Het sociaal offensief

Manifest tegen armoede en uitsluiting

Economisch gaat het Nederland voor de wind: het bruto nationaal product groeit, lonen en winsten stijgen, de staatskas heeft miljarden aan meevallers. Toch vertaalt deze voorspoed zich niet daadwerkelijk in een afname van de armoede in ons land. Ook het gevoerde armoedebeleid van de afgelopen jaren heeft (nog) niet geresulteerd in een dergelijke afname. Het aantal huishoudens met een inkomen onder of rond het sociaal minimum is zelfs licht gestegen: van 606.000 in 1990 tot 673.000 in 1998. Dit betekent dat er in het rijke Nederland meer dan 1 miljoen personen zijn die moeten rondkomen van een inkomen onder, op of rond het sociaal minimum. Daaronder zijn veel kinderen (360.000), veel vrouwen en veel allochtonen. Een aantal groepen als (im)migranten en mensen zonder verblijfsstatus, is niet eens in deze cijfers meegenomen. Hun situatie is vaak ook uiterst zorgwekkend.

Intussen verslapt de maatschappelijke aandacht voor de bestrijding van armoede, omdat het zo goed gaat in Nederland en iedereen nu toch wel kansen te over heeft om weg te springen uit de armoede. Deze valse beeldvorming over armoede en armen dreigt een extra hindernis te worden bij het vinden van een afdoend antwoord op een politiek schandaal van de eerste orde: het voortbestaan van armoede in een alsmaar rijker wordend land.

Zo lang het beleid en de publieke opinie armoede blijven plaatsen in de sfeer van individuele tekorten, zal het armoedevraagstuk niet worden opgelost. Dit vraagstuk hangt namelijk voor een aanzienlijk deel samen met de wijze waarop de moderne samenleving in elkaar steekt, met de structuren van die samenleving en met de kwaliteiten die daarin worden bevorderd of juist verdrongen.

Dit manifest noemt twaalf concrete programma’s ter bestrijding van armoede in Nederland. Elk jaar worden in het kader daarvan concrete actiepunten genoemd en er wordt een initiatief gepresenteerd om te volgen wat de politiek met deze voorstellen doet. De organisaties die dit manifest ondertekenen maken daarmee deel uit van de Alliantie voor sociale rechtvaardigheid. De organisaties verbinden zich niet tot in detail aan alle actiepunten, maar ondertekenen verplicht hen concrete bijdragen te leveren ter verwerkelijking van het jaarlijks vast te stellen actieplan.

Programma 1 : De visie op armoede bijstellen

Programma 2 : Een leefbaar sociaal minimum garanderen

Programma 3 : De kwaliteit van betaalde arbeid verbeteren

Programma 4 : Het ontwikkelen van een sociaal participatiebeleid

Programma 5 : De armoedeval oplossen

Programma 6 : Meer waardering voor zorgarbeid

Programma 7 : Verbetering positie gehandicapten en chronisch zieken

Programma 8 : Verbetering positie allochtonen

Programma 9 : Cliëntenparticipatie een wettelijke basis geven

Programma 10 : Onderwijs toegankelijk houden voor àlle kinderen

Programma 11 : Goede en betaalbare gezondheidszorg

Programma 12: Goede en betaalbare volkshuisvesting

Programma 1 : De visie op armoede bijstellen

Armoede is in de eerste plaats een sociaal vraagstuk en niet in de eerste plaats een individueel probleem. Armoede heeft alles te maken heeft met de wijze waarop wij allen in ons rijke land het samenleven organiseren. Hoewel armoede te maken kan hebben met persoonlijke kenmerken van mensen, heeft het armoedevraagstuk op doorslaggevende wijze te maken met de structuren en kenmerken van onze samenleving. Vanuit die invalshoek moeten onderzoekers niet in de eerste plaats armen gaan tellen en meten, maar vragen stellen over de aard van de samenleving. Hoe vergaren en verdelen we rijkdom in Nederland? Hoe hangen verrijking en verarming samen? Hoe organiseren we arbeid en zorg? Hoe vullen we burgerschap, participatie en medezeggenschap in? Welke kansen geeft het onderwijs aan onze kinderen? Hoe richten we de gezondheidszorg in? Hoe regelen we de huisvesting? De regelingen die op al deze terreinen zijn gemaakt, het denken erover en het beleid dat dienaangaande wordt gevoerd bepalen het karakter van onze samenleving. Het bestaan van armoede duidt op zwakke plekken in die regelingen, in dat denken en in dat beleid. De anti-armoedebeweging legt die zwakke plekken bloot en doet voorstellen om daar iets aan te doen, in het belang van arme mensen èn in het belang van de hele samenleving die zó hoort te zijn dat er geen armoede meer voorkomt.

Actiepunt 2001

Het instellen van een multidisciplinair team van wetenschappers die in samenspraak met ervaringsdeskundigen een rapport uitbrengen dat een uitwerking en onderbouwing geeft van de structurele oorzaken van armoede en dat het vraagstuk van verarming en verrijking in relatie zet tot de ethiek van het goede samenleven.

Programma 2 : Een leefbaar sociaal minimum garanderen

Armoede is meer dan een gebrek aan inkomen, maar zonder leefbaar inkomen kan armoede niet worden opgelost. In de moderne samenleving is veel armoede ontstaan, omdat het sociaal minimum te laag is geworden en de koopkracht ervan is achtergebleven. De huidige politiek van algemene lastenverlichting moet worden omgezet in een politiek van lastenverlichting die meer gericht is op de lagere inkomens. Wat betreft het sociaal minimum voert de anti-armoedebeweging actie voor een koppeling plus: het sociaal minimum blijven koppelen aan de algemene loonontwikkeling, plus elk jaar iets extra’s doen ter compensatie van de opgelopen achterstand. Naast deze algemene inzet voor een leefbaar sociaal minimum maakt de anti-armoedebeweging zich sterk voor een inkomensverbetering voor groepen die dit het hardst nodig hebben. Dat zijn met name mensen die langdurig aangewezen zijn op een uitkering, mensen met kinderen, gehandicapten en chronisch zieken.

Actiepunten 2001

Generiek: het sociaal minimum blijven koppelen aan de algemene loonontwikkeling, plus elk jaar iets extra’s doen ter compensatie van de opgelopen achterstand

Specifiek: Iets extra's doen voor mensen die langdurig op het sociaal minimum zitten en voor mensen met kinderen.

Specifiek: Optimaliseren van de gemeentelijke inkomensondersteuningsmaatregelen om rechtsongelijkheid tegen te gaan.

Monitoring van de gevolgen die de fiscale lastenverlichting heeft voor een aantal met name te noemen groepen (mensen die langdurig aangewezen zijn op een uitkering, mensen met kinderen, gehandicapten en chronisch zieken, ouderen met geen of een heel laag pensioen) en aandringen op compensatie bij eventuele nadelige gevolgen voor deze groepen.

Programma 3 : De kwaliteit van betaalde arbeid verbeteren

Er moet niet alleen kwantitatief (meer), maar ook en vooral kwalitatief (beter) betaald werk gecreëerd worden. Laaggeschoolde/gesubsidieerde arbeid moet meer perspectief gaan bieden, zowel wat de arbeidsvoorwaarden betreft als met het oog op door- en uitstroom naar andere functies (‘hoger’/regulier). De mogelijkheden voor mensen tot (bij)scholing moeten in dit verband worden verbeterd en verruimd. De organisatie van de arbeid moet zodanig worden aangepast dat er meer mogelijkheden ontstaan voor mensen om mee te doen in de betaalde arbeid op het voor hen passende niveau van productiviteit.

Actiepunten 2001

Extra investeren in opleidingsmogelijkheden voor mensen in gesubsidieerde banen door één dag in de week van de werktijd te reserveren voor praktijkgerichte beroepsscholing op de werkvloer.

Experimenten starten om in de reguliere arbeidsorganisatie meer ruimte te maken voor mensen die niet (meer) productief zijn op topniveau, maar wel nog waardevolle bijdragen kunnen leveren als de organisatie van de arbeid aangepast wordt (duo-banen, pooling, deeltijd).

Programma 4 : Het ontwikkelen van een sociaal participatiebeleid

Naast het belang dat betaald en kwalitatief goed werk kan hebben voor uitkeringsgerechtigden, moet worden vastgesteld dat betaald werk voor een groot aantal mensen geen reëel perspectief is vanwege leeftijd of handicap. Het eenzijdige baandenken moet worden bijgesteld met het ontwikkelen van een sociaal participatiebeleid. Mensen van wie niet verwacht of geëist kan worden dat ze (betaald) gaan werken, moeten ‘met rust’ gelaten worden en mogelijkheden krijgen op andere wijze deel te nemen aan de samenleving. Dit betekent tevens dat sociale activering niet alleen als een instrument voor toeleiding naar de arbeidsmarkt gezien mag worden, maar eerst en vooral ontwikkeld moet worden als een ontplooiingsinstrument dat mensen die geen kans hebben op betaalde arbeid, mogelijkheden in handen geeft om mee te doen in de samenleving.

Actiepunt 2001

De individuele heffingskorting, die ingevoerd wordt in het nieuwe belastingstelsel, verhogen en de mogelijkheid van een stapsgewijze uitbouw tot een individuele basisuitkering, te beginnen bij mensen die geen kans meer hebben op betaalde arbeid, in 2002 ter hand te nemen.

Programma 5 : De armoedeval oplossen

Het kan niet zo zijn dat mensen die vanuit een uitkeringssituatie gaan werken er financieel slechter van worden vanwege het wegvallen van inkomensafhankelijke regelingen. Deze zogeheten armoedeval moet op zo’n manier worden opgelost dat die oplossing zich niet richt tegen het armoedebeleid dat nodig blijft zolang mensen te weinig inkomen hebben om fatsoenlijk rond te komen. Tijdelijke maatregelen die in dit verband genomen worden, moeten stappen zijn op weg naar een structurele oplossing voor dit vraagstuk

Actiepunten 2001

Inkomensafhankelijke regelingen geleidelijk afbouwen bij toename van het inkomen..

Monitoren van de effecten van voorstellen die gedaan worden om de armoedeval op te lossen.

Programma 6 : Meer waardering voor zorgarbeid

Zorgen voor elkaar is een heel normaal aspect in ieders leven. Daar is tijd voor nodig én erkenning en waardering. Mensen moeten in staat gesteld worden om op elkaar betrokken te zijn en om sociale samenhang in de samenleving te brengen en te houden. Dit wordt steeds meer onderkend, ook door de overheid, maar nog te weinig vertaald in praktisch beleid. De inrichting van het persoonlijk leven en de inrichting van de samenleving als geheel moeten zó zijn dat er gezorgd kan worden, dat zorg een eigen en gerespecteerde plaats heeft. Deze doelstellingen zijn tot nu toe nog onvoldoende verwerkelijkt, ondanks het feit dat er de laatste jaren veel gebeurt op het terrein van de zorg en de mogelijkheden om zorg te combineren met betaalde arbeid zijn verbeterd. Dat knelt voor heel veel mensen die zorgtaken hebben en het knelt extra voor mensen met een laag inkomen die minder mogelijkheden hebben voor het inhuren van diensten die hen voor een deel concrete zorgtaken uit handen nemen. Uit de feiten blijkt dat voor vrouwen het risico om in armoede terecht te komen nog steeds groter is dan het gemiddelde. Dat heeft met name te maken met het feit dat het nog steeds vrouwen zijn die het merendeel van de zorgarbeid verrichten of verricht hebben. Vanuit die constatering vraagt de anti-armoedebeweging om in het beleid extra aandacht te schenken aan uitkeringsgerechtigden met zorgtaken en stelt ze actiepunten voor ter verbetering van de persoonlijke en maatschappelijke positie van bedoelde groepen.

Actiepunten 2001

Het opzetten van een experiment met het mixen van de uitkering in een zorgdeel en een arbeidsdeel voor de periode dat mensen duidelijk aanwijsbare zorgtaken hebben.

Aan mensen die mantelzorg verrichten mogelijkheden geven zich te scholen en te vormen.

Programma 7 : Verbetering positie gehandicapten en chronisch zieken

Armoede staat als algemeen maatschappelijk probleem op de agenda. De sociale conferenties hebben daarbij een rol gespeeld. Armoede is naast een algemeen maatschappelijk probleem ook een probleem met specifieke oorzaken en specifieke gevolgen, bijvoorbeeld voor mensen met een handicap en voor chronisch zieken..

Mensen met een handicap en chronisch zieken hebben te maken met twee factoren die inwerken op hun financiële positie: het hebben van minder inkomen en het hebben van meer kosten. Naarmate de handicap ernstiger is of er sprake is van meer dan één handicap, neemt het nadelige effect van deze factoren toe. Mensen zijn door hun handicap soms minder tot betaald werken in staat. Mensen met een handicap hebben bovendien vaak dingen nodig die niet algemeen gebruikelijk zijn. Datgene wat algemeen gebruikelijk is, schiet voor deze mensen tekort: het openbaar vervoer is niet optimaal toegankelijk, er zijn onvoldoende aanpasbaar gebouwde woningen etc. Het aan het ‘gewone leven’ meedoen is daardoor een stuk lastiger. In Nederland is er sprake van een versnipperd en nog tekortschietend beleid om de meerkosten en de slechtere inkomenspositie van gehandicapten en chronisch zieken te compenseren.

Actiepunt 2001

Volledige compensatie van de meerkosten die mensen met een handicap en/of chronische ziekte moeten maken om gelijkwaardig deel te kunnen nemen aan de samenleving.

Programma 8 : Verbetering positie allochtonen

Armoede raakt steeds meer gekleurd en ontstaat of verergert soms door cultuurverschillen. In toenemende mate is sprake van een tweedeling langs etnische lijnen. De huidige regelgeving om armoede te bestrijden speelt in veel gevallen onvoldoende in op de specifieke situatie van allochtonen. De armoede onder allochtonen kent een aantal specifieke kenmerken die bij autochtone Nederlanders veel minder voorkomen. Allochtonen hebben vaker dan autochtonen een korter arbeidsverleden in Nederland met navenante kortingen op pensioen of AOW. Allochtonen hebben over het algemeen hoge telefoon- en reiskosten en financiële verplichtingen jegens hun familie in het land van herkomst.

Actiepunten 2001

Verlaging van de verblijfsduureis van de AOW tot 40 jaar en als eerste stap het inzichtelijk maken van de financiële gevolgen hiervan.

Zelforganisaties van allochtonen meer betrekken bij de beleidsvorming en beleidsuitvoering.

Een ruimere toepassing van de bijzondere bijstand om beter tegemoet te komen aan specifieke kosten die allochtonen hebben..

Programma 9 : Cliëntenparticipatie een wettelijke basis geven

De overheid heeft een aantal wettelijke maatregelen genomen om cliëntenparticipatie te onderbouwen. Deze maatregelen hebben een vrij licht karakter: gemeenten en uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid hebben de plicht te rapporteren hoe zij vorm geven aan de inspraak van cliënten. De vorm waarin ze dat doen en de mate waarin ze cliënten en hun organisaties faciliteiten en mogelijkheden geven tot daadwerkelijke inspraak blijven oningevuld. Uitkeringsgerechtigden en hun bondgenoten zijn al jarenlang in de weer om cliëntenparticipatie vorm en inhoud te geven. Dat gebeurt zowel bij de sociale diensten (Abw) als bij de uitvoeringsinstellingen (WAO). In het kader van de thans in gang zijnde herstructurering van de uitvoering van de sociale zekerheid zou een wettelijke kaderregeling cliëntenparticipatie niet misstaan. Net als bijvoorbeeld in de Wet op de Ondernemingsraden zouden in een dergelijke kaderwet de bevoegdheden en faciliteiten van cliënteninspraak kunnen worden geregeld. Niet om zaken dicht te timmeren, maar juist om ontwikkelingen te stimuleren en om een bepaald minimum aan inspraak en zeggenschap te garanderen.

Actiepunt 2001

Het instellen van een werkgroep die een ontwerp maakt van een Kaderwet Cliëntenparticipatie.

Programma 10 : Onderwijs toegankelijk houden voor àlle kinderen

Kinderen uit gezinnen met een minimum inkomen komen op school nogal wat drempels tegen die het erg moeilijk maken om de uitsluiting die armoede met zich meebrengt te overwinnen. In de eerste plaats zijn er de financiële problemen die deelname aan het onderwijs belemmeren. Die moeten worden opgelost met gerichte maatregelen als het kostendekkend maken van de tegemoetkoming studiekosten. Verder moeten voorzieningen als kinderopvang en naschoolse opvang goed worden geregeld en worden toegesneden op het gebruik door gezinnen met een minimum inkomen. Gemeenten kunnen daarnaast aanvullende voorzieningen treffen, om op deze manier kinderen en jongeren een fatsoenlijke toekomst te bieden en een reëel perspectief om uit de armoede te geraken. Scholen dienen hun onderwijs zodanig aan te bieden dat geen enkele scholier hierdoor wordt uitgesloten. Dit moet worden verankerd in beleid en de uitvoering daarvan moet regelmatig worden getoetst.

Actiepunt 2001

Voor mensen met een minimuminkomen studiekostenvergoedingen zoveel mogelijk kostendekkend maken en bij toename van het inkomen een geleidelijke afbouw hanteren..

Programma 11 : Goede en betaalbare gezondheidszorg

De ongelijkheid in de betaalbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg door het verschil in sociaal-economische positie is onrechtvaardig. Als men kiest voor een volksgezondheidszorg die toegankelijk en betaalbaar is voor iedereen, is een volksverzekering voor iedereen met een breed pakket en een premie naar draagkracht het aangewezen systeem. Dan kunnen ook mensen met een laag inkomen er gebruik van maken. Als men kiest voor een volksgezondheidszorg die bestaat uit een groot stelsel van private verzekeringen, is een verhogen van het sociaal minimum de aangewezen maatregel. Immers, als de gebruiker moet betalen, moet ook iemand met het laagste inkomen dat kunnen. Wie beleidsmatig kiest voor het privatiseren van de gezondheidszorg en niet besluit tot een algemene verhoging van het sociaal minimum vergroot de armoede.

Actiepunt 2001

Alle inkomenseffecten van privatisering in het gezondheidstraject volledig compenseren voor mensen met een minimuminkomen en bij toename van het inkomen een geleidelijke afbouw hanteren.

Programma 12: Goede en betaalbare volkshuisvesting

De sterk gestegen woonlasten dwingen tot een extra aanpassing van de minimuminkomens, opdat de huidige samenhang tussen volkshuisvesting en armoede doorbroken wordt. Het ontstaan van achterstandswijken moet worden tegengegaan door meer spreiding te brengen in het woningenbestand en door mensen met een minimuminkomen meer mogelijkheden te geven om een huis te kopen. De toegenomen uitgaven voor wonen pakken ongelijk uit voor huurders en kopers van woningen. Huurders betalen in verhouding meer geld. De verschillen in steun van de overheid versterken deze ongelijkheid tussen huurders en kopers. Deze ongelijkheid moet worden verkleind.

Actiepunt 2001

Maximering van de woonlasten voor mensen met een minimuminkomen en bij toename van het inkomen een geleidelijke afbouw hanteren.

Alliantie voor sociale rechtvaardigheid

Waar het de afgelopen jaren in de anti-armoedestrijd aan ontbroken heeft is het nauwgezet volgen van hetgeen de politiek en het beleid doen met verbetervoorstellen die worden aangedragen. De anti-armoedebeweging en haar bondgenoten zijn er tot nu toe nog niet voldoende in geslaagd om de krachten te bundelen en toe te spitsen op een beperkt aantal punten, om op deze punten te komen met concrete actiepunten voor de korte termijn en om structuren te maken die mogelijkheden geven om nauwgezet erop toe te zien dat er aan de gestelde doelen wordt gewerkt. Om die zwakte op te heffen hebben de anti-armoedebeweging, de uitkeringsgerechtigdenbeweging en maatschappelijke organisaties die deze bewegingen ondersteunen, zich verenigd in een Alliantie voor sociale rechtvaardigheid.

Met dit manifest tegen armoede en uitsluiting presenteert deze Alliantie een programma van actie, dat jaarlijks vertaald wordt in doelen die op korte termijn bereikt moeten worden. De Alliantie stelt het kabinet voor om in een goed voorbereid structureel voor- en najaarsoverleg over dit actieprogramma werkafspraken te maken en wederzijds inspanningsverplichtingen aan te gaan. Jaarlijks wordt getoetst in hoeverre de gestelde doelen zijn bereikt.

Aldus opgemaakt in september 2000 en bekrachtigd door onderstaande organisaties en groepen

Raad van Kerken in Nederland
Federatie Nederlandse VakbewegingChristelijk Nationaal Vakverbond
Humanistisch Verbond
Humanitas
Sjakuus, samenwerkingsverband voor sociale en economische rechtvaardigheid
Forum, Instituut voor multiculturele ontwikkeling
Gehandicaptenraad
Werkgroep Arme Kant van Nederland / EVA
Landelijk steunpunt Vrouwen en de Bijstand
Landelijke Vereniging van Arbeidsongeschikten
Samenwerkingsverband Mensen Zonder Betaald Werk
Landelijk Netwerk Cliëntenraden Overleg
Landelijk Expertisecentrum Cliëntenparticipatie
Project Armoede en Effecten op Kinderen
Cliëntenbond in de GGZ
Stuurgroep Arme Kant van Groningen
Platform Uitkeringsgerechtigden Friesland (PUF)
Steunpunt Uitkeringsgerechtigden Drenthe (STUID)
Provinciaal Overleg Belangenorganisaties Uitkeringsgerechtigden Overijssel (Provob)
Arme Kant van Flevoland/EVA (AKF)
Maatschappelijk Activeringswerk en Gelders Overleg Minima (GOM)
Het Utrechts WAO-Beraad en het Maatschappelijk Activeringswerk
Provinciaal Overleg Participatie Uitkeringsgerechtigden Noord-Holland (POP)
Diaconaal Maatschappelijk Activeringscentrum Zuid-Holland (DMA)
Splinter, Platform voor bestrijding van armoede en sociale uitsluiting in Zeeland
Brabants Anti-Armoede Beraad (BAAB)
Provinciaal Samenwerkingsverband Uitkeringsgerechtigden Limburg (PSUL)
Platform Allochtone Vrouwen tegen verarming RotterdamRotterdams Armoede Netwerk (ROTAN)
Comité Amsterdam tegen Verarming

naar boven

          home