerswerk of zorgarbeid of opvoedingswerk of maatschappelijke arbeid. Daarbij wil de commissie allerlei vormen van basisinkomen inzetten, evenals allerlei vormen van sociaal ondernemerschap, hetzij individueel, hetzij collectief. Bij het ontwikkelen van deze vormen kan op allerlei manieren uitkeringsgeld, extra subsidies, toelagen en loonkostensubsidies ingezet worden. De Commissie bepleit ruimte voor innoverend en experimentele projecten van onderop.
Er valt in dit hoofdstuk veel te lezen dat in een tijd als de onze van groot belang zou zijn als het was uitgevoerd. Met name experimenten rond sociaal ondernemerschap, combinatie van uitkering en betaalde arbeid, combinatie van betaalde arbeid en vormen van sociale arbeid (zorg, opvoeding, vrijwilligerswerk) zouden nu geleid kunnen hebben tot een volwaardiger alternatief voor het sociale dan nu het geval is in een eroderende verzorgingsstaat, waar de collectieve publieke voorzieningen worden afgebouwd. De wig tussen betaald werkenden en de uitgeslotenen van betaalde arbeid zou minder groot zijn en de sociale insluiting zou groter zijn. Er zijn veel kansen en mogelijkheden niet gebruikt de afgelopen twintig jaar.

Ga naar boven

5. Culturele en organisatorische aspecten van zelfbeschikking

In de verkenningscommissie 'Culturele en organisatorische aspecten van zelfbeschikking' zijn vertegenwoordigers van cliëntenorganisaties sterk vertegenwoordigd. De commissie brengt haar eindverslag uit onder de titel 'bijstand en burgerschap'. Het is een pleidooi om de bijstand zo te regelen dat een uitkeringsgerechtigde een volwaardig burger kan zijn met rechten en plichten. In de Sociale Conferentie 1996 is al vastgesteld dat ook uitkeringsgerechtigden eigen verantwoordelijkheid dragen en binnen bepaalde randvoorwaarden zelf inhoud kunnen geven aan hun bestaan. De verkenningscommissie trekt die constatering door en komt tot de slotsom dat de overheid zodanige voorwaarden moet scheppen dat die verantwoordelijkheid ook waargemaakt kan worden en dat uitkeringsgerechtigden zich vooral als gewone burgers kunnen voelen. Die benadering stelt eisen aan uitkeringsgerechtigden, maar ze stelt ook eisen aan de wijze waarop uitvoeringsorganisaties zoals de sociale diensten zijn georganiseerd en daarmee samenhangend stelt ze ook eisen wat betreft de cultuur die heerst in uitvoeringsorganisaties. De werkdruk van de medewerkers van sociale diensten mag niet te hoog zijn en hun scholing moet van voldoende niveau zijn. Dit zijn twee belangrijke voorwaarden voor het ontwikkelen van een werkhouding en opstelling ten aanzien van cliënten die recht doen aan het recht op volwaardig burgerschap van uitkeringsgerechtigden. Daarnaast wordt gepleit voor goede en wettelijk verankerde regelingen omtrent inspraak en participatie van cliënten. De verkenningscommissie pleit ervoor dat iedere gemeente een goed toegeruste clientenraad instelt met duidelijk omschreven bevoegdheden.
De wettelijke verplichting om uitkeringsgerechtigden te betrekken bij beleid en uitvoering is er gekomen. Ze wordt weliswaar geheel verschillend ingevuld door de gemeenten. Daar zit ook de zwakte van de regeling en de anti-armoedebeweging heeft daar in de jaren negentig onvoldoende oog voor gehad: wil de cliëntenparticipatie daadwerkelijk iets voorstellen, dan moet er sprake zijn van een voldoende toegeruste ondersteuningsstructuur. Aanvankelijk heeft een aantal landelijke en regionale organisaties samen die ondersteuning opgepakt en ingevuld. Gaandeweg is die ondersteuningsstructuur echter weggevallen door het structurele gebrek aan middelen. De landelijke en provinciale overheden hebben hun handen afgetrokken van deze ondersteuning onder de redenering dat het een gemeentelijke taak zou zijn. Maar in zoverre afzonderlijke gemeenten al ondersteuning gaven aan cliëntenparticipatie is die beperkt gebleven tot hun eigen gemeente. Met kunst- en vliegwerk worden her en der nog ondersteunings- en uitwisselingsbijeenkomsten gehouden waar basisinitiatieven ervaringen kunnen delen en een gezamenlijke vuist kunnen maken, maar wegens het ontbreken van middelen en menskracht is dit een zeer groot manco waardoor de anti-armoedebeweging ernstig is verzwakt.

Ga naar boven

6. Lokaal armoedebeleid

In de aanloop naar de Sociale Conferentie 1997 werd een verkenningscommissie gevraagd na te gaan wat de bestuurlijke en inhoudelijke voorwaarden zijn voor een doeltreffend lokaal armoedebeleid: over welke vraagstukken moet dit beleid gaan, wat zijn de bestuurlijke voorwaarden, welke actoren moeten erbij betrokken zijn, hoe kan er structurele aandacht voor dit beleid worden bewerkstelligd?
Dat er in 1997 een afzonderlijke verkenningscommissie wordt gevormd om aandacht te besteden aan het lokaal armoedebeleid, geeft aan dat het thema 'armoede' op dat moment bij veel gemeenten hoog op de politieke agenda staat. Driekwart van de gemeenten heeft een eigen armoedebeleid of is daar mee bezig. Dat beleid is vooral gericht op mogelijkheden van inkomensondersteuning. Daarnaast zijn kwijtschelding van lokale heffingen en activering van werkzoekenden belangrijke lokale beleidsthema's. Wat in de aanpak vooral gemist wordt is een brede lokale aanpak van het armoedevraagstuk. Geconstateerd wordt 'dat ondanks vele goede kleine stapjes vooruit vele gemeenten nog niet in staat zijn gebleken om te komen tot een integraal sociaal beleid. Men blijft veelal steken bij op zich goede incidentele maatregelen."(p. 147)
Als eerste stap om te komen tot een dergelijk integraal lokaal armoedebeleid stelt de verkenningscommissie dat een algemene verhoging van uitkeringen noodzakelijk is. "Om op lokaal niveau een effectief armoedebeleid te kunnen voeren is een structurele verhoging van het uitkeringsniveau noodzakelijk."(p. 148). De commissie is er geenszins van overtuigd dat dit banen zou kosten: "De stelling dat een verhoging van de uitkeringen nadelig is bij de creatie van meer banen is naar de mening van de commissie nog onvoldoende onderbouwd. Wel is het zo dat armoede een blokkade kan betekenen bij het aanvaarden van (vrijwilligers)werk."(p. 148)
Voor een integraal lokaal armoedebeleid is het verder nodig dat de verantwoordelijkheden van Rijk en gemeenten beter op elkaar worden afgestemd. Gemeenten zijn vaak te zeer bezig met het repareren van de gevolgen van ingewikkelde en slecht op elkaar afgestemde landelijke wet- en regelgeving. Een verdere hindernis bij het tot stand brengen van een integraal lokaal armoedebeleid is de grote versnippering in beleid en uitvoering op lokaal niveau. "Iedereen pakt een stukje van de problematiek en blijft hangen in de eigen verantwoordelijkheid, macht en zeggenschap. Werkers zijn nog te veel 'verkokerd' aan hun eigen organisatie. Wethouders beperken zich veelal tot hun eigen portefeuille."(p. 150). Het lokaal armoedebeleid moet een aangelegenheid zijn van de gehele gemeenteraad en het gehele college. Om dat te bewerkstelligen wordt gepleit voor het opstellen van een duidelijk lokaal armoedebeleid. Daarbij kunnen netwerken van belangstellende en belanghebbende burgers, waaronder ook (belangenorganisaties van) uitkeringsgerechtigden, betrokken worden. Dat hoeft volgens de commissie niet altijd in geformaliseerde vorm, want dat leidt tot nieuwe instituties met vaak dezelfde mensen. In dat verband wordt in 1997 al de momenteel actuele term van 'communicatieve zelfsturing' gebruikt: "Het gaat erom gezamenlijk te zoeken naar het zelf-, en probleemoplossend vermogen van burgers (communicatieve zelfsturing) en ondernemend burgerschap te benutten en te waarderen c.q. te belonen."(p. 150).
De commissie stelt vast dat armoede een structureel probleem is dat niet door mensen zelf wordt veroorzaakt. De oplossing van dat probleem vergt een langdurig proces en de bestuurlijke durf om onorthodoxe maatregelen te nemen. Via oplossingen op korte termijn in incidentele individuele situaties ( bijvoorbeeld schuldsanering) kan krediet worden opgebouwd voor de noodzakelijke langduriger beleidsontwikkeling. Verder zijn goede ondersteuning en het opbouwen van een sociale infrastructuur nodig om als overheid dichter bij de doelgroepen te komen. In dit verband wordt onder meer gepleit voor het 'bottom-up' ontwikkelen van beleid, voor het opzetten van wijkteams en voor het durven investeren in preventie. Op die manier moet worden getracht de kloof tussen de 'leefwereld van de burgers' en de 'systeemwereld van de instituties' te overbruggen. Afzonderlijke aandacht wordt gevraagd voor de positie van kinderen in armoede en voor de rol die scholen in dit verband kunnen spelen.
Hoe actueel blijkt dit advies uit 1997 en hoe weinig is ermee gedaan! In veel gemeenten is geen sprake van een lokaal armoedebeleid. Nu is het niet per se nodig om de invalshoek en de benaming 'armoede' te bezigen om structurele problemen rond werk, inkomen, huisvesting, onderwijs, zorg en gezondheid aan te pakken. Dat is de bedoeling van het huidige beleid van de drie decentralisaties en de bepleite integrale aanpak in het sociaal domein. Veel aspecten en aanbevelingen die de verkenningscommissie 'lokaal armoedebeleid' in 1997 naar voren bracht, blijken bijna twintig jaar nadien nog uiterst actueel. Een verfrissend vooruitziende blik van mensen die heel dicht bij of in de dagelijkse werkelijkheid van arme mensen zaten. En tegelijkertijd is deze constatering een blijk van een jarenlang stagnerend en achterwaarts gericht overheidsbeleid ten aanzien van het maatschappelijke vraagstuk van armoede in een rijk land.

Ga naar boven

7. Onderwijs en armoede

De bijdrage over onderwijs en armoede in het verkenningenboek is geschreven door twee deskundigen. Er was bij dit onderwerp geen sprake van een breed samengestelde verkenningscommissie. Wellicht tekenend voor de situatie dat bij het bestrijden van armoede het onderwijs te veel buiten beschouwing is gelaten en dat het alleen in beeld is gekomen in relatie met de situatie van kinderen die opgroeien in armoede en onder meer de (extra) kosten van onderwijs niet kunnen betalen. De inhoud van het onderwijs en de relatie met armoede is weinig tot niet ter discussie gesteld. Die omissie mag de anti-armoedebeweging zichzelf ook aanrekenen.
Aan de ene kant kan gesteld worden dat het onderwijssysteem een belangrijke manier is om aan de armoede te ontsnappen. Het algemeen verplichte gestelde onderwijs en de leerplichtwet tot 16 jaar hebben ertoe geleid dat er vele kansen en mogelijkheden zijn voor jongere generaties om zich voldoende te bekwamen om een plek te verwerven op de arbeidsmarkt en op die manier mee te participeren in de samenleving. Ook geeft het onderwijs voldoende vaardigheden en kennis mee om op alle andere sectoren van de samenleving volwaardig te kunnen participeren. Dan komen de sociale, culturele, fysieke, demografische, ethische, levensbeschouwelijke en politieke aspecten in beeld. Naast de eisen die aan het onderwijs gesteld kunnen worden en daarmee samenhangend aan de generatie in opleiding, biedt het systeem dus volop kansen.
Aan de andere kant kan gesteld worden dat het onderwijssysteem ook een belangrijke weg is richting een leven in armoede. Waar het onderwijs met name in dienst is gesteld van het marktconforme arbeidsparticipatiescenario worden de wegen naar economische gewilde banen bevoordeeld boven de wegen die naar niet-economische vaardigheden leiden. Waar het onderwijs de wetten van financiële en economische rationaliteit inbouwt in het systeem, verdwijnt de aandacht voor het maatschappelijk participatiescenario. De doelstellingen van het onderwijs worden gerelateerd aan economische doelen. Het systeem gaat dan selecteren op economisch bruikbare mensen en economisch minder bruikbare mensen. Aan de bovenkant komt dan de economisch inzetbare elite tevoorschijn, aan de onderkant of zijkant verdwijnt de rest uit beeld.
De twee deskundigen zien deze tendensen en stellen een aantal maatregelen voor, die de algemene betrokkenheid en deelname van jongeren aan het schoolsysteem bevorderen. Ze noemen daarbij inhoudelijke vernieuwingen en innovaties in de organisatiestructuur. Ook pleiten ze voor het organiseren van de zogenoemde open school, waarbij de school meer contact heeft met de lokale samenleving gedurende de gehele dag. En ze pleiten voor maatregelen die de tendens van neerwaartse stratificatie en vervroegde uitval voorkomen. Tegelijk zien ze dat elk pleidooi voor vernieuwing of inzet op het maatschappelijk participatiescenario bij horigheid aan het arbeidsmarktscenario en bezuinigende economie leidt tot ongewenste neveneffecten, die armoede kunnen vergroten. De deskundigen pleiten voor gelijke toegang en deelname van alle jongeren en noemen daartoe aanvullend noodzakelijke maatregelen op. Met name verzetten ze zich tegen de tendens van vroege selectie (onder druk van economische rationaliteit). En ze verwachten veel van het invoeren van allerlei vormen van levenslang leren met toegang en deelname van alle leeftijdsgroepen daarin.
Wie het hoofdstuk leest en de bepleite maatregelen beziet kan niet anders concluderen dat de verslaafdheid van het onderwijssysteem aan de economische rationaliteit en de horigheid aan de arbeidsmarkt alleen maar zijn toegenomen, terwijl het ideaal van algemene vorming voor iedereen richting de maatschappelijke participatie in de samenleving is afgenomen. Het onderwijssysteem heeft ingebouwd gekregen te werken als een achtbaan naar verrijking en een glijbaan naar verarming.

Raf Janssen en Hub Crijns

Afdrukken

Armoede opnieuw toegenomen

Bespreking Armoedesignalement 2014

armoedesignalement2014Onlangs verscheen het Armoedesignalement 2014. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) presenteren hierin de meest actuele cijfers over armoede in Nederland. Net als in de voorafgaande jaren blijkt de armoede opnieuw flink toegenomen in 2013. Sinds het uitbreken van de economische crisis is de armoede met ruim een derde in omvang toegenomen. Het CBS becijfert het aantal arme huishoudens op 726.000. Dat zijn 1,4 miljoen personen. Bij het SCP schommelt het aantal arme personen in Nederland tussen 837.000 (volgens basisbehoeftecriterium) en 1.255.000 (volgens het niet-veel-maar-toereikend-criterium). In deze bijdrage eerst een korte weergave van de voornaamste bevindingen van dit signalement. Daarna enkele kritische kanttekeningen.

Twee manieren van meten

CBS en SCP hanteren ieder een verschillend meetinstrument: het CBS presenteert cijfers over de kans op armoede aan de hand van de 'lage-inkomensgrens' en het SCP hanteert de 'budgetbenadering' van armoede. In beide benaderingen gaat het om financiële armoede. Daarvan is sprake als een huishouden over onvoldoende middelen beschikt om een bepaald minimaal consumptieniveau te bereiken. De cijfers meten hoeveel mensen onder die grens zitten en welke groepen dat zijn. Daarmee is nog niet gezegd dat deze mensen daadwerkelijk in armoede verkeren. Dat hangt nog af van een aantal bijkomende factoren, waaronder het aantal jaren dat er sprake is van een gering inkomen, de duur van de armoede. Dus de cijfers in het Armoedesignalement meten niet de daadwerkelijke armoede in Nederland, maar het risico op armoede.

Nog kort iets over de beide meetinstrumenten. De lage-inkomensgrens weerspiegelt een vast koopkrachtbedrag in de tijd. De grens is afgeleid van het bijstandsniveau voor een alleenstaande in 1979, toen dit in koopkracht het hoogst was. Doordat de lage-inkomensgrens alleen voor prijsontwikkeling wordt geïndexeerd, is dit criterium geschikt voor vergelijkingen in de tijd. In de budgetbenadering wordt armoede afgemeten via normbedragen. Daarbij worden twee niveaus onderscheiden. Het basisbehoeftenniveau omvat de minimale uitgaven voor voedsel, kleding en wonen en enkele andere moeilijk te vermijden kosten. Bij het niet-veel-maar-toereikendcriterium zijn daar kosten voor sociale participatie (b.v. korte vakantie, lidmaatschap club) aan toegevoegd. Het CBS brengt de situatie van huishoudens in kaart; het SCP geeft vooral cijfers over de situatie van personen.

Weer meer arme huishoudens in Nederland

Het CBS meldt dat er fors meer huishoudens met kans op armoede zijn, maar dat het hoogtepunt lijkt bereikt. In 2013 waren nog 10,3% van de ruim 7 miljoen huishoudens in Nederland arm, maar dat aantal loopt terug: in 2014 en 2015 moet rekening worden gehouden met armoedepercentages van resp. 10,2 en 10,1. Deze ramingen wijzen erop dat er geen sprake meer is van verdere toename van de armoedeproblematiek. Veeleer lijkt een lichte omslag ten goede in te treden. De conclusie van het CBS is tweeledig: de negatieve invloed van de economische crisis op de armoede lijkt dus in 2014 een halt te zijn toegeroepen; maar de armoederisico's blijven vooralsnog wel op een relatief hoog niveau gehandhaafd.

Het CBS is nagegaan bij welke typen huishoudens sprake is van het hoogste risico op armoede. Dat blijken de huishoudens van eenoudergezinnen en alleenstaanden onder de 65 jaar. Bij deze huishoudens steeg het aandeel met een inkomen onder de lage-inkomensgrens in 2013 meer dan gemiddeld tot resp. 34% en 22%. Verder blijkt uit de cijfers dat niet-westerse huishoudens met 32% drie keer zoveel risico op armoede lopen dan gemiddeld en vier keer zoveel als autochtone huishoudens (7,5%). Bovendien heeft het lage inkomen bij niet-westerse huishoudens bijna zes keer vaker een langdurig karakter dan bij autochtone Nederlanders. Dat geldt ook voor de tweede generatie niet-westerse huishoudens, zij het in minder sterke mate.

Huishoudens met een bijstandsuitkering moeten het vaakst rondkomen van een laag inkomen (78%). Op enige afstand volgen huishoudens het een arbeidsongeschiktheidsuitkering (30,6%) en een werkloosheidsuitkering (25,3%). Van de zelfstandigen heeft 13,4% een inkomen onder de armoedegrens. Bij huishoudens met inkomen uit loon komt dit aandeel uit op 4,2%. De gemeenten die de meeste huishoudens met een laag inkomen hebben zijn Rotterdam (17,2%), Amsterdam (17,0%), Groningen (16,3%), De Haag (16,1%), Vaals (15,2%), Heerlen (14,6%), Arnhem (14,5%), Enschede (14,4%), Leeuwarden (14,2%) en Nijmegen (13,6%).

Wat armoede betekent voor het dagelijks leven van mensen verwoorden armen zelf als volgt: geen geld om de woning voldoende te kunnen verwarmen; geen geld voor om de dag een maaltijd met vlees, vis of kip; geen geld voor nieuwe kleren, laat staan voor vakanties of voor onverwachte noodzakelijke uitgaven. In 2013 vond 50% van de huishoudens met een laag inkomen het (zeer) moeilijk om rond te komen van het beschikbare inkomen. In de voorafgaande jaren lag dat percentage nog rond de 40.

Nog nooit zoveel armen in Nederland

Het SCP gaat uit van een striktere armoedegrens op basis van de budgetbenadering. Ook volgens deze meetmethode wordt geconstateerd dat er al vanaf 2007 een jaarlijkse toename van armoede is in Nederland. Het berekende aantal van bijna 1,3 miljoen arme personen in 2013 is nooit eerder gehaald. Eerdere pieken lagen in 1985 en 1994 met resp. 1,1 en 1,2 miljoen armen. Ook het SCP verwacht een kentering: naar verwachting zullen er in 2014 50.000 armen minder zijn en in 2015 zal de daling zich doorzetten met 11.000 minder personen onder het niet-veel-maar-toereikendcriterium.

Ook bij het SCP zijn de voornaamste risicogroepen: alleenstaande moeders, bijstandontvangers, migranten. Opmerkelijk is ook de toename van armoede onder de tweede generatie niet-westerse migranten (45.000) en onder zelfstandigen. In 2013 zijn er meer werkende armen (356.000) dan arme uitkeringsontvangers (280.000). Sinds het begin van de economische neergang is het aantal arme kinderen gegroeid met 124.000. In 2013 waren er in Nederland 400.000 arme kinderen, waarvan 300.000 onder de twaalf jaar. Van de kinderen van wie de ouders in de bijstand zit, is bijna 60% arm. Dit zijn meer dan 100.000 kinderen. Het risico op armoede stijgt als het gezin groter is. Ook migrantenkinderen van niet-westerse oorsprong hebben een hoog risico op armoede (29%). Toch is de meerderheid van de arme kinderen autochtoon, en heeft werkende ouders. De grootste stijging wat betreft het aantal arme kinderen doet zich voor bij huishoudens van zelfstandige ondernemers met of zonder personeel (40.000 arme kinderen erbij tussen 2007 en 2013). Ook waren in dat tijdsbestek forse toenames bij groepen bijstandontvangers (+ 29.000) en loontrekkenden (+ 35.000).

Zowel CBS als SCP signaleren dat woonkosten (huisvesting, water, energie) heel zwaar drukken op het budget van mensen met een laag inkomen: ze nemen 36% van het aanwezige budget in beslag. De hoge woonlasten zijn ook vaak oorzaak van de nog steeds oplopende betalingsachterstanden. Het SCP brengt niet alleen de armoedeomvang per gemeente in kaart, maar ook per postcodegebied. Dat biedt belangrijke informatie voor het lokale beleid: per wijk, buurt of dorp wordt het percentage arme mensen in kaart gebracht.

Kanttekeningen

Het is goed dat er jaarlijks een signalement verschijnt met de meest actuele cijfers over het aantal armen in Nederland. Het is evenwel jammer dat het bij die cijfers blijft. Wellicht mag je van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) niet meer verwachten. Hun taak is het registreren en weergeven van cijfers. Van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) mag meer worden verwacht. Want:

  • cijfers over 10% armen in Nederland vragen om een bredere schets van het armoedevraagstuk in een rijk land;
  • cijfers over (groepen) armen vragen om het leggen van een relatie met de inkomensontwikkeling van andere groepen in de samenleving, zeker nu er maatschappelijk een discussie op gang komt op de groeiende inkomensongelijkheid en de maatschappelijke en economische gevolgen daarvan;
  • cijfers over groeiende aantallen werkende armen vragen om een kritische analyse van ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en de toename van het aantal laagbetaalde banen, waardoor mensen weliswaar werk hebben, maar evenzeer gevangen blijven in de armoede;
  • cijfers waaruit blijkt dat de armoederisico's bij niet-westerse allochtonen veel hoger liggen dan gemiddeld, vragen om een nadere analyse van het discriminatoir karakter van onze samenleving.

De gepresenteerde cijfers vragen om dergelijke analyses, maar dat gaat de kaders van het armoedesignalement te buiten. Juist daarom is armoedesignalement een foute benaming. De gepresenteerde cijfers gaan meer over arme mensen en minder over armoede. Armoede is namelijk niet zozeer een persoonlijk kenmerk van (groepen) arme mensen, maar is een kenmerk van samenlevingen en duiden op de wijze waarop deze samenlevingen zijn georganiseerd. Een armoedesignalement zou de cijfers over armoede veel meer in dat verband moeten plaatsen en corresponderende cijfers daarbij halen over onder meer de verdeling van de rijkdom, de gezamenlijke inkomens, over de organisatie van de arbeid, over het wonen, het onderwijs, de gezondheid. Dergelijke cijfers leert ons als samenleving meer over armoede en over de positie van arme mensen dan de cijfers die nu jaarlijks braaf door CBS en SCP worden gepresenteerd. En ze wijzen ons ook beter de weg naar een daadwerkelijke bestrijding van armoede.

Klik hier om het Armoedesignalement 2014 en het bijbehorende persbericht te downloaden.

Raf Janssen, Helden, 26 januari 2015

Afdrukken

Nieuwsbrief 2014-2

17 december2014

Dit is de tweede digitale nieuwsbrief van de Sociale Alliantie. 
Het centrale thema van deze nieuwsbrief is 'Lokale aanpak'. Wij hopen dat dit nummer informatief en inspirerend is, en wij wensen de lezers bijzonder goede feestdagen toe!

Wilt u zich abonneren op deze nieuwsbrief, dan kunt u zich Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

In deze nieuwsbrief:


Aanpak 2015: werkprogramma van de Sociale Alliantie

Aanpak 2015

Ondanks de geringe financiële en organisatorische middelen blijft de Sociale Alliantie in 2015 actief als landelijk netwerk voor een samenleving zonder armoede. Er worden inhoudelijk inspirerende en vernieuwende bijdragen geleverd aan het maatschappelijk debat rond verarming, verrijking en verschulding.

Klik hier om te lezen welke activiteiten in 2015 worden aangepakt.

Ga naar boven


Oproep 1: stuur ons gespreksonderwerpen voor overleg met staatssecretaris

Op 24 februari heeft de Sociale Alliantie het halfjaarlijkse overleg met staatssecretaris Jetta Klijnsma. Wanneer u vanuit onze achterban suggesties wilt doen voor prangende onderwerpen die in dat overleg aan de orde zouden moeten komen, laat het ons dan weten. Stuur uw suggesties naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..

Ga naar boven


Oproep 2: stuur ons kopij

Hebt u 'kopij' voor bijvoorbeeld de rubrieken met ervaringsverhalen of plaatselijke projecten, stuur ons dan informatie naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..

Ga naar boven


Thema: Lokale aanpak

Lokale aanpakHet thematisch deel van deze nieuwsbrief gaat over de lokale aanpak. Welke ontwikkelingen in het lokaal sociaal beleid zijn van belang voor de anti-armoedebeweging en hoe kan daarop worden ingespeeld? Deze vraag wordt beantwoord in een vijftal bijdragen:

  • De kracht van vertellende armoede
  • Van verzorgingsstaat naar zelfzorgende straat
  • Co-creatie als nieuwe route voor cliëntenparticipatie
  • Collectivering van het minimabeleid
  • Voorstellen voor beter lokaal sociaal beleid in 'Aanpak 2015'

Klik hier om naar de overzichtspagina van dit thema op de website te gaan.

De kracht van vertellende armoede

Er is een verschil tussen vertelde en vertellende armoede. Voor lokale groepen die de samenleving willen bewegen om armoede te bestrijden, is het belangrijk om kennis te nemen van dit onderscheid en om de kracht te ontdekken van vertellende armoede. Dat onderbouwt het belang van de verhalen over de eigen ervaringen van mensen die in een situatie van armoede verkeren.

Klik hier om er meer over te lezen.

Van verzorgingsstaat naar zelfzorgende straat

Alle gemeenten zijn druk in de weer met de hervorming van het sociaal domein: het rijk draagt taken over aan de gemeenten; die staan het dichtst bij de burgers en hebben de meeste kans om van hen gedaan te krijgen dat zij meer verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen leven en hun eigen omgeving. De verzorgingsstaat wordt veranderd in een zelfzorgende straat. Wellicht biedt dat mogelijkheden om een aantal tekortkomingen van de verzorgingsstaat te ondervangen.

Klik hier om er meer over te lezen.

Co-creatie als nieuwe route voor cliëntenparticipatie

De overdracht van taken van het Rijk naar de gemeente (de drie D’s ) is in veel gemeenten aanleiding geweest voor het ontwikkelen van een nieuwe adviesstructuur in het sociaal domein. Veelal zijn daarbij afzonderlijke cliëntenraden opgegaan in een breed samengestelde WMO-raad. In de Noord-Limburgse gemeente Peel en Maas is een afwijkende koers ingeslagen. Na een stevig debat met betrokken organisaties van burgers en cliënten is inmiddels gekozen voor een scheiding van belangenbehartiging en advisering. Een eigenzinnige keuze die om nadere uitleg vraagt.

Klik hier om er meer over te lezen.

Collectivering van het minimabeleid

Het kabinet maakt het gemeenten moeilijker om met weinig uitvoeringskosten huishoudens met de allerlaagste inkomens enige steun te geven via categoriale bijstand. Een collectivering van het minimabeleid biedt nieuwe mogelijkheden.

Klik hier om er meer over te lezen.

Voorstellen voor beter lokaal sociaal beleid

Op basis van analyses van ontwikkelingen in het lokaal sociaal domein zal de Sociale Alliantie in 2015 een brief aan de gemeenteraden sturen, met daarin een aantal concrete voorstellen voor verbetering van het lokale beleid. Die brief wordt opgesteld met anti-armoedegroepen aan de basis van de samenleving en bevat ervaringen van mensen die moeten leven in situaties van armoede en uitsluiting. De brief wordt verstuurd in april/mei, opdat de voorstellen door de gemeenteraad besproken kunnen worden tijdens de beraadslagingen over de begroting van het jaar 2016.

Oproep 3: Lokale groepen die mee willen helpen met het opstellen van deze brief worden verzocht zich te melden bij het secretariaat van de Sociale Alliantie: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Zie ook het werkplan 'Aanpak 2015', van de Sociale Alliantie >

Ga naar boven


Internationaal

Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting Vlaanderen 2014

Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting Vlaanderen 2014

In Nederland komt in de tweede helft van december een Armoedesignalement uit, waarin cijfers en enige analyse van de Nederlandse situatie te vinden is. We komen daar in de volgende nieuwsbrief op terug. In Vlaanderen komt elk jaar een uitgebreider en diepgravender publicatie uit, onder de titel 'Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting'. Ook daarover meer in de volgende nieuwsbrief. Op onze website alvast korte informatie over dit Jaarboek dat op 1 december 2014 verscheen.

Klik hier om er meer over te lezen.

Ga naar boven


Landelijk

Fraudewet treft eerlijke burgers hard

Geen fraudeur, toch boeteOp 1 januari 2013 is de wet 'Aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving', ook wel de Fraudewet genoemd, van kracht geworden. Deze wet is een erfenis van het kabinet Rutte I en heeft in het kabinet Rutte II de eindstreep gehaald, ondanks een stevige lobby vanuit o.a. kerken en de Sociale Alliantie om dit niet te doen.
De Nationale ombudsman heeft nu een zeer kritisch rapport uitgebracht over de praktijk van deze Fraudewet.
Minister Asscher heeft naar aanleiding daarvan inmiddels enkele aanpassingen aangekondigd.

Klik hier om meer te lezen over dit rapport.

Ga naar boven


Minicongres 'Meedoen doet er toe!'

MeedoenDit minicongres van de MO-groep gaat over het activeren van mensen. Aan de hand van voorbeelden uit de praktijk krijgen de deelnemers concrete ideeën over hoe je mensen kunt activeren, mee kunt laten doen.
Met praktijkvoorbeelden over hoe je jongeren weer op de rails kunt helpen zodat zij weer perspectief zien, en voorbeelden over hoe je uitkeringsgerechtigden kunt activeren door hen op hun vakgebied andere mensen te laten helpen. Kortom een inspirerende dag voor ondernemers in participatie en welzijn, beleidsmedewerkers van gemeenten en managers van sociale diensten.
De bijeenkomst vindt plaats op 13 januari 2015, 9.30 tot 14.00 uur, Locatie: Domstad, Koningsbergerstraat 9, te Utrecht.

Klik hier om de uitnodiging te downloaden.
Klik hier om aan te melden.

Ga naar boven


Hebben wij iets met elkaar?

In september is de brief ‘Hebben wij iets met elkaar?’ verschenen met gedachten over samenhang en isolement in onze maatschappij vanuit het bisschoppelijk referentschap ‘Kerk en Samenleving’ van de Rooms Katholieke Kerk in Nederland. Niet alleen onze economie maar ook onze gehele cultuur verkeert in een crisis. Dat gaat iedereen in de samenleving aan. De auteurs van deze sociale brief willen als leerlingen van Jezus Christus en geïnspireerd door de katholieke traditie samen met anderen meedenken over de aard en de oorzaken van de crisis en hoe we daar op kunnen reageren.

Klik hier om de tekst te downloaden.

Ga naar boven


Coöperatief ondernemen in Nederland

Coöperatief ondernemen

Op dinsdag 20 januari 2015 organiseert Cordaid in Den Haag een informatiebijeenkomst over coöperatief ondernemen voor en door mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt/laag inkomen.

Klik hier om de uitnodiging te downloaden.
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. voor directe aanmelding (tot uiterlijk 10 januari).

Ga naar boven


Omzien naar elkaar

Skanfonds

Zaterdag 31 januari 2015 organiseert Skanfonds de Inspiratiedag ‘Omzien naar elkaar’. Een dag voor en door mensen die zich vanuit de katholieke traditie laten inspireren tot naastenliefde. Nederland staat op de drempel van grote veranderingen die van invloed zijn op mensen in armoede, op vluchtelingen, dak- en thuislozen en zieken. Wat betekent dit in de praktijk voor de uitvoering en betekenis van uw vrijwilligerswerk? De dag vindt plaats in Museum Catharijneconvent in Utrecht. In het programma is ruimte om ook de prachtige tentoonstelling 'Ik geef om jou' gratis te bezoeken. Reserveer deze datum dus snel in uw agenda. De definitieve uitnodiging en het programma zijn te vinden op de site.

Klik hier om er meer over te lezen.

Ga naar boven


Tentoonstelling over geschiedenis naastenliefde

Ik geef om jou

In het Museum Catharijneconvent in Utrecht is de tentoonstelling ‘Ik geef om jou!’ te zien. Nog tot
1 maart 2015 kun je daar kennis maken met de geschiedenis van de naastenliefde in ons land. Aan de hand van veel schilderijen en andere cultuurhistorische voorwerpen laat de tentoonstelling zien hoe de zorg voor de naaste zich in de loop der eeuwen heeft ontwikkeld. De werken van barmhartigheid vormen de rode draad door de tentoonstelling. Ze vormen de kapstok om de tentoonstelling in te richten.

Klik hier om meer te lezen.

Ga naar boven


Regionaal

Kandidaten doctor Poelsprijs gezocht

Dr. Poelsprijs

Het Limburgs Diaconaal Fonds waardeert de vele kleinschalige projecten en individuele personen die kwetsbare medemensen in de Limburgse samenleving terzijde staan. Zij wil deze organisaties en individuele personen ook stimuleren om hun werk zichtbaar te maken. Daarom is een tweejaarlijkse ‘Doctor Poelsprijs’ in het leven geroepen. Deze prijs wordt in mei 2015 voor de tweede maal uitgereikt tijdens een Sociale Studiedag. Kandidaten voor die prijs kunnen nu worden voorgedragen. De prijs bestaat uit een financiële bijdrage en een klein kunstwerk. Daarnaast zullen alle genomineerde projecten en initiatieven uitvoerig worden beschreven en meedelen in de publiciteit. Aanmelden is mogelijk tot 31 december en kan via de mail naar het secretariaat van het Limburgs Diaconaal Fonds. Het aanmeldingsformulier is te vinden op www.limburgsdiaconaalfonds.nl.

Ga naar boven


Klik hier als u een vriend, kennis of collega op deze nieuwsbrief wilt attenderen.

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. indien u deze nieuwsbrief niet meer wilt ontvangen.
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. om u aan te melden voor de nieuwsbrief.

www.socialealliantie.nl
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Afdrukken

logo-sociale alliantie youtube3

Aanpak 2015

Werkprogramma van de Sociale Alliantie

Ondanks de geringe financiële en organisatorische middelen blijft de Sociale Alliantie in 2015 actief als landelijk netwerk voor een samenleving zonder armoede. Er worden inhoudelijk inspirerende en vernieuwende bijdragen geleverd aan het maatschappelijk debat rond verarming, verrijking en verschulding.

Lees meer

Afdrukken

logo armoede live 10jaarlater

logo initiatief nu

logo expeditie sociale cooperatie

Adres

Stimulansz
t.a.v. Ger Ramaekers / Sociale Alliantie
Postbus 2758
3500 GT Utrecht

mailadres2

Volg ons op sociale media